Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004228-16 Uitspraak d.d.: 6 juli 2017 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden‑Nederland van 25 juli 2016 met parketnummer 16-659481-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1989] , thans verblijvende in [detentieadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 juni 2017 en – overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering – het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat‑generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder 1, 3 en 4 en heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. De verdachte dient ter zake van het tenlastegelegde onder 2 niet‑ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep, nu hij van dat feit in eerste aanleg is vrijgesproken en het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal gevorderd te beslissen conform de beslissing in eerste aanleg. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. N. van Schaik, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis van 25 juli 2016 – waartegen het hoger beroep is gericht – de verdachte ter zake van het tenlastegelegde onder 1, 3 en 4 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. De verdachte is ter zake van het tenlastegelegde onder 2 vrijgesproken. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 5.125,42 met inbegrip van wettelijke rente vanaf 8 april 2016 en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het in eerste aanleg onder 2 tenlastegelegde feit, kan de verdachte hierin niet worden ontvangen. Hoger beroep ingesteld door de verdachte tegen een gegeven vrijspraak is niet mogelijk. De verdachte zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve voor zover het de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij betreft. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Het hof zal het vonnis waarvan beroep voorts aanvullen voor zover het de door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweren betreft die in eerste aanleg niet aan de orde zijn geweest. Het vonnis wordt met aanvulling van die gronden bevestigd. De strafbaarheid van het feit Kwalificatieverweer De raadsman heeft zich – met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1113) – op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde onder 4 en het bewezenverklaarde onder 3 moeten worden gezien als één voortgezette handeling, hetgeen verdisconteerd dient te worden in de aan de verdachte op te leggen straf. Volgens de raadsman is sprake van één, initieel, wilsbesluit, zodat de bewezenverklaarde feiten onder 3 en 4 op zodanige wijze samenhangen dat de verdachte feitelijk maar één verwijt kan worden gemaakt, gelet ook op (de tekst van) de tenlastelegging. Verwerping van het kwalificatieverweer Het hof verwerpt het verweer van de raadsman dat de bewezenverklaarde feiten 3 – waarbij onder meer een bankpas is weggenomen – en 4 – diefstal van geld door middel van diezelfde bankpas – moeten worden gezien als één voortgezette handeling. Voor het aannemen van een voortgezette handeling komt het er op neer dat de bewezenverklaarde elkaar in tijd opvolgende gedragingen, ook met betrekking tot het wilsbesluit zo nauw met elkaar samenhangen dat daarvan in wezen een verwijt kan worden gemaakt. Naar het oordeel van het hof kan op basis van de bewezenverklaarde gang van zaken, verdachte heeft aangegeven dat er een tip was dat er een kluis met geld zou zijn, uiteindelijk worden bij de diefstal meerdere goederen waaronder een bankpas weggenomen waarna wordt besloten te proberen geld te pinnen niet worden staande gehouden dat aan beide feiten slechts één ongeoorloofd wilsbesluit ten grondslag lag. Gelet daarop en in aanmerking genomen de mate waarin de strekkingen van artikel 311 en artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht uiteenlopen en het gegeven dat bij de woningoverval meer goederen dan alleen een bankpas zijn weggenomen, kunnen beide feiten naar het oordeel van het hof niet als één voortgezette handeling worden beschouwd Oplegging van straf en/of maatregel Strafmaatverweer De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte mede gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting – voor (een poging tot) een woningoverval met licht geweld dan wel bedreiging met geweld – een kortere gevangenisstraf dient te worden opgelegd dan de gevangenisstraf van zeven jaren die door de rechtbank is opgelegd. Voorts dient naar het inzicht van de raadsman in het voordeel van de verdachte te worden meegewogen dat hij een bekennende verklaring heeft afgelegd, hij zijn verantwoordelijkheid heeft genomen (hetgeen onder meer volgt uit het slachtoffer‑dadergesprek dat hij op eigen initiatief is aangegaan), hij spijt heeft betuigd en hij geen relevante justitiële documentatie heeft. De raadsman heeft aangevoerd dat een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, passend is. Op die manier blijft de verdachte gemotiveerd, wordt de resocialisatie zo snel mogelijk in gang gezet en kan de reclassering met de verdachte aan de slag gaan. Oordeel van het hof De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof neemt de hierna te noemen deel van de overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de hare. De rechtbank heeft het volgende overwogen. ‘De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot een woningoverval en een voltooide woningoverval. Beide aangeefsters zijn bedreigd met een wapen, waarna ze zijn vastgebonden en vervolgens gedwongen werden om op de grond te gaan liggen. Bij één van de aangeefsters werden vervolgens de rolluiken van de woning dichtgedaan. Aangeefster wisten toen zij bedreigd werden niet dat het wapen geen echt vuurwapen was en hebben doodsangsten uitgestaan. De verdachte en zijn mededader hebben de overval in Soest goed voorbereid, hetgeen blijkt uit de voorverkenning, het feit dat één van hen zich voordeed als pakjesbezorger en dat zij hun gezichten (deels) hadden bedekt. Dat de woningoverval in Soest bij een poging is gebleven is niet aan de verdachte en zijn mededader te danken, maar aan de omstandigheid dat aangeefster de straat op is gevlucht, waarna zij door één van de verdachten hardhandig tegen de grond is gewerkt. Zij heeft hieraan letsel aan haar gezicht, een gebroken brug in de mond en gekneusde ribben overhouden. Hoewel het hier juridisch gezien om een poging tot gewapende woningoverval gaat, is de fysieke en emotionele impact van dit feit voor aangeefster en haar omgeving niet minder dan wanneer het feit wel voltooid was geweest. Ook de impact van de overval voor de aangeefster woonachtig in Bosch en Duin is aanzienlijk geweest. Met name omdat zij geruime tijd in haar woning samen is geweest met de verdachte die haar onder bedreiging de codes van haar bankpassen afhandig maakte. Beide aangeefsters, respectievelijk 55 en 75 jaar oud, woonden alleen en waren daardoor kwetsbaar. Zij hebben gedurende lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid gekend De verdachte en zijn mededader hebben zich op geen enkele wijze rekenschap gegeven van de gevolgen van hun handelen en hebben puur voor eigen financieel gewin en zonder enig respect voor de woning en de lichamelijke integriteit van aangeefsters gehandeld. Voorts dragen de gepleegde feiten ook in bredere zin bij aan de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Het voorafgaande rekent de rechtbank de verdachte zeer zwaar aan.’ Het hof overweegt daartoe aanvullend als volgt. In het voordeel van de verdachte weegt mee dat hij blijkens zijn uittreksel justitiële documentatie d.d. 24 mei 2017 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Voorts weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij op enig moment bij de politie openheid van zaken heeft gegeven en hij zijn verantwoordelijkheid heeft genomen, mede door op eigen initiatief een slachtoffer-dadersgesprek aan te gaan met één van de aangeefsters. Ook binnen de detentieomgeving waarin de verdachte tot op heden verblijft, tracht hij er alles aan te doen om zijn leven weer zo goed mogelijk op de rails te krijgen. De verdachte is in detentie aan de slag gegaan door zijn studie op te pakken en deel te nemen aan gesprekken met (geestelijk) begeleiders. Het overgrote deel van deze positieve ontwikkelingen heeft zich voorgedaan nadat de verdachte door de rechtbank is veroordeeld. De wijze waarop de verdachte zich ter zitting heeft getoond en de wijze waarop hij zijn verantwoordelijkheid heeft genomen geven er blijk van dat hij inzicht heeft in het foute van zijn handelen en koste wat kost herhaling wil voorkomen. Het hof heeft bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf naast bovenstaande de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd in aanmerking genomen. Gelet op de grove wijze waarop de verdachte in een relatief korte tijdspanne de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd, kan met geen andere straf worden volstaat dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Anders dan de raadsman acht het hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, die niet meer dan vier jaren zou kunnen bedragen, gezien de ernst van de feiten niet passend. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder bovenstaande in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de duur van zes jaren leiden. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt – exclusief € 25,20 welk bedrag, blijkens het voegingsformulier, is gevorderd als vergoeding voor proceskosten – € 5.100,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.