GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.200.869/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4228265 \ CV EXPL 15-6386) arrest van 13 juni 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. D.F.W. Schalkwijk, kantoorhoudend te Leeuwarden, tegen Shaw Almax Europe B.V., gevestigd te Drachten, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna: SAE, advocaat: mr. L.J.P. Duijs, kantoorhoudend te Utrecht. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 10 mei 2016 dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 [appellant] heeft bij exploot van 15 juli 2016 aangezegd van voornoemd vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van SAE tegen de zitting van 11 oktober 2016. 2.2 Ter rolle van 11 oktober 2016 is de zaak door [appellant] aangebracht. SAE is op de roldatum 8 november 2016 bij advocaat verschenen. 2.3 [appellant] stond op de rol van 22 november 2016 voor het nemen van de memorie van grieven. Op die datum is aan [appellant] uitstel verleend voor het nemen van de memorie van grieven tot 20 december 2016, ambtshalve peremptoir. 2.4 Ter rolle van 20 december 2016 is aan [appellant] opnieuw uitstel verleend voor het nemen van de memorie van grieven tot 17 januari 2017, ambtshalve peremptoir. 2.5 Ter rolle van 17 januari 2017 heeft [appellant] niet van grieven gediend en is ambtshalve akte van niet dienen verleend. SAE heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid ex artikel 2.14 van het Lpr om op de rol van 31 januari 2017 te verzoeken een memorie van eis in incidenteel appel te mogen nemen.De verwijzing is derhalve niet ongedaan gemaakt en de datum voor het arrest is bepaald. 3De beoordeling 3.1 In art. 133 lid 4 Rv is bepaald dat indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, het recht vervalt om de desbetreffende proceshandeling te verrichten. 3.2 Met ingang van 1 september 2016 zijn diverse bepalingen van het Lpr ingrijpend gewijzigd. Per 1 januari 2017 zijn een aantal onvolkomenheden hersteld. Op grond van art. 10.1 van het met ingang van 1 januari 2017 geldende Lpr (dat op dit punt niet verschilt van het reglement van 1 september 2016) zijn de bepalingen van het Lpr zowel van toepassing op zaken die vóór als op zaken die ná 1 januari 2017 voor het eerst zijn ingeschreven. In art. 1.7 Lpr is bepaald dat de termijnen ambtshalve worden nageleefd, tenzij uit dit reglement anders voortvloeit. Indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en van die termijn geen uitstel kan worden verkregen, vervalt het recht om de proceshandeling te verrichten. 3.3 Op 17 januari 2017 waren de gewone uitsteltermijnen voor het nemen van de memorie van grieven verstreken. Na het ongebruikt verstrijken van die termijnen is akte van niet dienen (AND) verleend aan SAE, conform het bepaalde in art. 2.13 Lpr in samenhang met art. 1.7 Lpr. Daarmee is het recht voor [appellant] om een memorie van grieven te nemen vervallen. 3.4 Nu [appellant] geen grieven heeft ontwikkeld tegen het vonnis waarvan beroep, en in aanmerking nemend dat het beroepen vonnis niet in strijd is met rechtsregels die van openbare orde zijn, zal het hoger beroep van [appellant] worden verworpen. 3.5 [appellant] moet in hoger beroep worden beschouwd als de in het ongelijk te stellen partij. Het hof zal [appellant] dan ook veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat: ½ punt in tarief II). 4De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: verwerpt het hoger beroep van [appellant] ; veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van SAE tot aan deze uitspraak op € 718,- aan verschotten en op € 447,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat. Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. O.E. Mulder en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2017.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.