Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000303-17 Uitspraak d.d.: 24 augustus 2017 TEGENSPRAAK Promis Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 januari 2017 met parketnummer 18-730393-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een deelnameverplichting aan de gedragsinterventie ‘cognitieve vaardigheden’. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de oplegging van een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 jaar gevorderd. Deze op schrift gestelde vordering van de advocaat-generaal is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. T. van der Goot, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Verdachte is bij vonnis van 5 januari 2017 door de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld ter zake van de onder 1 primair tenlastegelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Door de rechtbank is in de onderhavige zaak bewezenverklaard dat verdachte op 13 april 2016 zeer onvoorzichtig heeft gereden, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen en [slachtoffer 4] zodanig letsel heeft bekomen dat hij tijdelijk verhinderd is geweest in de normale uitoefening van zijn bezigheden. De rechtbank heeft verdachte hiervoor een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van één jaar, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht en deelname aan een gedragsinterventie. Daarnaast is door de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van drie jaren opgelegd. Het hof zal dit vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof op meerdere onderdelen – de tekst van de bewezenverklaring, de kwalificatie en de opgelegde straf – tot een andersluidende beslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat: primair:hij op of omstreeks 13 april 2016 te of bij [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, merk Peugeot, type 206, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, komende uit de richting [plaats 2] en gaande in de richting van [plaats 1] , alwaar ter plaatse een maximumsnelheid geldt van 80 km/u, terwijl hij in genoemde personenauto vier passagiers vervoerde en in die auto slechts drie veiligheidsgordels voor passagiers waren aangebracht, en/of terwijl hij wist dat kort daarvoor nog neerslag was gevallen en het wegdek ter plaatse nog nat was, en/of terwijl hij wist dat zijn auto in bochten snel uitbreekt (waarbij de voorkant of de achterkant van de auto wegglijdt), althans dat zijn auto meer uitbreekt wanneer er meer personen in zijn auto zitten, te rijden met een snelheid van ongeveer 98 km/u of meer, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan gezien de situatie ter plaatse en de (weers)omstandigheden was toegestaan en/of verantwoord was, en/of nadat hij op hetzelfde weggedeelte op een bepaald moment had gemerkt dat de achterwielen van die personenauto uitbraken en/of dreigden uit te breken, (vervolgens) met onverminderde snelheid is doorgereden, althans zijn weggedrag niet zodanig heeft aangepast als gezien de situatie ter plaatse noodzakelijk was, en/of waardoor (vervolgens), toen de weg ter plaatse een bocht naar links maakte, verdachte de controle over de personenauto is verloren en/of de achterzijde van de personenauto naar rechts is uitgebroken en/of in een drift naar de in verdachtes rijrichting gezien linkerzijde van de weg terecht is gekomen, en/of (vervolgens) tegen een boom is gebotst en in de naastgelegen sloot terecht is gekomen, - waardoor [slachtoffer 1] werd gedood, en/of - waardoor [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenbeen, een gebroken neus en een scheurtje in de schedel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, en/of - waardoor [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstig traumatisch hersenletsel en/of ernstig inwendig buik- en borstletsel en/of diverse fracturen over het hele lichaam, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, en/of - waardoor [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel, te weten een vinger uit de kom en/of meerdere wonden en/of een gescheurde milt en/of een longkneuzing, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair: hij op of omstreeks 13 april 2016 te of bij [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Peugeot, type 206, kenteken [kenteken] ) , daarmee rijdende op de weg, [adres] , komende uit de richting [plaats 2] en gaande in de richting van [plaats 1] , alwaar ter plaatse een maximumsnelheid geldt van 80 km/u, terwijl hij in genoemde personenauto vier passagiers vervoerde en in die auto slechts drie veiligheidsgordels voor passagiers waren aangebracht, en/of terwijl hij wist dat kort daarvoor nog neerslag was gevallen en het wegdek ter plaatse nog nat was, en/of terwijl hij wist dat zijn auto in bochten snel uitbreekt (waarbij de voorkant of de achterkant van de auto wegglijdt), althans dat zijn auto meer uitbreekt wanneer er meer personen in zijn auto zitten, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 98 km/u of meer, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan gezien de situatie ter plaatse en de (weers)omstandigheden was toegestaan en/of verantwoord was, en/of nadat hij op hetzelfde weggedeelte op een bepaald moment had gemerkt dat de achterwielen van die personenauto naar uitbraken en/of dreigden uit te breken, (vervolgens) met onverminderde snelheid is doorgereden, althans zijn weggedrag niet zodanig heeft aangepast als gezien de situatie ter plaatse noodzakelijk was, en/of waardoor (vervolgens), toen de weg ter plaatse een bocht naar links maakte, verdachte de controle over de personenauto is verloren en/of de achterzijde van de personenauto naar rechts is uitgebroken en/of in een drift naar de in verdachtes rijrichting gezien linkerzijde van de weg terecht is gekomen, en/of (vervolgens) tegen een boom is gebotst en in de naastgelegen sloot terecht is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Standpunten Openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat op grond van het dossier wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel hebben bekomen. Verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep zijn in eerste aanleg gevoerde verweren grotendeels herhaald. Door de verdediging is opnieuw bepleit dat – gelet op de aard en ernst van de zaak – door verdachte geen afstand van consultatiebijstand had kunnen worden gedaan, zodat de bij de politie afgelegde verklaring van verdachte, die zonder consultatiebijstand tot stand is gekomen, niet voor het bewijs gebezigd kan worden. Met betrekking tot het tenlastegelegde feit heeft de raadsman betoogd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel, dan wel lichamelijk letsel waaruit een tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, hebben bekomen, nu het dossier op dit punt onvoldoende informatie bevat. Tot slot heeft de raadsman bepleit dat alleen de minst zware vorm van schuld, namelijk aanmerkelijk onvoorzichtig, bewezenverklaard kan worden, nu verdachte in de kern alleen verweten kan worden dat hij sneller reed dan ter plaatse verantwoord was. Voor de overige tenlastegelegde onderdelen die een zwaardere vorm van schuld zouden moeten dragen, is – om verschillende redenen – onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, aldus de raadsman. Overwegingen met betrekking tot het bewijs Afstand van consultatiebijstand Het hof zal verdachtes verklaring zoals afgelegd bij de politie niet voor het bewijs bezigen. Het door de raadsman gevoerde verweer ten aanzien van het al dan niet afstand kunnen doen van het recht op consultatiebijstand in de onderhavige zaak behoeft daarom geen bespreking. Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 Voor de beoordeling van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In het algemeen valt niet aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld. Van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Het hof stelt in dit kader vast dat niet ter discussie staat dat verdachte, zoals primair tenlastegelegd, zich op 13 april 2016 als bestuurder van een Peugeot 206 zodanig gedragen heeft dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden. De vraag ligt voor welke mate van schuld bewezenverklaard kan worden. Overeenkomstig het vonnis van de rechtbank, is het hof met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, in het onderhavige geval geen sprake is geweest van roekeloosheid, de zwaarste vorm van schuld. Centraal staat de vraag of verdachtes rijgedrag aangemerkt moet worden als aanmerkelijk onvoorzichtig, de laagste gradatie van schuld zoals door de raadsman voorgesteld, of zeer onvoorzichtig, zoals de advocaat-generaal in lijn met het vonnis van de rechtbank heeft betoogd. Het hof acht bij de beoordeling van de mate van schuld aan het ongeval de navolgende feiten en omstandigheden van belang. Rijgedrag van verdachte Het ongeval heeft op 13 april 2016 rond half 8 ‘s avonds plaatsgevonden op [adres] , een doorgaande weg tussen [plaats 2] en [plaats 1] met meerdere bochten. Aan weerszijden van de weg staan bomen en er geldt een maximumsnelheid van 80 km/u. Verdachte kwam op de bewuste avond uit de richting van [plaats 2] . Hoe hard verdachte vlak voor of tijdens het ongeval gereden heeft, is achteraf niet meer exact vast te stellen. Het dossier bevat op dit punt wel enkele aanwijzingen of indicaties, maar uit het dossier volgt niet duidelijk hoe betrouwbaar deze gegevens zijn. Anders dan de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat deze aanwijzingen onvoldoende houvast bieden om aan te nemen dat verdachte met een aanzienlijk hogere snelheid heeft gereden dan toegestaan en verantwoord was. Wel blijkt zonder meer dat de door verdachte aangehouden snelheid te hoog is geweest: hoger dan toegestaan en voor de situatie ter plekke verantwoord was. In dit kader volgt ook uit verschillende verklaringen dat verdachte voorafgaand aan het ongeval in negatieve zin is opgevallen door zijn snelheid en rijgedrag. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij – rijdend met voornoemde te hoge snelheid – in een bocht naar links de controle over zijn auto is verloren, waarna deze is weggegleden. Uit de analyse van het verkeersongeval blijkt dat verdachtes auto in een drift in de linkerberm terecht is gekomen, waar deze op een boom is gebotst en vervolgens in de naastgelegen sloot is beland. Kort na het ongeval heeft verdachte naar verschillende personen WhatsAppberichten gestuurd over – onder meer – de toedracht van het ongeval. Verdachte schrijft in deze berichten: “Achterkant brak uit.. Zou bijsturen zoals ik normaal doe want hij breekt fcking snel uit… Maar toen drifte die door.”, “Bocht naar rechts gleed ie al, corrigeer em. Bocht naar links gaat ie weer en toen draaide die door?” en “pak bocht naar rechts en voel auto glijden.. Ga bocht naar links en weer glijdt de auto”. Anders dan de raadsman heeft bepleit, leidt het hof uit voornoemde berichten af dat verdachte in de bocht voorafgaand aan de bocht waar het ongeval heeft plaatsgevonden al de controle over zijn auto dreigde te verliezen. Verdachte heeft – aldus wetende dat zijn auto snel uitbreekt – naar aanleiding hiervan echter niet zijn rijgedrag aangepast door zijn snelheid te matigen, maar, zo volgt uit zijn verklaring ter zitting in eerste aanleg, dit signaal volledig genegeerd. Onvoldoende veiligheidsgordels Tijdens voornoemde rit, zaten in verdachtes auto – naast verdachte zelf – vier jonge passagiers, namelijk [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Voor deze vier passagiers waren slechts drie autogordels beschikbaar. In zoverre is het tenlastegelegde ontbreken van de vierde autogordel feitelijk juist en kan dit op grond daarvan wettig en overtuigend bewezen worden. Het ontbreken van deze autogordel is echter niet van belang voor de vaststelling van de mate van schuld aan het ongeval. Het ontbreken van de vierde autogordel is niet redengevend geweest voor het ontstaan van het ongeval, maar alleen van invloed geweest op de ernst van de gevolgen van het ongeval voor degene die geen gordel kon dragen, in dit geval [slachtoffer 1] . Dit maakt dat het ontbreken van deze autogordel niet kan bijdragen aan het bepalen van de mate van schuld aan het ontstaan van het ongeval. Het hof zal dit dan ook niet in die zin meewegen. Conclusie Uit het voorgaande volgt dat verdachte te hard heeft gereden. Niet alleen zomaar te hard, maar verdachte heeft er kennelijk een zodanige rijstijl op nagehouden, dat hij in één van de bochten van [adres] zijn auto nog maar net onder controle kon houden, nadat deze in de bocht dreigde uit te breken of weg te glijden. Ondanks deze waarschuwing, heeft verdachte zijn rijgedrag op geen enkele wijze aangepast, waarna hij in de daaropvolgende bocht de controle over zijn auto volledig is kwijtgeraakt, met een zeer ernstig eenzijdig verkeersongeval tot gevolg. Het hof acht verdachtes rijgedrag, met name het niet corrigeren vanuit de eerdere – al zeer gevaarlijke – situatie, dermate ernstig, dat het hof, met de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel is dat verdachte, door zich als bestuurder van een auto op deze wijze te gedragen zeer onvoorzichtig heeft gereden. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman. Gevolgen Met de rechtbank, advocaat-generaal en de raadsman, is het hof van oordeel dat vastgesteld kan worden dat [slachtoffer 1] ten gevolge van het ongeval is komen te overlijden en [slachtoffer 3] door dit ongeval zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Het hof is van oordeel dat uit het dossier volgt dat de overige inzittenden – [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] – door het ongeval eveneens lichamelijk letsel hebben opgelopen. Met betrekking tot de vraag of dit letsel geduid kan worden als zwaar lichamelijk letsel en/of een tijdelijke verhindering zoals ten laste is gelegd, overweegt het hof als volgt. Bij [slachtoffer 2] zijn ten gevolge van het ongeval een bloeduitstorting op het borstbeen, een gebroken bovenbeen, een breuk in het neusbot en een kneuzingshaard rechtsvoor in het brein, zonder neurologische afwijkingen of uitval, geconstateerd. Er was geen sprake van bloedverlies. Het dossier behelst voor het overige niets omtrent de (geneeskundige) ernst van zijn verwondingen, eventuele ondergane of in de toekomst noodzakelijke operaties of informatie over de tijd die gemoeid zal zijn met zijn herstel. In eerste aanleg is door de verdediging bepleit dat deze summiere informatie niet de conclusie kan dragen dat – in juridische zin – sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank heeft in haar vonnis overwogen dat uit het feit dat [slachtoffer 2] onder controle zou zijn bij een chirurg, valt af te leiden dat hij dus geopereerd moet zijn. Terecht heeft de raadsman in hoger beroep opgemerkt dat dit misschien wel zo is, maar dat dit niet uit het dossier blijkt. Ondanks deze in eerste aanleg gevoerde discussie, zijn in hoger beroep geen aanvullende stukken overgelegd door het Openbaar Ministerie of het slachtoffer. De advocaat-generaal heeft in dit kader enkel de conclusie herhaald dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Anders dan de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat bij het ontbreken van informatie over de ernst van de verwondingen, de genezingsduur en de eventuele ondergane of in de toekomst nog noodzakelijke operaties, niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat bij [slachtoffer 2] sprake is (geweest) van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.