GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.194.453/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/413113 / KL ZA 16-106) arrest in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv van 23 mei 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. J.G. Geerdes, kantoorhoudend te Almere, tegen mr. [curator] q.q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Backstage Almere B.V., kantoorhoudende te Utrecht, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna: de curator, advocaat: mr. W.F. Wienen, kantoorhoudend te Almere. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 13 mei 2016 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 9 juni 2016; - de memorie van grieven, tevens houdende incidentele vordering tot schorsing van de executie d.d. 4 oktober 2016; - de antwoordconclusie in het incident d.d. 1 november 2016. 2.2 Op de roldatum van 15 november 2016 is de door [appellant] uitgebrachte akte houdende overlegging van stukken door de rolraadsheer geweigerd. 2.3 Backstage Almere B.V. is bij vonnis van 8 november 2016 in staat van faillissement verklaard, met de aanstelling tot curator van mr. [curator] , kantoorhoudende te Utrecht. 2.4 Vervolgens is het geding geschorst teneinde [appellant] de gelegenheid te geven de curator tot overneming van het geding op te roepen. 2.5 De curator heeft op de rol van 10 januari 2017 laten weten dat hij de zaak overneemt. 2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident overgelegd en heeft het hof arrest in het incident bepaald. 2.7 De incidentele vordering van [appellant] luidt:"De executie van het vonnis waarvan beroep op te heffen dan wel te schorsen tot de einduitspraak ter zake in kracht van gewijsde is gegaan." 3De motivering van de beslissing in het incident 3.1 Het gaat in deze zaak - voor zover relevant voor de beoordeling in het incident - in het kort over het volgende. 3.2 [appellant] is samen met de heer [X] aandeelhouder en statutair bestuurder geweest van Backstage Almere . Bij vaststellingsovereenkomst van 18 juni 2015 hebben [appellant] en [X] afspraken gemaakt over de overdracht door [appellant] aan [X] van zijn aandelen in Backstage Almere en over het eindigen van het statutair bestuurdersschap en overige betrokkenheid bij Backstage Almere van [appellant] . 3.3 Uit onderzoek van de belastingdienst in november 2015 is gebleken dat in de periode 2013 en 2014 te weinig omzet is aangegeven in de jaarrekening en de aangifte vennootschapsbelasting en dat de verschuldigde belasting niet juist is aangegeven. De belastingdienst heeft naheffingsaanslagen en een vergrijpboete opgelegd voor een totaalbedrag van € 33.125,-. 3.4 Backstage Almere heeft [appellant] daarop in kort geding gedagvaard, en (kort gezegd) gevorderd hem te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 34.225,-, te vermeerderen met rente en kosten. 3.5 De voorzieningenrechter heeft in het vonnis waarvan beroep [appellant] veroordeeld om aan Backstage Almere te betalen een bedrag van € 29.446,25, vermeerderd met rente. [appellant] is voorts veroordeeld in de proceskosten en de nakosten. 3.6 De vraag waar het in het incident om gaat, is of op de voet van art. 351 Rv voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van de in het vonnis waarvan beroep uitgesproken veroordeling. Het hof stelt daarbij voorop dat het bij een kort geding gaat om een naar zijn aard spoedeisende zaak waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist. De in het ongelijk gestelde partij kan op korte termijn een uitspraak van de appelinstantie verkrijgen door spoedappel in te stellen. Daarvoor is in dit geval niet gekozen, terwijl wel, nagenoeg zonder toelichting, het voorliggende incident is opgeworpen dat nu juist beoogt het onmiddellijke karakter voor de voorziening bij voorraad aan te tasten. Hoewel de wetgever dit incident in kort geding niet heeft uitgesloten en het incident in zeer spoedeisende zaken (bijvoorbeeld een ontruiming op korte termijn) ook een nuttige functie kan vervullen, brengt de aard van het kort geding wel mee dat van de eiser in het incident mag worden verlangd dat hij het instellen van de incidentele vordering afdoende toelicht. Immers, het opwerpen van het incident vertraagt de procedure aanzienlijk: in dit geval had zonder incident thans reeds bij arrest op de bezwaren tegen de beslissing van de voorzieningenrechter ten gronde kunnen worden beslist. Het hof verwijst ook naar het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:688) dat betrekking heeft op een bodemprocedure: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.