GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.208.719/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5077763 \ CV EXPL 16-5821) arrest in het incident ex art. 351 Rv van 21 februari 2017 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, eiseres in het incident, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellante], advocaat: mr. A. Speksnijder, kantoorhoudend te Akkrum, tegen stichting Elkien, gevestigd te Heerenveen, geïntimeerde, verweerster in het incident, in eerste aanleg: eiseres, hierna: Elkien, advocaat: mr. W.E.A. Stegeman, kantoorhoudend te Groningen. 1Het geding in eerste instantie 1.1 In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 4 oktober 2016 en 24 januari 2017 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende een incidentele vordering tot schorsing van tenuitvoerlegging ex artikel 351 RV, waarin de grieven zijn opgenomen, van 3 februari 2017; - de akte houdende overlegging producties; - de conclusie van eis; - de antwoordconclusie in het incident ex artikel 351 Rv met producties. 2.2 De conclusie van de appeldagvaarding strekt in de hoofdzaak tot vernietiging van het eindvonnis van de kantonrechter van 24 januari 2017, waarvan beroep, en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van Elkien, met veroordeling van Elkien in de proceskosten in beide instanties. In het incident vordert [appellante] schorsing van de tenuitvoerlegging van het beroepen vonnis, kosten rechtens. 2.3 Elkien heeft bij antwoordconclusie in het incident geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering met veroordeling van [appellante] in de kosten van het incident. 2.4 Partijen hebben arrest gevraagd in het incident en daartoe de stukken overgelegd. 3De feiten, het geschil en de beslissing in eerste aanleg 3.1 Het gaat in deze zaak - voor zover relevant voor de beoordeling in het incident - in het kort over het volgende. 3.2 Elkien verhuurt de woning aan [adres] (hierna: de woning) met ingang van 3 juli 2012 aan [appellante] . [appellante] bewoont de woning samen met haar zoons [zoon 1] (hierna: [zoon 1] ) en [zoon 2] . 3.3 Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden (hierna: de huurvoorwaarden) van toepassing. In art. 9.3 van de huurvoorwaarden is bepaald dat de huurder ervoor zal zorgdragen dat aan omwonenden geen overlast en hinder wordt veroorzaakt door huurder, huisgenoten en door derden die zich met toestemming van de huurder in de woning bevinden. Onder overlast en hinder wordt onder meer verstaan: - drugsgebruik, drugshandel in of rond het gehuurde; - het kweken van hennep waar dan ook in het gehuurde, dan wel het verrichten van activiteiten die op grond van de Opiumwet strafbaar worden geacht. 3.4 Naar aanleidingen van drie meldingen via Meld Misdaad Anoniem dat in de woning door [zoon 1] in drugs zou worden gehandeld heeft op 9 december 2015 op last van de rechter-commissaris een huiszoeking plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal zijn daarbij in de woonkamer aangetroffen: een zakje wiet, een vuilniszak met hennepresten en een pot hennep. In de slaapkamer van [zoon 1] zijn aangetroffen: 2 pillen in een zakje, 41 XTC pillen verdeeld over vier zakjes, 2 assimilatielampen, 15 wikkels vermoedelijk gevuld met cocaïne, een zakje met restanten wit poeder, een transformator, een hygrometer, 5 zakken bruin/wit poeder, een maatbeker met poederresten en een vierkant wit plastic bakje met wit poeder. 3.5 De burgemeester van [woonplaats] heeft bij besluit van 15 februari 2016 de woning ingaande 29 februari 2016 voor een periode van zes maanden gesloten wegens overtreding van art. 13b lid 1 van de Opiumwet. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, sector bestuursrecht, heeft dit besluit geschorst bij uitspraak van 2 maart 2016. Van gemeentewege is nadien aangegeven dat het besluit van 15 februari 2016 zal worden herroepen. 3.6 Per e-mail van 14 november 2016 heeft de heer [X] van de politie aan Elkien laten weten dat de in de woning aangetroffen goederen zijn getest door de Forensische Opsporing. Hieruit is gebleken dat 12,194 gram aan pillen een positief resultaat gaf op XTC, diverse wikkels met poeder zijn positief getest voor cocaïne en bruin plantengruis van totaal 19,96 gram testte positief op cannabis. De overige goederen hadden een negatief of onduidelijk testresultaat. 3.7 In eerste aanleg heeft Elkien gevorderd (samengevat) ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling van [appellante] tot ontruiming van de woning, met nevenvorderingen en kosten rechtens. 3.8 In zijn eindvonnis van 24 januari 2017, waarvan beroep, heeft de kantonrechter (samengevat) de tussen Elkien en [appellante] bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning ontbonden en [appellante] veroordeeld om de woning binnen twee weken na betekening van het vonnis te ontruimen, met nevenveroordelingen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en [appellante] is door de kantonrechter verwezen in de proceskosten 3.9 Elkien heeft de ontruiming van de woning aangezegd tegen 23 februari 2017. 4De beoordeling in het incident 4.1 [appellante] heeft zes genummerde grieven ontwikkeld tegen het vonnis waarvan beroep. Ter onderbouwing van haar incidentele vordering stelt [appellante] (samengevat) dat het vonnis van de kantonrechter op feitelijke dan wel juridische misslagen berust en dat Elkien geen enkel redelijk belang heeft bij tenuitvoerlegging van het vonnis. De enkele aanwezigheid van verdovende middelen, zonder de overige feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen, is onvoldoende om een tekortkoming van de huurder aan te nemen. Ten onrechte heeft de kantonrechter aangenomen dat het belang van Elkien er mede uit bestaat andere huurders te vrijwaren van drugshandel. Nu van overlast niet is gebleken, zou dit betekenen dat een huurovereenkomst kan worden ontbonden indien in het gehuurde (enige) drugs zouden worden aangetroffen. Het belang van Elkien is echter beperkt tot het verschaffen van woongenot en het vrijwaren van andere huurders van ernstige en doorgaande overlast. Voor het tegengaan van ongewenst drugsgebruik en drugshandel zijn de strafrechtelijke autoriteiten aangewezen en kan de burgemeester ter handhaving van de openbare orde ingrijpen op grond van art. 13b Opiumwet. Mede gelet op de omstandigheid dat de bestuursrechter de sluiting van de woning door de burgemeester heeft geschorst, ligt het alleszins in de rede dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Ook heeft de kantonrechter miskend dat de ontbinding en de ontruiming in het licht van art. 8 EVRM disproportioneel zijn en niet in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid. De ontruiming zou voor [appellante] ernstig nadeel betekenen. [appellante] is ernstig ziek en [zoon 1] verleent haar intensieve mantelzorg. Zij heeft daarom groot belang bij voortzetting van de bewoning in afwachting van de uitkomst in de hoofdzaak, aldus [appellante] . 4.2 Ter afwering van de incidentele vordering heeft Elkien aangevoerd (samengevat) dat uit de voorhanden zijnde informatie voldoende aannemelijk is geworden dat [zoon 1] in drugs heeft gehandeld. Elkien voert een zero tolerance beleid ten aanzien van drugs en zij heeft groot belang bij handhaving van haar huurvoorwaarden. Elkien heeft reeds in eerste aanleg aangeboden om aansluitend op de ontruiming enkel [appellante] te herhuisvesten. [appellante] heeft echter de haar tijdens de comparitie in eerste aanleg aangeboden woning afgewezen. Het aanbod om [appellante] te herhuisvesten, doet Elkien in appel gestand. Van misslagen, feitelijk of juridisch, is in het beroepen vonnis volgens Elkien geen sprake. Verder is namens [appellante] in eerste aanleg ook gesteld dat zij "terminaal" zou zijn, doch dit is tot op heden niet met (medisch objectieve) stukken onderbouwd. 4.3 De vraag waar het in het incident om gaat, is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het vonnis waarvan beroep op de voet van art. 351 Rv. Het hof stelt bij deze beoordeling de volgende maatstaven voorop, onder verwijzing naar arresten van de Hoge Raad van 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:688) en 30 mei 2008 (ECLI:NL:HR: 2008:BC5012): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.