GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.168.605/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/139343 HA ZA 13-57) arrest van 25 april 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. K.B. Spoelstra, kantoorhoudend te Groningen, tegen [geïntimeerde] , wonende te [A] , geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. M. Schlepers, kantoorhoudend te Groningen. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 27 november 2013, 30 juli 2014 en 21 januari 2015 die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 april 2015, - de incidentele vordering ex artikel 351 Rv en de memorie van grieven (met producties), - de incident antwoordconclusie - de memorie van antwoord, - het arrest in het incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad ex artikel 351 Rv van 10 november 2015, - het tussenarrest van 31 mei 2016,- het proces-verbaal van de meervoudige comparitie van partijen, gehouden op 14 februari 2017. 2.2 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op de op 5 april 2016 door [appellant] gefourneerde stukken. 2.3 [appellant] vordert in het hoger beroep: "te vernietigen de door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen op 27 november 2013, op 30 juli 2014 en op 21 januari 2015 onder kenmerk C/18/139343 / HA 2A 13-57 in eerste aanleg gewezen vonnissen, tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres, en opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de eis van [geïntimeerde] af te wijzen en [geïntimeerde] te veroordelen om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan [geïntimeerde] heeft voldaan, terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, de na-kosten daarbij begrepen; " 3De ontvankelijkheid van het hoger beroep 3.1 [geïntimeerde] heeft als meest verstrekkend verweer opgeworpen dat [appellant] in zijn appel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover dat is gericht tegen het vonnis van 27 november 2013. Zij heeft daartoe aangevoerd dat dit vonnis deels moet worden aangemerkt als een eindvonnis (deelvonnis), zodat [appellant] daarvan binnen drie maanden in beroep had dienen te komen. 3.2 Ingevolge artikel 337 Rv lid 2 kan een hoger beroep van een tussenvonnis slechts tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Bij de beoordeling of een vonnis als eindvonnis moet worden aangemerkt is het dictum bepalend. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank in het dictum van het vonnis van 27 november 2013 bepaald dat alle beslissingen worden aangehouden. Dit betekent dat sprake is van een tussenvonnis, waartegen slechts tegelijk met het beroep van het eindvonnis appel kan worden ingesteld. Van een uitzondering daarop is gesteld noch gebleken. Anders dan [geïntimeerde] ingang wil doen vinden is - gelet op het huidige procesrecht dat sinds 2002 van kracht is - niet bepalend dat het vonnis bindende eindbeslissingen bevat. Het arrest waarnaar [geïntimeerde] ter zitting heeft verwezen doet daaraan niet af. In die zaak was sprake van de situatie dat de kantonrechter een verzoek ex artikel 7:304 lid 2 BW heeft toegewezen, waarmee kennelijk een einde was gekomen aan de in dat artikel geregelde verzoekschriftprocedure. De vermelding dat iedere verdere beslissing werd aangehouden, berustte naar het oordeel van de Hoge Raad op een kennelijke vergissing, nu “niet valt in te zien welke beslissingen in het [B] van de procedure van art. 7:304 lid 2 BW nog aan de orde zouden kunnen komen”. Dit betekent dat aan dit arrest in de onderhavige zaak geen betekenis toekomt. Het verweer faalt. 4De vaststaande feiten 4.1 Het hof gaat uit van de volgende feiten die in eerste aanleg en hoger beroep als gesteld en niet betwist zijn komen vast te staan. 4.2 [appellant] en [geïntimeerde] waren jarenlang bevriend. In de periode 2009 tot en met 2012 was [geïntimeerde] werkzaam als paranormaal therapeute. 4.3 Op enig moment heeft [appellant] aan [geïntimeerde] verteld over een vriend, genaamd [B] , die een erfenis had verkregen bestaand uit een huis en een stuk grond in Irak. [appellant] heeft daarbij aan [geïntimeerde] aangegeven dat hij [B] financieel ondersteunde om de erfenis veilig te stellen en het huis en de grond te verkopen. [appellant] en [geïntimeerde] hebben daarover gecorrespondeerd. 4.4 Op 22 september 2009 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven:"(… ) [B] belde gisteravond, extra geld (zucht), ogen dicht en springen … Morgen moeten de documenten klaar liggen in Basra…. We gaan zien.” Op 30 oktober 2009 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] geschreven:“(…) Ik heb zoveel kleuren gezien bij [B] . Ook feestkleuren met veel perspectief. Ook bij jou. Prachtige bloemen schoten uit de grond. En aan alles zie ik dat jullie een enorme potentie hebben, ook als kameraden en compagnons.” Op 4 november 2009 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven: "(…) [B] en zijn advocaat zijn met veel ambtenaren steeds maar aan het overleggen. Veel gedoe en opnieuw veel (smeer)geld nodig. (….) Gelukkig was er ook hoop; volgens hem waren 10 ambtenaren in het dorp bereid hem nu te helpen. Ik moest nog 1 keer betalen en de rest zouden de mensen uit de verkoop van het huis krijgen (totaal E 30.000). De documenten moeten nu vrijdag a.s. gereed zijn. Ik denk nog steeds dat het lukt. Als er goed nieuws is bel ik je." [geïntimeerde] heeft daarop geantwoord, eveneens op 4 november 2009"(…) ik geloof ook dat het wel goed komt, omdat mensen tuk zijn op geld.(…)" Op 22 februari 2010 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven:"(…) Het kan heel lang (jaren) duren voordat alle documenten beschikbaar komen en ook het huis door de gemeente weer herbouwd is.Ik ben heel boos op [B] en zijn advocaat. Zij handelen onverantwoordelijk richting mij door te werken met valse documenten, hun toezeggingen dat de bankfinanciering geregeld was en de vele verzoeken om extra geld. Hiermee hebben ze mij op basis van verkeerde informatie steeds verder in de problemen gebracht en sta ik uiteindelijk met lege handen. (…)Volgens zijn advocaat is hij flink ziek, heeft geen geld en wordt binnenkort het ziekenhuis uitgezet. We zullen zien hoe [B] zich hieruit red. Ik heb genoeg aan mijn eigen (financiële) hachje. Op mij hoeft hij niet meer te rekenen.” [geïntimeerde] heeft in haar e-mail van 25 februari 2010 geschreven: “Ik heb geprobeerd je te bellen. [B] beseft heel goed wat hij heeft gedaan naar jou toe. Hij kon niet anders. Hij heeft alles gegeven. En achteraf kun je zeggen dat hij het niet op die manier had moeten doen. Het beeld van dit moment: hij zit op straat met een gele bloem in knop in zijn handen. In de toekomst gaat die bloem open. Die bloem is voor jou. Boos zijn helpt niet. Je hebt het laten gebeuren. Ik heb je beïnvloed. Ik zag prachtige bloemen. Ik zie ze nog. Het komt goed. Ga er niet op wachten.” Op 30 april 2010 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] geschreven:" [B] is nu enorm helderziend. Het is of hij helemaal “wakker” is geworden. Hij krijgt zijnerfenis niet in de schoot geworpen. Hij is werkelijk kapitaal aan het verdienen op die manier. En jij ook”. Op 11 augustus 2010 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven:"Om gek van te worden. Er moet opnieuw geld bij. De schuld van opa blijkt groter dan gedacht. (…)" [geïntimeerde] heeft op 12 augustus 2010 gereageerd:(…) Het is inderdaad om gek van te worden. Maar het komt goed. De schulden duren niet eeuwig. Dit is de laatste vereffening. Ik zie ook geen bommen of andere versperringen. Wat zullen jullie blij zijn binnenkort. Hou je nog EVEN taai. 4.5 [geïntimeerde] heeft in 2009 en/of 2010 geld geleend aan [appellant] . Op 2 oktober 2010 is door de ouders van [appellant] een bedrag van € 4.600,- aan [geïntimeerde] terugbetaald. 4.6 [appellant] heeft op 5 oktober 2010 vervolgens aan [geïntimeerde] geschreven: "(…) Neem nu echt afstand van [B] . Sporadischbelt ie dan druk ik weg. Op geld hoeft hij niet meer te rekenen (dat beseft hij ook wel). Ik denk dat hij het wel gaat redden met zijn enorme overlevingsdrang." 4.7 Op enig moment daarna is [geïntimeerde] aangevangen met het ter beschikking stellen van bedragen aan [appellant] ten behoeve van [B] . In het begin gaf zij het geld in contanten aan [appellant] , later heeft [appellant] met toestemming van [geïntimeerde] ook zelf met bankpassen van [geïntimeerde] geld van de rekeningen van [geïntimeerde] opgenomen. Deze gelden waren telkens bestemd voor [B] . 4.8 [geïntimeerde] heeft [B] vier maal in persoon ontmoet. Daarnaast heeft [geïntimeerde] meerdere malen meegeluisterd met telefoongesprekken tussen [appellant] en [B] . Tijdens deze ontmoetingen en telefoongesprekken is over de problemen van [B] gesproken. 4.9 [appellant] heeft aan [geïntimeerde] meerdere brieven/faxen doen toekomen die volgens [appellant] door [B] aan hem waren toegezonden of overhandigd en afkomstig waren van onder andere de advocaat, de arts en de aannemer van [B] . 4.10 Uit bankafschriften uit 2009, 2010 en 2012 blijkt dat [appellant] enige betalingen heeft verricht op de rekening met nummer [00000] ten name van [C] (soms onder vermelding van “(…) [B]” alsmede op rekeningnummer [00001] , rekeningnummer [00002] en girorekening [00003] alle ten name van [B] . 4.11 Ook na het ter beschikking stellen van het geld door [geïntimeerde] aan [appellant] hebben partijen uitgebreid per e-mail gecorrespondeerd. Zo heeft [geïntimeerde] op 1 mei 2011 onder meer aan [appellant] geschreven:“(…)En even contact zoeken met [B] . De beelden die ik krijg zijn zeker niet uitzichtloos. Integendeel.”[geïntimeerde] heeft op 4 mei 2011 aan [appellant] geschreven:“(…) Wat ik zie is dat hij toch weer geld krijgt, beetje bij beetje. (…)”Op 7 juli 2011 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven:"(…) er zijn problemen met het geld van [B] ’s vriend. Kom niet meer langs vanmiddag. (…)”[geïntimeerde] heeft op 7 juli 2011 aan [appellant] geantwoord:“We storten geld in een bodemloze put. Ik ben er klaar mee, wat dat betreft. Ik wil wel proberen een positieve invloed uit te blijven oefenen. Ik hoop op een wonder(…)"Op 5 september 2011 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] geschreven:“Wie weet [appellant] , krijg je binnenkort toch nog geld.Hulp via de politie zal misschien minder corrupt zijn.” (…) Op 17 september 2011 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven:“ [B] heeft de sleutels van het huis en heeft de eerste kijkers gehad. De man wilde het kopen maar de vrouw vond het te groot. Hij zit nu met zijn advocaat bij de makelaar in Bagdad voor nieuwe gegadigden. Het zal nu wel gaan lukken.” Op 28 november 2011 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven:“Alles is vandaag gelukt. Vanavond is het geld er. Morgen wordt getekend in Kirkuk en zijn we van de twee dames af. Vrijdag moet het land dan verkocht worden aan de broer uit Kirkuk.Tevens word ik, naast [B] , eigenaar van het land. Ik heb bedongen dat de advocaat mij nu eindelijk een fax stuurt met alle eigendomsdocumenten (waar ik ingeschreven sta) van zowel het land als het huis. Zal nu wel goed komen.” [geïntimeerde] heeft daarop op 28 november 2011 gereageerd als volgt:“Fijn dat er weer schot in zit. Fijn dat je nu ook mede grondeigenaar bent. Dat doet maar!Doe mij maar wat extra rente.” [appellant] heeft aan [geïntimeerde] op 17 februari 2012 geschreven:“ [B] belde net met slecht nieuws. De koper wil het huis graag hebben, maar moet eerst zijn eigen huis verkopen om geld vrij te kunnen maken. Het is dus gvd weer het oude liedje. Wel graag willen maar geen cash hebben. [B] bood aan om eerst met een voorschot genoegen te nemen maar dat kon niet (…) Verkoop van het huis lijkt dus voorlopig van de baan. (…)” [geïntimeerde] heeft daarop op 18 februari 2012 gereageerd: “Hoi [appellant] , alles gaat altijd fout. Naar Kirkuk kost weer heel veel geld en er zal onderweg weer iets gebeuren. [B] moet heel veel zelfrespect krijgen, dan komt er een koper uit Bagdad. Want ze zijn er.” Op 26 februari 2012 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven:“(…) [B] belde vanavond 2x. Hij had duidelijk veel pijn en kwam nauwelijks uit zijn woorden. In het 2e gesprek begon hij ook te huilen. Het gaat dus niet goed. (…)[B] vroeg uiteraard om hulp. Ik heb hem onze eigen moeilijke situatie geschetst en gezegd dat er geen geld is. [B] moet nu zichzelf redden. (…)” Op 3 maart 2012 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] geschreven:“Dus nu krijg je echt je documenten. En [B] kan het nu niet beter krijgen. Nou nog even de boel verkopen! Ik heb al te lang geleefd met de hand heel erg op de knip. Mijn kinderen begrijpen me inderdaad niet. Maar ze geloven me dat ik nu geen geld meer geef. Ze zijn gelukkig niet boos.” [appellant] heeft daarop gereageerd bij e-mail van 3 maart 2012:"(…) Hij zegt dat ie een advocaat nodig heeft om z’n huis snel te verkopen?? Hij heeft verschillende advocaten gebeld maar ze vragen allemaal vooraf (wat) geld. Ik heb gezegd dat ik nog maar E 400,- heb en dat het bij mij dus OVER EN UIT is!!!Hoop dat er nu eindelijk licht aan de tunnel komt." Op 4 maart 2012 heeft [geïntimeerde] geschreven:“ [appellant] het zijn schoften. Er is genoeg betaald. En waar zijn de documenten? Voor het geld dat ik erin heb gestopt, had ik een etage op mijn huis kunnen plaatsen +++.” 4.12 Op 6 maart 2012 heeft [geïntimeerde] bij de politie aangifte gedaan jegens [appellant] en [B] ( [B] ) ter zake van oplichting gepleegd in de periode van 1 januari 2011 tot 6 maart 2012. 4.13 Bij e-mail van 8 maart 2012 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] het volgende geschreven: "Inmiddels heb ik je € 85.000,00 voorgeschoten, in afwachting van het vrijvallen van een erfenis van [B] . Inclusief de afspraken tussen ons komt het totale bedrag wel op het dubbele uit, maar daar wil ik van afzien. Aangezien ik inmiddels niet meer geloof dat deze erfenis, zo er al sprake is van een erfenis, gezien de historie ooit nog vrijvalt, vorder ik het voorgeschoten bedrag ad € 85.000,00 voor 5 april terug. Indien het bedrag dan nog niet op mijn rekening staat, neem ik verdere stappen. Ik hoor wel van je, als het kan per omgaand". 4.14 [appellant] heeft daarop bij e-mailbericht van 8 maart 2012 uitvoerig gereageerd. 4.15 Bij mondelinge uitspraak van 16 december 2013 van de politierechter, rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, is [appellant] vrijgesproken van oplichting. [geïntimeerde] is in haar vordering als benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. 5Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 5.1 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg samengevat gevorderd [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde] een bedrag te betalen van € 85.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente en proceskosten. 5.2 De rechtbank heeft bij vonnis van 27 november 2013 overwogen dat tussen partijen de impliciete afspraak heeft bestaan dat [geïntimeerde] aan [appellant] geld zou geven dat bestemd was voor [B] en dat [appellant] dit van [geïntimeerde] verkregen geld aan [B] zou doorgeven. Naar het oordeel van de rechtbank rust, gelet op de gegeven omstandigheden en voormelde afspraak tussen [appellant] en [geïntimeerde] , op [appellant] de bewijslast van zijn stelling dat hij de van [geïntimeerde] ontvangen gelden ook daadwerkelijk aan [B] heeft gegeven. De rechtbank heeft geen grond aanwezig geacht om [appellant] nog toe te laten tot een nadere onderbouwing, toelichting of bewijslevering en heeft voormelde stelling van [appellant] gepasseerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellant] jegens [geïntimeerde] onrechtmatig gehandeld waardoor [appellant] gehouden is de door [geïntimeerde] als gevolg daarvan geleden schade aan haar te vergoeden. De rechtbank heeft de schade begroot op € 61.340,- en heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van dit bedrag vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. 6De beoordeling van de grieven en de vordering 6.1 [appellant] heeft vier grieven opgeworpen tegen de voornoemde vonnissen van de rechtbank. Grief I is - kort weergegeven - gericht tegen de bewijslastverdeling door de rechtbank. In grief II heeft [appellant] bestreden dat hij jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij gehouden is de door [geïntimeerde] als gevolg daarvan geleden schade te vergoeden. Daarbij is hij tevens opgekomen tegen het door de rechtbank aangenomen causale verband tussen het gestelde onrechtmatig handelen en de schade. Grief III is gericht tegen de overweging dat de schade € 61.340,- bedraagt en in de toelichting op grief IV heeft [appellant] aangevoerd dat de rechtbank na het overleggen van twee bankafschriften door [appellant] ten onrechte niet is teruggekomen op haar in rechtsoverweging 5.4 van haar tussenvonnis van 27 november 2013 genomen beslissing. In dat kader heeft [appellant] betoogd dat hij zijn stelling dat hij de gelden aan [B] heeft afgegeven voldoende heeft onderbouwd, alsmede dat er wel degelijk sprake is geweest van geldstromen richting [B] . Met deze grieven wordt het geschil in volle omvang ter beoordeling voorgelegd. Het hof ziet hierin aanleiding de grieven gezamenlijk te behandelen. 6.2 [geïntimeerde] heeft aan haar vordering primair ten grondslag gelegd dat [appellant] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door haar (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.