GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.216.596 (zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Zutphen: 265250) arrest van 29 augustus 2017 in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van [appellante] , wonende te [plaatsnaam] , appellante, eiseres in het incident, in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, hierna: [appellante] , advocaat: mr. J.P.M.M. Heijkant, tegen: 1 [geïntimeerde 1] , wonende te [plaatsnaam] , 2. [geïntimeerde 2], wonende te [plaatsnaam] , geïntimeerden, verweerders in het incident, in eerste aanleg: eisers in conventie, verweerders in reconventie, advocaat: mr. I.M. Redert. Geïntimeerden zullen gezamenlijk [geïntimeerden] worden genoemd. Geïntimeerden zullen afzonderlijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd worden. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 4 juni 2014 dat de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, locatie Arnhem heeft gewezen en naar de vonnissen van 25 juni 2014, 29 oktober 2014, 25 februari 2015, 22 juli 2015, 14 september 2016 en 26 april 2017, die de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, locatie Zutphen heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in het incident blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 18 mei 2017, tevens houdende een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis van 26 april 2017 ex artikel 351 Rv, met producties 1-8, - de antwoordconclusie in incidenteel verzoek, met productie 1. 2.2 Vervolgens hebben [geïntimeerden] de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest in het incident bepaald. 3Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 3.1 Het geschil tussen partijen gaat om het volgende. Op 15 juli 2010 is overleden [erflater] (hierna: erflater). Erflater is in 1995 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met [appellante] . Uit een eerder huwelijk van erflater zijn [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] geboren. Kort gezegd is tussen partijen niet alleen de omvang en de waarde van de nalatenschap van erflater in geschil, maar ook de wijze van afwikkeling ervan. 3.2 In conventie hebben [geïntimeerden] gevorderd de omvang en de waarde van de nalatenschap vast te stellen op een bedrag van € 679.481,50 en de vorderingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op [appellante] wegens overbedeling vast te stellen op een bedrag van € 226.493,84. Voorts hebben [geïntimeerden] gevorderd om [appellante] te veroordelen tot het (conform het bepaalde in artikel III lid 6 van het testament van erflater) stellen van zekerheid door [appellante] voor zowel de vordering van [geïntimeerde 1] als de vordering van [geïntimeerde 2] . Tot slot hebben [geïntimeerden] gevorderd [appellante] te veroordelen in de proceskosten. 3.3 De rechtbank heeft onder meer een deskundige benoemd om de waarde te bepalen van de woning aan [adres] . In het vonnis van 26 april 2017 heeft de rechtbank vastgesteld welke bezittingen bij de vaststelling van omvang van de nalatenschap in aanmerking moeten worden genomen (onder meer ook het pand aan [pand] ), wat de waarde van die bezittingen is en wat de schulden zijn. Dit in aanmerking nemend, heeft de rechtbank de waarde van de nalatenschap vastgesteld. Aan de hand daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerden] ieder op grond van het testament van erflater een vordering uit overbedeling op [appellante] hebben ter hoogte van de waarde van hun zuiver erfdeel, te weten € 70.670,16. De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde 1] uit hoofde van de nalatenschap van erflater vastgesteld op een bedrag van € 70.670,16 en de vordering van [geïntimeerde 2] op een bedrag van € 48.670,16 (na verrekening van een schuld ter hoogte van € 22.000,- jegens [appellante] ). Na beoordeling van de waarde van de zekerheid die [appellante] al had gesteld, heeft de rechtbank [appellante] in conventie veroordeeld tot het aanvullend stellen van zekerheid voor een bedrag van € 20.000,- ten behoeve van de vordering van [geïntimeerde 1] . De veroordeling is, zonder afzonderlijke motivering, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De reconventionele vorderingen van [appellante] (inhoudende een vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat en een vordering tot veroordeling van [geïntimeerde 2] tot terugbetaling van – kort gezegd – een lening ter hoogte van € 22.000,- verhoogd met de contractueel bedongen rente van 6%) zijn door de rechtbank afgewezen. 4De motivering van de beslissing in het incident 4.1 In het incident vordert [appellante] op grond van artikel 351 Rv schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 26 april 2017, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het incident. [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden vonnis verschillende feitelijke en juridische misslagen bevat. Concreet heeft [appellante] de volgende kennelijke misslagen aangevoerd: De rechtbank heeft ten onrechte geen sanctie verbonden aan het door [geïntimeerden] niet opvolgen van hetgeen bepaald is in artikel II van het testament van erflater, te weten: de kantonrechter verzoeken om een deskundige te benoemen om de waarde van de nalatenschap vast te stellen. In het testament is bepaald dat de consequentie van het niet naleven van het testament op dit punt is dat [geïntimeerden] in hun legitieme worden gesteld (zie randnummer 1.9 van de incidentele memorie); De rechtbank heeft de waarde van de nalatenschap onjuist vastgesteld, omdat een te laag debetsaldo van de rekening [rekeningnummer] bij de Rabobank in de berekening is meegenomen (zie randnummer 2.3 van de incidentele memorie); De rechtbank heeft ten onrechte de reconventionele vordering van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij heeft ingestemd met het in mindering brengen van de lening ad € 22.000,- op het erfdeel van [geïntimeerde 2] , ten gevolge waarvan de rechtbank – volgens [appellante] ten onrechte – de reconventionele vordering van [appellante] heeft afgewezen. Ook heeft de rechtbank de reconventionele vordering van [appellante] tot vaststelling van haar schade door middel van een schadestaatprocedure – volgens [appellante] ten onrechte – afgewezen (zie randnummer 2.5 van de incidentele memorie). De rechtbank heeft de waarde van het woonhuis gelegen te [plaatsnaam] aan [adres] volledig meegenomen in de vaststelling van de omvang van de nalatenschap. [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de notariële leveringsakte blijkt dat [appellante] voor 50% eigenaar was van deze woning, waardoor de woning slechts voor 50% in de nalatenschap valt (zie randnummer 2.2 van de incidentele memorie). Onder verwijzing naar het voorgaande heeft [appellante] zich op het standpunt gesteld dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 26 april 2017 dient te worden geschorst. 4.2 [geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. 4.3 Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012, met daarin maatstaven voor de beoordeling van de incidenten van de artikelen 234, 235 en 351 Rv. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.