GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer 200.214.631 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 05/316447/FT RK 17/406) arrest van 20 juli 2017 inzake Michelle [appellante] , wonende te [plaatsnaam] , appellante, verder te noemen [appellante] , advocaat: mr. S. Kroesbergen. 1Het geding in eerste aanleg Bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 20 april 2017 is het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar voornoemd vonnis. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij ter griffie van het hof op 21 april 2017 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te wijzen. 2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlage alsmede van de brief van mr. Kroesbergen van 3 mei 2017 met producties 2 tot en met 5, de brief van mr. Kroesbergen van 30 mei 2017 met producties 6 tot en met 8 en de brief van mr. Kroesbergen van 12 juli 2017 met bijlagen. 2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 juli 2017, waarbij [appellante] is verschenen in persoon, bijgestaan door haar advocaat. Ook verschenen is [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener. 3De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is het volgende gebleken. [appellante] , geboren op 20 december 1989, is een 27 jarige alleenstaande vrouw. Haar totale schuldenlast bedraagt € 29.589,89 en bestaat uit onder meer een schuld van: € 1.557,43 € 1.557,43 aan de gemeente [plaatsnaam] ten aanzien van onterecht ontvangen uitkering in het kader van de Participatiewet; € 1.557,43 € 5.820,62 aan het UWV Arnhem ten aanzien van onterecht ontvangen uitkering; € 1.557,43 € 318,- aan de Belastingdienst ten aanzien van motorrijtuigenbelasting en inkomensheffing; € 1.557,43 € 2.310,22 aan de gemeente Nijmegen ten aanzien van onterecht ontvangen uitkering in het kader van de Participatiewet/Wet investeren in Jongeren. 3.2 De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat [appellante] ten aanzien van de schulden aan het UWV en de gemeente [plaatsnaam] niet te goeder trouw moet worden geacht. Dat [appellante] in de veronderstelling verkeerde dat zij geen informatie over haar werkzaamheden hoefde te verschaffen, komt voor haar eigen rekening en risico. Bovendien heeft het UWV naast de terugvordering tevens een boete opgelegd, hetgeen slechts gebeurt in gevallen van verwijtbaarheid. De rechtbank acht het verder van belang dat uit de stukken blijkt dat [appellante] al in 2011 geconfronteerd is met terugvorderingen van een gemeente wegens het niet melden van werkzaamheden en dat zij dus kennelijk niet van haar fouten geleerd heeft. De rechtbank stelt vast dat een deel van de schulden is ontstaan als gevolg van overbesteding. [appellante] heeft aangevoerd dat deze aankopen noodzakelijk waren omdat zij geen kleding en meubels meer had toen zij het Blijf van mijn Lijf-huis verliet. De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk nu [appellante] eerder heeft verklaard dat zij in 2010 vier maanden in het Blijf van mijn Lijf-huis verbleef en de postorderschulden pas zijn ontstaan in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.