GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.193.251/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/150450/ FA RK 14-103 (erkenning buitenlandse vonnissen) en C/08/150009 / FA RK 14-17 (gezag)) beschikking van 2 maart 2017 inzake [verzoeker] , wonende te [A] ,verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. C.F. Roza te Zwolle, en [verweerster] , wonende te [B] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. J.B. Streefkerk te Almere. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 17 maart 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 13 juni 2016; - het verweerschrift met productie(s); - een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 28 juni 2016 met productie(s); - een journaalbericht van mr. Streefkerk van 22 augustus 2016 met productie(s); - een journaalbericht van mr. Roza van 31 augustus 2016 met productie(s). 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 2017 plaatsgevonden. De man is verschenen bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw bijgestaan door haar advocaat en de heer [C] , tolk in de Arabische taal, tolknummer [000] . Namens de raad is verschenen de heer [D] . 3De vaststaande feiten 3.1 Uit het huwelijk van partijen is [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) geboren [in] 2009 in [E] in de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE). De man en [de minderjarige] hebben (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit en de vrouw (in ieder geval) de Iraakse nationaliteit. 3.2 Op 19 september 2011 heeft de man in Nederland een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt. Bij beschikking van 23 januari 2013 heeft de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zwolle, zich absoluut onbevoegd verklaard van het verzoekschrift van de man kennis te nemen. 3.3 Op 19 januari 2012 heeft de vrouw de man in kort geding gedagvaard waarbij zij afgifte van [de minderjarige] aan haar van de man heeft gevorderd (op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag). De voorzieningenrechter in Den Haag heeft die vordering bij vonnis van 16 maart 2012 afgewezen. 3.4 Bij vonnis bij verstek van de Sharia rechtbank Al Shariqah in de VAE van 2 mei 2012 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarbij is - voor zover hier van belang - bepaald dat de man het huwelijksonderhoud aan de vrouw dient te betalen van 2.000 VAE-dirham met ingang van 18 juli 2011 (zoals het hof verbeterd leest) tot de aanvang van haar idda (de wachtperiode alvorens te kunnen hertrouwen) wanneer het scheidingsvonnis finaal is geworden. De man is tegen dat vonnis van 2 mei 2012 in beroep gegaan. Op 11 oktober 2012 heeft het Federaal Hof van Beroep Al Shariqah in de VAE het beroep van de man afgewezen en het bestreden vonnis bevestigd. De man is vervolgens in cassatie gegaan. De Federale Hoge Raad (Union Supreme Court) heeft in zijn uitspraak van 22 januari 2013 de bestreden uitspraak van het Federaal Hof van Beroep vernietigd en de zaak teruggewezen. Op 8 oktober 2013 heeft het Federaal Gerechtshof van Sharjah in de VAE de definitieve echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de nevenvoorzieningen als genoemd in het vonnis van 2 mei 2012 bevestigd. 3.5 De idda (de wachtperiode alvorens te kunnen hertrouwen) is in oktober 2013 aangevangen. 3.6 Van eind 2013 tot eind 2014 verbleef [de minderjarige] bij oma vaderszijde in Iran. Op 21 maart 2014 is de man uitgeschreven in Nederland en naar Canada vertrokken. Sinds eind 2014 woont [de minderjarige] weer met de man in Nederland. 3.7 Op 3 januari 2014 heeft de man zijn verzoek tot wijziging van het gezag en vaststelling van het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij hem ingediend. 3.8 Op 15 januari 2014 heeft de vrouw haar verzoek tot erkenning van buitenlandse vonnissen ingediend bij de rechtbank. 3.9 Begin 2014 is de vrouw hertrouwd. Zij verbleef met haar echtgenoot en hun kind in [F] in Schotland. Per september 2016 wonen zij in [B] . 3.10 De rechtbank heeft op 16 mei 2014 en op 17 november 2014 een tussenbeschikking gewezen en een raadsonderzoek gelast. 3.11 Op 23 maart 2015 is de echtscheiding tussen de man en de vrouw ingeschreven in de registers van de gemeente Lelystad. 4Omvang van het geschil 4.1 De echtscheidingsbeslissing in de VAE is in de bestreden beschikking van 17 maart 2016 door de rechtbank erkend. De rechtbank heeft in die beschikking tevens het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de man bepaald. Het verzoek van de vrouw om de in de VAE uitgesproken voorzieningen betreffende de verplichtingen van de man om de voogdij over [de minderjarige] aan haar over te dragen, aan haar de huursom en de kosten van zorg en opvoeding van [de minderjarige] te betalen vanaf de datum dat hij aan haar wordt overgedragen en de kosten van de voogdij over [de minderjarige] (kinderalimentatie) te betalen, te erkennen, is door de rechtbank afgewezen. Deze beslissingen van de rechtbank zijn niet in geschil in hoger beroep. 4.2 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking voorts vastgesteld dat de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] zijn belast en heeft het verzoek van de man betreffende het eenhoofdig gezag afgewezen. De rechtbank heeft de uitspraken uit de VAE over de onderhoudsbijdrage van de vrouw erkend en de man veroordeeld tot datgene waartoe hij bij die uitspraken reeds is veroordeeld ter zake deze onderhoudsbijdrage. Die beslissingen over het gezag en de partneralimentatie zijn thans in geschil. 5De beoordeling De bevoegdheid van de Nederlandse rechter 5.1 Evenals de rechtbank acht het hof de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van voornoemde verzoeken. Het hof neemt over de overwegingen van de rechtbank zoals weergegeven in overwegingen 5.2 tot en met 5.5 van de bestreden beschikking en maakt deze - na eigen onderzoek - tot de zijne. Het gezag 5.2 De rechtbank heeft de beslissing over het gezag door de rechterlijke autoriteiten in de VAE waarbij de voogdij over [de minderjarige] aan de vrouw moest worden overgedragen, niet erkend. Partijen hebben niet over dat oordeel geklaagd. De man heeft in eerste aanleg en in hoger beroep verzocht om te bepalen dat hij het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] zal hebben. De vrouw is het daar niet mee eens. 5.3 Zoals de rechtbank in overweging 5.20 van de bestreden beschikking heeft overwogen is het Nederlands recht van toepassing op de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid en dus op het verzoek van de man om hem met het eenhoofdig gezag te belasten. 5.4 Ingevolge artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van een van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 5.5 De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een dergelijke situatie. Het hof heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen. 5.6 Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt - anders dan de man mogelijk meent - niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het ouderlijk gezag slechts aan een van de ouders moet worden toegekend. De vrouw heeft - onbestreden - aangegeven dat de man beslissingen neemt zonder haar te informeren en te overleggen. Zo is hij recent naar [G] verhuisd zonder de vrouw daarin te kennen. Het hof stelt vast dat de communicatie tussen de ouders verbetering behoeft. De raad heeft naar het oordeel van het hof terecht voorgesteld aan partijen om hulp bij professionals zoals [H] te zoeken, maar niet aannemelijk is geworden dat de communicatie zo slecht is dat [de minderjarige] daardoor tussen de ouders klem of verloren raakt. De ouders hebben inmiddels stappen gezet en de situatie tussen hen is verbeterd. Onbestreden is dat de vrouw in Nederland is komen wonen voor [de minderjarige] ; dat kan de communicatie tussen partijen vergemakkelijken. Belangrijker nog is dat er sinds kort - anders dan voorheen - een reguliere zorgregeling tussen de vrouw en [de minderjarige] tot stand is gekomen van een weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties en feestdagen. Die regeling is vastgelegd in de beschikking van de rechtbank van 29 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.