GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.111.788/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 121386/ HA ZA 10-835) arrest van 28 februari 2017 in de zaak van Universitair Medisch Centrum Groningen, gevestigd te Groningen, appellante, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: het UMCG, advocaat: mr. E.J.C. de Jong, kantoorhoudend te Utrecht, tegen [geïntimeerde] , wonende te [A] , geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. R.M. van der Zwan, kantoorhoudend te 's-Gravenhage. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 maart 2016 hier over. 1.2 Het verdere verloop van het geding blijkt uit:- een akte van het UMCG;- de brief aan de rolraadsheer van [geïntimeerde] d.d. 21 juni 2016;- een akte uitlaten van [geïntimeerde] ;- een akte overlegging producties van het UMCG;- een antwoordakte van [geïntimeerde] . 1.3 Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald. 2De verdere beoordeling van de grieven en de vordering Inleiding 2.1 In voornoemd tussenarrest heeft het hof geconstateerd dat op basis van het medisch dossier zoals dat door het UMCG is overgelegd, niet kan worden vastgesteld waarom de bij [geïntimeerde] uitgevoerde oorreconstructie niet het door partijen gewenste resultaat heeft gehad. Het hof heeft het UMCG de gelegenheid geboden om, zoals zij ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft verzocht, het medisch dossier van het UMCU, alsmede een nadere verklaring van dr. [B] in het geding te brengen en daarop desgewenst een toelichting te geven, waarop [geïntimeerde] zal mogen reageren. Het hof heeft de zaak daartoe naar de rol van 19 april 2016 verwezen. De ingekomen stukken 2.2 Na een uitstel van twee weken heeft het UMCG op de roldatum 3 mei 2016 een akte genomen, waarbij zij een verklaring van dr. [B] in het geding heeft gebracht en waarin zij heeft verklaard dat zij nog niet over het medisch dossier van [geïntimeerde] dat zich bij het UMCU bevindt beschikt. Het UMCG heeft verzocht haar nader uitstel te verlenen voor het in het geding brengen van dit dossier. Voorts heeft zij een tweetal nadere producties (productie 3 en 4) overgelegd en daarop een toelichting gegeven. 2.3 [geïntimeerde] heeft bij brief van 21 juni 2016 bezwaar gemaakt tegen het inbrengen van productie 3 en 4. Dit bezwaar is door de rolraadsheer op de roldatum 28 juni 2016 gehonoreerd. Van de akte van het UMCG zijn punt 4 en 5, alsmede de producties 3 en 4 geweigerd. Het hof zal de bedoelde producties en de daarop gegeven toelichting derhalve buiten beschouwing laten. 2.4 [geïntimeerde] heeft vervolgens bij akte van 12 juli 2016 een akte uitlaten genomen, waarin hij het medisch dossier van het UMCU heeft overgelegd. Hij heeft voorts verzocht het UMCG geen nader uitstel te verlenen voor het inbrengen van nadere stukken, zoals door het UMCG bij haar akte van 3 mei 2016 was verzocht. 2.5 Het UMCG heeft op dezelfde roldatum eveneens het medisch dossier van [geïntimeerde] van het UMCU in het geding gebracht. Bij akte van 26 juli 2016 heeft [geïntimeerde] hierop gereageerd. 2.6 Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door [geïntimeerde] is verzocht, de akte van het UMCG d.d. 12 juli 2016 niet te accepteren. Door overlegging van een tweetal brieven van haar raadsman aan het UMCU d.d. 7 april 2016 en 23 juni 2016 waarin is verzocht om afgifte van het medisch dossier heeft het UMCG aangetoond dat zij heeft getracht (tijdig) over het medisch dossier van het UMCU te beschikken, terwijl het medisch dossier dat zij uiteindelijk bij haar akte van 12 juli 2016 in het geding heeft gebracht, gelijkluidend is aan het dossier dat [geïntimeerde] zelf bij akte van 12 juli 2016 heeft overgelegd. De verdere beoordeling 2.7 Dr. [B] , die [geïntimeerde] na de laatste operatie in het UMCG heeft gezien en hem vervolgens heeft doorverwezen naar het UMCU voor een second opinion, heeft in zijn verklaring van 4 april 2016 onder andere verklaard:"(…) In het verdere postoperatieve beloop gaf patiënt aan ook zijn linker oor verder te willen laten reconstrueren: zoals u bekend waren er al twee operaties en reconstructies uitgevoerd met helaas een uiteindelijk teleurstellend resultaat. Ik zag zelf geen mogelijkheid het oor verder goed te reconstrueren en het uiterlijk aspect dusdanig te verbeteren dat dit voor patiënt voldoende acceptabel zou zijn. In mijn optiek toen zou een orthese/prothese, waarbij van kunstmateriaal een nieuw oor wordt gemaakt door de afdeling bijzondere tandheelkunde en welke vervolgens middels implantaten vast gezet kan worden op de schedel, de beste oplossing zijn. Ik heb patiënt toen hiervoor doorverwezen. Daarna verscheen patiënt weer (na consult bij de afdeling bijzondere Tandheelkunde): hij gaf duidelijk te kennen per se een reconstructie te willen en geen prothese. Omdat ik geen goede mogelijkheden hiervoor zag meende ik dat een verwijzing naar prof. dr. [C] het beste zou zijn, gezien zijn uitgebreide ervaring met oor reconstructies. Ik heb toen een zeer korte en cryptische omschrijving gedaan op 20-6-2008 "verwijzing i.v.m. status na "mislukte" oorreconstructie bij hemifaciale atrofie waarmee ik bedoelde: qua reconstructie en aspect verbetering niet gelukte oorreconstructie." 2.8 In het medisch dossier van het UMCU is onder andere het volgende opgenomen:In het "PLA Consult" d.d. 5 september 2008:"Status na mislukte oorreconstructie links ivm microtieO/ Onacceptabele vorm, slechte kleurmatch, litteken temporaalIn de brief van prof. dr. [C] aan prof. dr. [B] d.d. 22 september 2008:"Bovengenoemde patiënt(e) werd gezien in verband met: status na mislukte oorreconstructie links elders.Bij onderzoek werd gevonden: gedeformeerde, verlittekende "oorschelp" links. Slechte vorm en onacceptabel uitwendig aspect."Blijkens het medisch dossier van het UMCU is de oorschelp van [geïntimeerde] door prof. dr. [C] in drie tempi gereconstrueerd waarbij
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.