WAHV 200.167.062 6 maart 2017 CJIB 175160535 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Alkmaar van 20 februari 2015 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Beoordeling Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 360,- opgelegd ter zake van “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”, welke gedraging zou zijn verricht op 9 augustus 2013 om 15.35 uur op de Schuijteskade te Hoorn met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De betrokkene stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de kantonrechter op onjuiste gronden een beslissing heeft genomen, omdat de kantonrechter heeft overwogen dat de betrokkene een beroep heeft gedaan op de omstandigheid dat hij nog niet in het bezit was van een gehandicaptenparkeerplaats. Dit is niet juist. De betrokkene had namelijk in zijn beroepschrift als bijzondere omstandigheden aangevoerd waarom hij nog niet over een gehandicaptenparkeerkaart beschikte, maar dit is niet meegenomen in de overwegingen van de kantonrechter. In hoger beroep legt de betrokkene uit dat hij een half jaar op zijn gehandicaptenparkeerkaart heeft moeten wachten, omdat de gemeente [gemeente] de aanvraag eerder ten onrechte niet in behandeling had genomen. Het hof stelt vast dat de betrokkene in zijn beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie heeft aangevoerd dat hij heeft geparkeerd zonder een geldige parkeerkaart achter de voorruit, omdat hij die op dat moment niet bij de hand had. Voor de reden van het ontbreken van die parkeerkaart verwijst hij naar zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking. Hierin heeft hij echter enkel aangegeven dat hij (nog) niet in het bezit was van een invalidenparkeerkaart. Dat de betrokkene problemen had met de gemeente Schagen omtrent de aanvraag van een invalidenparkeerkaart is dus niet eerder dan in hoger beroep naar voren gebracht. Derhalve treft de klacht van de betrokkene, dat de kantonrechter deze omstandigheden niet in zijn beslissing heeft meegenomen, geen doel.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.