WAHV 200.169.666 5 april 2017 CJIB 173516669 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 1 april 2015 betreffende [gemachtigde], kantoorhoudende te [kantoorplaats]. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Het procesverloop [gemachtigde] heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. [gemachtigde] heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Beoordeling
- Bij inleidende beschikking is een sanctie opgelegd aan [B.V. X] De officier van justitie heeft het administratief beroep tegen deze beschikking niet-ontvankelijk verklaard omdat geen geldige machtiging is overgelegd. Deze beslissing dient aldus te worden verstaan dat de officier van justitie het beroep, dat was ingesteld door [gemachtigde], niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat hij niet beroepsgerechtigd is aangezien hij niet degene is tot wie de inleidende beschikking is gericht.
- Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat [gemachtigde] bij brief van 21 januari 2014 door de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld een schriftelijke machtiging over te leggen waaruit blijkt dat hij bevoegd was om namens [B.V. X] beroep in te stellen. Van deze mogelijkheid is echter geen gebruik gemaakt.
- [gemachtigde] voert aan de brief van 21 januari 2014 niet te hebben ontvangen en merkt daartoe op dat zich in het dossier slechts een herstelverzuimbrief d.d. 21 januari 2014 bevindt die gericht is aan mevrouw [bestuurster], de feitelijke bestuurder van het voertuig. Nu hij geen brief heeft ontvangen met het verzoek om het verzuim, het gebrek van de machtiging, te herstellen, kan dit hem niet verweten worden. Daarnaast wijst [gemachtigde] er op dat alle stukken tenminste aan de gemachtigde moeten worden gezonden.
- Uit de gedingstukken blijkt dat op 5 augustus 2013 administratief beroep is ingesteld door [gemachtigde] tegen de inleidende beschikking. [gemachtigde] stelt in deze brief dat hij namens [bestuurster] (feitelijk bestuurder) en [B.V. X] (kentekenhouder) beroep instelt. In het dossier bevindt zich een brief van de officier van justitie d.d. 21 januari 2014 gericht aan [bestuurster] waarin [bestuurster] wordt verzocht een schriftelijke machtiging te verstrekken. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking bij beslissing van 6 maart 2014 niet-ontvankelijk verklaard.
- Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. Dit betekent dat de officier van justitie de gemachtigde -en derhalve niet degene voor wie de gemachtigde stelt op te treden- om een schriftelijke machtiging dient te vragen. Uit het dossier blijkt niet dat dit is gebeurd. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De beslissing van de kantonrechter, waarbij het beroep tegen die beslissing ongegrond is verklaard, kan daarom niet in stand blijven.
- Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, naar analogie van artikel 20d, tweede lid, WAHV, de zaak terugwijzen naar de rechtbank Noord-Holland ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
- Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het hoger beroep moet, gelet op de bij de kantonrechter overgelegde machtiging, worden aangemerkt als te zijn ingesteld namens de betrokkene. De betrokkene wordt in hoger beroep in het gelijk gesteld, zodat de gevraagde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover deze het hoger beroep regarderen, naar het oordeel van het hof voor vergoeding in aanmerking komen.
- De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een hoger beroepschrift en het indienen van een nadere toelichting op het beroep. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend en aan het indienen van een nadere toelichting een halve punt. De waarde per punt bedraag € 490,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 183,75 (= 1,5 x € 490,- x 0,25). Beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Holland ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene ter hoogte van € 183,75 over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [gemachtigde] te [kantoorplaats]. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.