GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.193.969 (zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 4646561 en 4933640) beschikking van 28 augustus 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, in eerste aanleg: verzoekster, verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek, hierna: [appellant] , advocaat: mr. J.S. Oey-Mehta, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde] ), gevestigd te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, in eerste aanleg: verweerster, tevens verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek, hierna: [geïntimeerde] , advocaat: mr. W. van der Boon. Het hof heeft in deze zaak eerder, op 17 november 2016, een tussenbeschikking gegeven. Het hof blijft bij hetgeen daarin is overwogen, tenzij het hof daarop hierna uitdrukkelijk terugkomt. 1Het verdere verloop van de procedure 1.1 Na voormelde tussenbeschikking hebben beide partijen laten weten in te stemmen met aanhouding van de beslissing in afwachting van de beslissing van de Hoge Raad op prejudiciële vragen, welke vragen bij prejudiciële beslissing van 23 december 2016 door de Hoge Raad zijn beantwoord (ECLI:NL:HR:2016:2998). 1.2 Vervolgens is de procedure als volgt verlopen: - een akte uitlating van [appellant] met een productie, ontvangen op 24 januari 2017; - een akte uitlating van [geïntimeerde] , ontvangen op 6 februari 2017; - de op 26 juni 2017 gehouden voortzetting van de mondelinge behandeling, gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de nieuwe zaak van partijen met zaaknummer 200.210.483: het door [appellant] ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter op haar verzoek. 1.3 Daarna heeft het hof beschikking bepaald op heden. 2De nadere beoordeling in hoger beroep 2.1 De kantonrechter heeft in zijn door [appellant] bestreden beschikking die in dit hoger beroep aan de orde is, op het voorwaardelijke tegenverzoek van [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden en bepaald dat deze eindigt op 19 april 2016, voor het geval in rechte onherroepelijk komt vast te staan dat tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst. 2.2 Voorafgaand aan dit verzoek van [geïntimeerde] had [appellant] een verzoek ingediend bij de kantonrechter tot vernietiging van de opzegging van de door haar gestelde arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft de beslissing op dat verzoek aangehouden voor nadere bewijslevering en in dezelfde beschikking het onder 2.1 bedoelde tegenverzoek toegewezen. 2.3 Uit de onder 1.1 bedoelde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad volgt dat er onder de werking van de Wwz in beginsel ruimte is voor voorwaardelijke ontbinding voor het geval de opzegging vernietigd wordt, waarbij het wenselijk is dat de kantonrechter zoveel mogelijk gelijktijdig beslist en, indien hij niet gelijktijdig beslist, zal moeten motiveren dat dit gerechtvaardigd wordt ter voorkoming van onevenredige vertraging. De enkele omstandigheid dat in de ontslagprocedure een tussenuitspraak wordt gedaan, brengt nog niet mee dat een daarmee samenhangende aanhouding van de ontbindingsprocedure als onevenredige vertraging van laatstgenoemde procedure dient te worden aangemerkt, aldus de Hoge Raad. Zoals de Hoge Raad nader heeft toegelicht in zijn uitspraak van 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:571 wordt in rechtsoverweging 3.13.1 van de voornoemde prejudiciële beslissing voorts geconcludeerd dat "gelet op het systeem van het thans geldende recht, slechts als voorwaarde kan worden gesteld dat het op staande voet gegeven ontslag door de rechter “van dezelfde aanleg” wordt vernietigd (…) Voorts staat in rechtsoverweging 3.13.2 van deze beschikking, kort gezegd, dat langs de weg van een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding, de gevolgen van het eventuele oordeel dat het op staande voet gegeven ontslag niet gerechtvaardigd was, “in de desbetreffende instantie” kunnen worden beperkt." Hoewel het in de aan de Hoge Raad voorgelegde casus ging om een ontslag op staande voet, ziet het hof in de overwegingen van de Hoge Raad geen reden om aan te nemen dat voor voorwaardelijke ontbinding geen ruimte bestaat bij een gesteld ontslag zoals in dit geval. In zoverre komt het hof terug op de aarzeling die het hof daarover geuit heeft in de tussenbeschikking van 17 november 2016, welke aarzeling met name werd ingegeven door de gevolgen van niet gelijktijdig beslissen in eerste aanleg voor het hoger beroep. 2.4 Inmiddels heeft de kantonrechter bij beschikking van 28 november 2016 het verzoek van [appellant] tot vernietiging van de opzegging afgewezen na te hebben geoordeeld dat van een arbeidsovereenkomst geen sprake is. Van deze beslissing is door [appellant] hoger beroep ingesteld en daarop wordt heden door het hof beslist onder het zaaknummer dat hiervoor is vermeld onder 1.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.