Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005685-16 Uitspraak d.d.: 30 juni 2017 TEGENSPRAAK Promis Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 12 oktober 2016 met parketnummer 16-652077-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Indonesië) op [1951] , wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. M.J.N. Vermeij, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat: 1.zij op of omstreeks 11 oktober 2015 in de gemeente Utrecht, in het openbaar, mondeling, bij geschrift en/of bij afbeelding, heeft aangezet tot haat tegen en/of discriminatie van mensen, te weten moslims en/of gewelddadig optreden tegen mensen, te weten moslims, wegens hun ras en/of godsdienst en/of levensovertuiging door op een openbare (Pegida-)bijeenkomst een speech te houden en de schriftelijke uitwerking van deze speech op Facebook te plaatsen en daarin te zeggen en/of schrijven: "Een andere reden om Moslims te verachten en te haten is/ om hun krankzinnige ideologie, want het is nooit de/een religie van vrede"; 2.zij op of omstreeks 11 oktober 2015 in de gemeente Utrecht, zich in het openbaar mondeling, bij geschrift en/of afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Moslims, wegens hun ras en/of godsdienst en/of levensovertuiging, door op een openbare (Pegida-)bijeenkomst een speech te houden en de schriftelijke uitwerking van deze speech op Facebook te plaatsen en daarin te zeggen en/of schrijven: "Een andere reden om Moslims te verachten en te haten is/om hun krankzinnige ideologie, want het is nooit de/een religie van vrede". Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Partiële nietigheid van de dagvaarding De raadsman heeft gesteld, zakelijk weergegeven, dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard. Daartoe heeft hij aangevoerd dat in de tenlastelegging is opgenomen het aanzetten tot haat tegen moslims of het beledigen van moslims wegens hun ras hetgeen onmogelijk. Derhalve is sprake van een obscuur libel. Het hof verwerpt dit verweer. De zinsnede wegens hun ras is een onderdeel van de delictsomschrijving van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht dat in een op dat artikel gestoelde tenlastelegging pleegt te worden opgenomen. Of moslims al dan niet een ras vormen, is een bewijskwestie. De dagvaarding is in overeenstemming met de eisen gesteld in het eerste lid van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, zodat geen sprake is van (partiële) nietigheid van de dagvaarding De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. Daartoe heeft hij aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat er sprake is van détournement de pouvoir. De raadsman heeft gesteld dat er sprake is van een politieke vervolging. Dat daarvan sprake is, blijkt uit het feit dat ondanks de vrijspraak in het eerste Wildersproces een identieke uitspraak van verdachte in de onderhavige strafzaak als strafwaardig wordt aangemerkt en blijkt ook uit de vragen die de politie aan verdachte heeft gesteld. Een dergelijke vraagstelling is niet passend in een politieverhoor en op onderdelen in strijd met artikel 1 van de Grondwet. Gelet op de anti-grondwettelijke inslag van de vervolging moet het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard. Het hof verwerpt dit verweer. Het hof vermag niet in te zien dat er vanwege eerdergenoemde vrijspraak of de door de politie gestelde vragen aan verdachte sprake zou zijn van een politieke vervolging. De raadsman heeft het voorwaardelijk verzoek gedaan de verbalisanten die verdachte hebben verhoord als getuigen te horen. Het hof acht het horen van de verbalisanten niet noodzakelijk en het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van een vormverzuim, gelet op de wijze waarop het verhoor met verdachte bij de politie is gepland. Volgens de raadsman moet dat leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Hoewel de gang van zaken rondom het plannen van het verhoor van verdachte zeker niet de schoonheidsprijs verdient, is naar het oordeel van het hof geen sprake van een vormverzuim. Evenmin is aannemelijk geworden dat sprake is van een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort wordt gedaan aan haar recht op een eerlijk proces. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging. Vrijspraak ten aanzien van feit 1 Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. Op 11 oktober 2015 heeft verdachte in Utrecht tijdens een demonstratie van Pegida (Hof: Patriotische Europäer gegen Islamisierung des Abendlandes) een toespraak gehouden die zij zelf heeft geschreven en later op Facebook heeft geplaatst. In haar toespraak heeft verdachte verklaard dat moslims in onder meer Europa “hun systeem door middel van de Sharia” willen opdringen. Vervolgens heeft zij gewezen op de ernstige, negatieve gevolgen daarvan voor (de positie van) vrouwen en jonge meisjes. Als conclusie van dit deel van haar toespraak volgt dan de zin: ”Een andere reden om moslims te verachten en te haten om hun krankzinnige ideologie, want het is nooit een religie van vrede.” Deze zin is in de tenlastelegging opgenomen. De vraag is of verdachte met het uitspreken van die zin haat heeft gezaaid, heeft aangezet tot haat tegen moslims. In de memorie van toelichting zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State (TK 2014-2015, 34 051, nr. 5, p. 2) heeft de minister erop gewezen dat artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht dateert uit 1971 en in de volksmond vaak als “haatzaaien” wordt aangeduid om vervolgens – klaarblijkelijk met instemming – het volgende citaat te gebruiken: “Haatzaaien” is door de wetgever in deze bepaling bedoeld als het (opzettelijk) agiteren, als het opruien door openlijk uiting te geven aan vijandschap of grove minachting.” Om tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde te komen, vindt het hof de tenlastegelegde zin onvoldoende. Het gaat om een conclusie die verdachte uit haar betoog meent te kunnen trekken, zonder gebruik van bijzonder krachtige termen of herhalingen, zonder verzoek, opdracht of oproep haar in die conclusie te volgen. De context van zowel de gehele toespraak en van de gelegenheid, de eerste demonstratie van de Nederlandse afdeling van Pegida, waarin deze is uitgesproken, maakt dit niet anders. Derhalve dient verdachte van het onder 1 tenlastegelegde te worden vrijgesproken. Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van feit 2 De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken dient te worden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de tenlastegelegde uitlating bezien in het geheel van de toespraak niet als beledigend voor moslims wegens hun godsdienst valt te kwalificeren. Indien het hof van oordeel is dat de tenlastegelegde uitlating groepsbeledigend is stelt de raadsman dat de context waarin deze uitlating is gedaan dat beledigende karakter geheel en al wegneemt. Tot slot heeft de raadsman ook nog gesteld dat de tenlastegelegde uitlating niet onnodig grievend is. Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. De vraag of sprake is van strafbare belediging van een groep mensen als omschreven in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht dient te worden beantwoord aan de hand van de volgende in de jurisprudentie ontwikkelde criteria.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.