GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Belastingkamer locatie Arnhem nummer 16/01150 uitspraakdatum: 15 augustus 2017 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de gemeente [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 augustus 2016, nummer ARN 15/4218, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak januari 2014 bij beschikking een teruggaaf omzetbelasting verleend van € 135.244. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. 2Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende, een gemeente, exploiteert in het onderhavige tijdvak onder meer vier Parkeer- & Reis-locaties (transferia), te weten: [A] , [B] , [C] en [D] . Bezoekers van deze transferia krijgen bij het inrijden ervan een inrijkaart, die zij desgewenst binnen een uur na ontvangst kunnen inwisselen voor een combikaart. Het parkeertarief bij de transferia bedraagt € 4,50. Het tarief van de combikaart bedraagt in 2014 € 5. 2.2. Met een combikaart kunnen maximaal vijf personen de gehele dag gebruik maken van het openbaar vervoer binnen de gemeente [X] en van de sneltram naar [E] en [F] . De combikaart doet tevens dienst als uitrijkaart voor het transferium. 2.3. De parkeergelegenheid in de transferia is bewaakt. De bezoeker die een combikaart koopt, kan zijn auto de gehele dag van aankoop laten staan. 2.4. Het openbaar vervoer werd tot december 2013 verzorgd door [G] . Per combikaart bracht [G] een bedrag van € 3,29 in rekening aan belanghebbende. Vanaf december 2013 wordt het vervoer verzorgd door [H] . Met [H] is een tarief afgesproken dat afhangt van het aantal verkochte combikaarten in een jaar. Vanaf [C] wordt een deel van het openbaar vervoer verzorgd door [G] . 2.5. Bij de transferia kan geen los kaartje worden gekocht voor het openbaar vervoer. Wel kan er rechtstreeks aan de vervoerder worden betaald. 2.6. Uit onderzoek is gebleken dat in 2013 50% van de bezoekers van transferium [A] de inrijkaart heeft ingewisseld voor een combikaart. 2.7. Bij brief van 13 juli 2009 heeft de Inspecteur met betrekking tot het transferium [A] aan belanghebbende meegedeeld dat zij volgens hem met het verstrekken van combikaarten één samengestelde prestatie verricht met als hoofdprestatie het aanbieden van vervoer. Het gelegenheid geven tot parkeren zou volgens de Inspecteur een bijkomende prestatie zijn, zodat op de gehele prestatie het verlaagde tarief van toepassing zou zijn. 2.8. Naar aanleiding van de beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 januari 2012, C-117/11 (Purple Parking), ECLI:EU:C:2012:29, is de Inspecteur teruggekomen van zijn onder 2.7 weergegeven standpunt. Bij brief van 19 april 2013 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij zich op het standpunt stelt dat sprake is van één samengestelde prestatie waarbij het gelegenheid geven tot parkeren de hoofdprestatie is en het aanbieden van vervoer de bijkomende prestatie. Met ingang van 1 januari 2014 was belanghebbende volgens de Inspecteur gehouden over de verkoop van de combikaarten omzetbelasting te voldoen naar het algemene tarief. 2.9. Belanghebbende heeft over het tijdvak januari 2014 naar het algemene tarief op aangifte omzetbelasting voldaan over de opbrengsten uit de combikaarten. 2.10. Bij de onderhavige teruggaafbeschikking is een teruggaaf van omzetbelasting verleend van € 135.244. In bezwaar heeft belanghebbende om een aanvullende teruggaaf van € 7.147 verzocht. 3Geschil 3.1. Primair is in geschil of de in 2.7 bedoelde afspraak tussen partijen rechtsgeldig is opgezegd. Subsidiair is in geschil of sprake is van één of van twee prestaties. 4Beoordeling van het geschil Opzegging afspraak 4.1. Een fiscale vaststellingsovereenkomst voor onbepaalde duur (zonder tijdsbepaling) kan door de betrokken partijen rechtsgeldig worden opgezegd. Dit geldt des te meer voor een op verzoek van belanghebbende door de Inspecteur ingenomen standpunt, zoals in de onderhavige situatie het geval is. De mogelijkheid tot en het tijdstip van eventuele opzegging worden alsdan beheerst door de redelijkheid en de billijkheid en, indien de overheid partij is, mede door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alsmede - uiteraard - door de strekking van de overeengekomen vaststelling en de omstandigheden van het geval. Een duurtoezegging zonder tijdbepaling door de Belastingdienst kan worden opgezegd mits rekening wordt gehouden met de redelijke belangen van de belanghebbende. Dit kan een overgangstermijn impliceren om de belanghebbende, indien redelijkerwijs nodig, tijd en gelegenheid te geven om administratie, bedrijfsvoering, contracten met derden, etc., in te stellen op de nieuwe situatie. 4.2. Het Hof stelt voorop dat de Inspecteur niet voor onbepaalde tijd gebonden is aan een afspraak die door een wijziging van inzicht in zijn ogen niet langer kan worden nagekomen. De onder 2.8 genoemde beschikking Purple Parking werpt op zich voldoende twijfel op met betrekking tot de juistheid van het eerder door de Inspecteur ingenomen standpunt als geheel. Ter zitting van het Hof is voorts toegelicht dat de wijziging van het standpunt mede verband hield met de evaluatie van de afspraken die de Belastingdienst had gemaakt met andere gemeenten over de omzetbelastinggevolgen van hun transferia. Al met al was er naar het oordeel van het Hof voldoende aanleiding voor de Inspecteur om de afspraak op te zeggen. Dat de Inspecteur geen volledige openheid van zaken zou hebben gegeven over zijn motivering, zoals belanghebbende stelt, is niet gebleken. Niet is gesteld of gebleken dat de Inspecteur hierbij in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 4.3. De door belanghebbende betrokken stelling dat de overgangstermijn te kort is geweest, volgt het Hof evenmin. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof onweersproken gesteld dat de datum van opzegging op verzoek van belanghebbende is verschoven naar 1 januari 2014. Een overgangstermijn van ruim acht maanden komt het Hof onder de gegeven omstandigheden redelijk voor. Belanghebbende heeft wel gesteld maar niet voldoende concreet onderbouwd waarom zij meer tijd nodig had om zich in te stellen op de nieuwe situatie. In dit verband wijst het Hof er op dat belanghebbende per 1 januari 2014 voor het grootste deel van het openbaar vervoer een nieuwe contractspartner had gevonden en dat 1 januari een logische datum is voor een tariefsaanpassing. Het Hof vermag niet in te zien waarom belanghebbende de wijziging van het omzetbelastingtarief hierin niet mee kon nemen. Is sprake van één dienst of van twee diensten? 4.4. Elke handeling moet normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig worden beschouwd. De handeling die economisch gezien uit één prestatie bestaat, mag niet kunstmatig uit elkaar worden gehaald. Er is sprake van één prestatie wanneer twee of meer aspecten of handelingen die de belastingplichtige verricht voor de klant, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één, niet te splitsen economische prestatie vormen, waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen. Tevens is er sprake van één enkele handeling wanneer een of meer aspecten moeten worden geacht de hoofddienst te vormen, terwijl andere aspecten moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende diensten die het fiscale lot van de hoofddienst delen. Een prestatie moet in het bijzonder als bijkomend bij een hoofdprestatie worden beschouwd, wanneer zij voor de klant geen doel op zich is, maar een middel om de hoofddienst van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 maart 2011, gevoegde zaken C-497/09, C-499/09, C-501/09 en C-502/09, Bog e.a., ECLI:EU:C:2011:135). 4.5. De bezoeker van de binnenstad van [Z] die over een eigen voertuig beschikt, volgens partijen de gemiddelde consument, dient bij het maken van zijn keuze voor de combikaart dan wel het eigen vervoer rekening te houden met twee elementen: het parkeren van het voertuig en het vervoer binnen [Z] . Dit in aanmerking genomen, is het Hof van oordeel dat belanghebbende twee afzonderlijke prestaties verricht, te weten: het bieden van parkeergelegenheid en het bieden van openbaar vervoer binnen de stad [Z] . De prestaties zijn naar hun aard te onderscheiden, aangezien de ene prestatie is aan te merken als het gelegenheid geven tot parkeren van een voertuig in een bewaakte ruimte en de andere prestatie als het onbeperkt gebruik laten maken van het openbaar vervoer door maximaal vijf personen, beide tijdens de dag van aankoop van de combikaart. Deze twee diensten vormen samen het alternatief voor het vervoer met het eigen voertuig naar de plaats(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.