← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2017:6572

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002288-15 Uitspraak d.d.: 14 juli 2017 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 1 april 2015 met parketnummer 96-030464-12 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1963] , wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 juli 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. I. Petkovski, naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Ingevolge artikel 410, eerste lid, dient de officier van justitie binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in te dienen op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. Indien deze schriftuur niet of te laat wordt ingediend kan het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. In onderhavige zaak bevindt zich geen schriftuur van de officier van justitie in het dossier van het hof. De advocaat-generaal is in het bezit van een schriftuur. Deze schriftuur is echter niet voorzien van een handtekening van de officier van justitie en ook niet van een stempel datum binnenkomst van de griffie van de rechtbank Overijssel. Van een tijdig ingediende appelschriftuur zoals bedoeld in artikel 410, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is dan ook geen sprake. Een fout of verzuim van de rechtbank Overijssel dienaangaande is gesteld noch gebleken. De politierechter heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, namelijk het verbod op willekeur, omdat gelet op alle omstandigheden van het geval de vervolgingsbeslissing niet kon worden beschouwd als een product van een redelijke en billijke belangenafweging. In zijn oordeel heeft de politierechter meegenomen dat het openbaar ministerie ruim drie jaar heeft gewacht met het uitbrengen van een dagvaarding tegen verdachte alsmede dat er op dat moment door het openbaar ministerie zogenaamde themazittingen werden georganiseerd bij de rechtbanken Gelderland en Overijssel, waarbij het openbaar ministerie gerekwireerd heeft tot zijn eigen niet-ontvankelijkheid vanwege de ouderdom van de zaken. Het hof acht geen termen aanwezig de zaak (ondanks het ontbreken van een appelschriftuur in het dossier) toch inhoudelijk te behandelen. Het hof zal daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep. BESLISSING Het hof: Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Aldus gewezen door mr. H. Abbink, voorzitter, mr. J.D. den Hartog en mr. W.A. Holland, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.G. Bresser, griffier, en op 14 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken. De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden. De samenstelling van het gerechtshof is als bovenvermeld. mr. C.L. van Kooten, advocaat-generaal, mr. J.G. Bresser, griffier. De voorzitter doet de zaak uitroepen. De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig. De voorzitter spreekt het arrest uit. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.