GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem Nummer: 16/00551 uitspraakdatum: 21 maart 2017 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 april 2016, nummer AWB 14/2370, in het geding tussen [X] , wonende te [Z] (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 20.086. Daarbij is bij beschikking € 48 aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.2. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 24 februari 2014 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 5 april 2016 het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd naar een bijdrage-inkomen van € 6.038 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd. 1.4. De Inspecteur heeft bij brief van 11 mei 2016, ingekomen bij het Hof op 17 mei 2016, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 25 januari 2017 een nader stuk ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2016 te Arnhem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door drs. [A] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [B] en mr. [C] . Het onderhavige beroep en het beroep van de echtgenote van belanghebbende, [D] , met nummer 16/00552, zijn met toestemming van partijen gelijktijdig ter zitting behandeld. 1.7. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. 1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2. Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende drijft sinds 1 november 2006 samen met zijn echtgenote de vennootschap onder firma “Bouwbedrijf [E] ” (hierna aangeduid als: de v.o.f.). 2.2. Op 30 december 2009 zijn aan belanghebbende en zijn echtgenote voor een bedrag van € 650.000 geleverd de woning met bedrijfshal, garage, carport, weiland, erf, tuin, ondergrond en aan- en toebehoren, staande en gelegen aan de [a-straat] 123A te [Z] . De bedrijfshal is circa 10 meter achter de woning gelegen en is toegankelijk via een oprijlaan naast de woning. 2.3 Op 1 februari 2010 is de bedrijfshal in gebruik genomen door de v.o.f. In oktober 2010 hebben belanghebbende en zijn echtgenote de woning betrokken. In de woning dient één kamer, waarvan de oppervlakte circa 6% van de woning bedraagt, als kantoor voor de v.o.f. Na aankoop is de woning verbouwd, onder andere door het aanbrengen van dakkapellen op de eerste verdieping. De verbouwingskosten bedroegen € 77.298. 2.4. Bij brief van 18 maart 2010 heeft de Inspecteur het verzoek van belanghebbende en zijn echtgenote om de woning voor de Wet IB 2001 aan te merken als keuzevermogen afgewezen. 2.5. Op 22 september 2011 heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en Zvw voor het jaar 2010 gedaan. De woning is als ondernemingsvermogen geactiveerd op de balans van de v.o.f. De Inspecteur is bij het vaststellen van de aanslagen hiervan afgeweken en heeft de woning aangemerkt als verplicht privévermogen. Dit heeft geleid tot de volgende correcties op de aangegeven belastbare winst: Aangifte Aanslag Aangegeven belastbare winst 6.038 Correctie afschrijving en rente van schulden eigen woning + 14.421 Correctie zelfstandigenaftrek + 1.542 Correctie MKB-vrijstelling -/- 1.915 Totale correctie + 14.048 Vastgestelde belastbare winst/ grondslag Zvw 2010 20.086 2.6. De aanslag Zvw 2010 is opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 20.086. 2.7. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de woning kan worden aangemerkt als keuzevermogen en dat belanghebbende de grenzen der redelijkheid niet heeft overschreden door de woning als ondernemingsvermogen te etiketteren. De Rechtbank heeft belanghebbende derhalve in het gelijk gesteld. 3Geschil 3.1. In geschil is de aanslag Zvw 2010. Evenals bij de Rechtbank ligt in hoger beroep de vraag voor of de woning van belanghebbende tot zijn ondernemingsvermogen kan worden gerekend of dat, zoals de Inspecteur meent, sprake is van verplicht privévermogen. 3.2. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van het beroep dat door belanghebbende bij de Rechtbank is ingesteld. 4Beoordeling van het geschil 4.1. Voor de vermogensetikettering is in het algemeen de wil van de belanghebbende zoals die in zijn boekhouding of op andere wijze tot uiting is gekomen beslissend, tenzij daardoor de grenzen der redelijkheid worden overschreden (HR 20 juni 1962, nr. 14.819, BNB 1962/272). Van een woning van een ondernemer moet, behoudens bijzondere omstandigheden, worden aangenomen dat deze naar zijn aard in fiscale zin tot het privé-vermogen van een ondernemer behoort (HR 18 juni 1969, nr. 16.163, BNB 1969/166). Een uitsluitend als zodanig gebruikte woning kan evenwel binnen de grenzen der redelijkheid tot het ondernemingsvermogen worden gerekend indien de bewoning ervan mede dienstbaar is aan de bedrijfsuitoefening (HR 7 juli 1993, nr. 28.751, BNB 1993/276). Het gebruik van de woning zal op enigerlei wijze dienstbaar moeten zijn aan de onderneming (HR 17 september 2010, nr. 09/00332, BNB 2011/3). De ligging van de woning in de nabijheid van bedrijfsmatig gebruikte opstallen vormt in dit kader een duidelijke – maar niet zonder meer beslissende – aanwijzing (HR 7 juli 1993, nr. 28.751, BNB 1993/276). 4.2. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de woning tot het ondernemingsvermogen dient te worden gerekend heeft belanghebbende gewezen op vier aspecten die betrekking hebben op de aanwending van zowel de woning als het terrein waarop de woning en de bedrijfshal zijn gelegen. Deze aspecten behelzen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.