Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004009-16 Uitspraak d.d.: 5 juli 2017 Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 4 juli 2016 met parketnummer 05-860668-14 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1966] , wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Ontvankelijkheid van het hoger beroep De gewezen raadsman van verdachte, mr. M.P.T. Peters, heeft het hof bij e-mailbericht van 13 maart 2017 meegedeeld dat hij verdachte niet langer zal bijstaan. Op 10 maart 2017 had hij verdachte daarvan in kennis gesteld. De dagvaarding in hoger beroep is op 3 mei 2017 in persoon aan verdachte betekend. Het hof heeft bij aangetekende brief van 22 mei 2017 aan verdachte verzocht het hof de gegevens te verstrekken van zijn nieuwe raadsman. Op deze brief is geen reactie ontvangen. Op 14 juni 2017 heeft het hof telefonisch contact met verdachte opgenomen om te informeren naar de stand van zaken. Op 15 juni 2017 heeft verdachte per e-mailbericht verzocht de zaak aan te houden omdat hij te weinig tijd zou hebben om een nieuwe raadsman te vinden. De voorzitter heeft het verzoek tot aanhouding, gehoord de advocaat-generaal, op 16 juni 2017 afgewezen, nu verdachte ruim voldoende tijd heeft gehad om een nieuwe raadsman te vinden. Verdachte was immers al sinds 10 maart 2017 op de hoogte van het feit dat mr. Peters hem niet langer zou bijstaan. Verdachte is er voorts op gewezen dat hij ter zitting de gelegenheid heeft zijn verzoek tot aanhouding te herhalen. Het hof heeft op 19 juni 2017 een e-mailbericht ontvangen van verdachte met de volgende inhoud: "Nu er geen aanhouding van het hoger beroep is toegekend en ik op korte termijn geen advocaat kan vinden die mij verder wil en kan bijstaan heb ik besloten om het hoger beroep in te trekken. Ik zal dus woensdag dan ook niet aanwezig zijn en zal mijn opgelegde straf dan ook uitzitten en nederig aanvaarden. Ik hoop dat er nog even de tijd is voordat ik mij moet melden omdat ik nog een zoontje thuis heb die ik moet onderbrengen alsmede mijn werk en woning" De griffier van het hof heeft vervolgens per e-mailbericht van 19 juni 2017 bij de strafgriffie van de rechtbank geïnformeerd hoe de intrekking, gezien de verwachting dat een groot aantal slachtoffers ter zitting zou willen verschijnen, op korte termijn formeel kon worden vastgelegd. Daarop ontving het hof op 20 juni 2017 de "akte rechtsmiddel" d.d. 19 juni 2017 van de rechtbank Zutphen met daaraan gehecht het eerder genoemde e-mailbericht van verdachte van 19 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.