GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer 200.206.280/01 arrest van 21 maart 2017 inzake [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. H.H. Gerdes, kantoorhoudende te Nieuwe Pekela. 1Het geding in eerste aanleg Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 16 december 2016 is het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar afgewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 22 december 2016, heeft [appellante] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en, opnieuw beslissende, te bepalen dat zij wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. 2.2 Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken. 2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017, waarbij mr. Gerdes is verschenen. [appellante] is niet verschenen. Bij brief van 27 februari 2017 heeft het hof [appellante] bericht de zaak aan te houden, teneinde haar alsnog ter zitting te horen. Van mr. Gerdes is een brief met bijlage van 7 maart 2017 binnengekomen. Vervolgens heeft op 13 maart 2017 opnieuw een mondelinge behandeling plaatsgevonden waar [appellante] is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. 3De beoordeling 3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken. De totale schuldenlast van [appellante] bedraagt € 174.258,88 en bestaat onder meer uit een schuld aan Terra Beheer van € 103.364,44. Voorts is gebleken dat [appellante] sinds 1 september 2014 de onderneming [naam1] heeft gedreven. Deze onderneming heeft zij overgedragen aan haar dochter. Voor de overname van het bedrijf is door [appellante] geen vergoeding ontvangen. 3.2 De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat naar het oordeel van de rechtbank van [appellante] had mogen worden verlangd dat zij een vergoeding voor de overname van het bedrijf door haar dochter had gevraagd en ontvangen, alsmede een vergoeding voor de inventaris van het bedrijf. Met deze vergoeding had [appellante] haar schuldeisers (deels) kunnen betalen en haar schuldenlast kunnen verminderen. De rechtbank ziet geen aanleiding [appellante] alsnog tot de schuldsaneringsregeling toe te laten op grond van de zogenaamde hardheidsclausule. Het enkele feit dat [appellante] thans geen onderneming meer drijft acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Voorts is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen, nu zij werkzaamheden voor de dressuurstal verricht zonder dat daar een reële vergoeding tegenover staat en zij dientengevolge minder uren beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. [appellante] spant zich naar het oordeel van de rechtbank hiermee onvoldoende in om zoveel mogelijk inkomsten te genereren voor haar schuldeisers. 3.3 [appellante] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en stelt daartoe dat van enige goodwill of waarde van de dressuurstal geen sprake was. Het enige verwijt dat [appellante] ter zake van het zonder vergoeding overdragen van de onderneming gemaakt kan worden, betreft het overdragen van het harnachement ter waarde van ongeveer € 1.000,-. De dochter van [appellante] heeft dit bedrag op de derdenrekening van de advocaat gestort ter betaling van het harnachement onder de voorwaarde dat [appellante] wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. De schuldenlast van [appellante] bestaat grotendeels uit twee zakelijke schulden, die zijn ontstaan in het kader van een vorige onderneming van [appellante] , “ [naam2] ”, welke onderneming zij medio 2014 heeft gestaakt. Daarna zijn er geen noemenswaardige schulden meer ontstaan. Daarmee heeft [appellante] het ontstaan van haar schulden onder controle gekregen en komt haar een succesvol beroep op de schuldsaneringsregeling toe. 3.4 Het hof overweegt als volgt. Ter onderbouwing van haar stelling dat [naam1] geen waarde (meer) vertegenwoordigde op het moment dat [appellante] de onderneming heeft overgedragen aan haar dochter, heeft [appellante] het rapport 'Levensvatbaarheidsonderzoek naar het bedrijf van mevrouw [appellante] ' d.d. 8 mei 2015 overgelegd, dat het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) heeft opgesteld. Uit dit onderzoek blijkt dat de dressuurstal een sterk negatief eigen vermogen (van - € 169.900,-) had, terwijl de bruto-maandomzet nagenoeg even hoog was als de te betalen huurlasten. Het IMK heeft geconcludeerd dat [naam1] niet levensvatbaar was. De activa van de dressuurstal bestonden slechts uit een zakelijk banksaldo van € 200,- en de genoemde maandomzet. De dressuurstal beschikte niet over een levende have en ook overigens zijn geen noemenswaardige activaposten geconstateerd. Het hof is van oordeel dat [appellante] met het vorenstaande aannemelijk heeft gemaakt dat [naam1] (op het harnachement na) nagenoeg geen waarde meer vertegenwoordigde op het moment dat zij deze onderneming aan haar dochter heeft overgedragen. Nu de dochter van [appellante] bereid en in staat is de waarde van het harnachement op de hiervoor genoemde wijze te vergoeden, kan [appellante] niet (langer) verweten worden dat zij de onderneming aan haar dochter heeft overgedragen zonder hiervoor een reële vergoeding te vragen en te ontvangen. 3.5 [appellante] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat haar dochter [naam1] inmiddels heeft laten uitschrijven bij de Kamer van Koophandel en dat zij thans alleen nog paarden voor derden rijdt. Hiermee zijn ook de advieswerkzaamheden die [appellante] voor de dressuurstal verrichtte beëindigd. [appellante] ondersteunt haar dochter nog altijd bij haar werkzaamheden, maar dit staat niet in de weg aan haar volledige beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. [appellante] heeft onlangs een baan gevonden voor vijftien uur per week en hoopt deze uren uit te kunnen breiden. Zij heeft verklaard te zullen solliciteren naar een fulltime (ten minste 36 uur per week) dienstverband. 3.6 Het hof overweegt voorts dat het overgrote deel van de schulden van [appellante] zakelijke schulden betreft, waarbij de schulden aan Accountantskantoor Foederer ad € 47.854,59 en aan Terra Beheer B.V. ad € 103.364,44 het meest in het oog springen. Nu de schuld aan het accountantskantoor reeds in 2005 is ontstaan, dient deze schuld bij de beoordeling van het onderhavige verzoek buiten beschouwing te worden gelaten. Ten aanzien van de overige schulden van [appellante] overweegt het hof dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze te goeder trouw zijn ontstaan. Daarbij verdient opmerking dat [appellante] sinds het staken van haar onderneming nagenoeg geen nieuwe schulden heeft laten ontstaan. 3.7 Het hof acht tot slot voldoende aannemelijk geworden dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voorvloeiende verplichtingen naar behoren zal kunnen nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Omdat (ook) in hoger beroep niet is gebleken van andere gronden die zich verzetten tegen toepassing van de schuldsaneringsregeling, zal het hof het verzoek van [appellante] om ten aanzien van haar de schuldsaneringsregeling uit te spreken toewijzen. 3.8 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en dat beslist moet worden als volgt. 4De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 16 december 2016 en, opnieuw recht doende: verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [appellante] ; verwijst de zaak ter verdere afdoening naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, ter uitvoering van die regeling. Dit arrest is gewezen door mr. D.J. Keur, mr. K.M. Makkinga en mr. M.A.L.M. Willems en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2017.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.