GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.180.621/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/147761 / HA ZA 14/115) arrest van 5 september 2017 in de zaak van EFR Nederland B.V., voorheen: Salland Olie Maatschappij B.V., gevestigd te Breda, appellante, in eerste aanleg: eiseres, hierna: Salland, advocaat: mr. A.B. Lever, kantoorhoudend te Apeldoorn, tegen 1 [geïntimeerde1] , wonende te [A] , hierna: [geïntimeerde1], 2. [geïntimeerde2] , wonende te [A] , hierna: [geïntimeerde2], geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s., advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden. 2Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 2.1 Het hof neemt de inhoud van zijn tussenarrest van 7 maart 2017 hier over. 2.2 Ter uitvoering van voormeld tussenarrest heeft op 8 juni 2017 een meervoudige comparitie van partijen plaatsgevonden. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. Bij gelegenheid van deze comparitie heeft de advocaat van Salland medegedeeld dat Salland als gevolg van een fusie niet meer bestaat. Het hof heeft de zaak in verband daarmee naar de rolzitting verwezen voor akte aan de zijde van Salland. Salland heeft ter zitting van 27 juni 2017 een akte houdende verzoek tot wijziging naam procespartij genomen. Vervolgens hebben partijen het hof wederom verzocht arrest te wijzen. 2.3 Salland heeft bij genoemde akte van 27 juni 2017 stukken betreffende de fusie in het geding gebracht, te weten een afschrift van de fusieakte van 31 mei 2017 en uittreksels uit het Handelsregister betreffende Salland en EFR Nederland B.V. 2.4 Uit die stukken blijkt het volgende. Hangende deze procedure in hoger beroep is Salland opgehouden te bestaan als gevolg van een fusie met EFR Nederland B.V. Deze vennootschap heeft als verkrijgende vennootschap onder algemene titel door middel van deze fusie het vermogen van Salland – de verdwijnende vennootschap – overgenomen. 2.5 Naar vaste rechtspraak kan in een dergelijk geval de verkrijgende vennootschap een aanhangige procedure naar keuze voortzetten op haar eigen naam of op naam van de verdwijnende vennootschap als oorspronkelijke procespartij. Het verzoek bij genoemde akte om de procedure op naam van EFR Nederland B.V. voort te zetten, is door het hof in de aanduiding van partijen in de kop van dit arrest gehonoreerd. EFR zal in het vervolg van dit arrest omwille van de duidelijkheid nog wel “Salland” worden genoemd. 3De vaststaande feiten 3.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.14 van het (bestreden) vonnis van 22 juli 2015, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn gericht of anderszins van bezwaren daartegen is gebleken. Aangevuld met enige feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, gaat het in deze zaak om het volgende. 3.2 Salland is leverancier van brandstoffen en smeermiddelen. Zij geeft aan haar zakelijke klanten tankpassen uit waarmee kan worden getankt op onbemande tanklocaties. 3.3 Huisman Transport BV (hierna te noemen: Huisman) is een transportonderneming die in 2013 en 2014 deel uitmaakte van de HSL-groep. Bestuurder en aandeelhouder van Huisman was Evan Beheer BV. Bestuurder en aandeelhouder van Evan Beheer BV was [geïntimeerde1] Beheer BV. [geïntimeerde1] was bestuurder en aandeelhouder van laatstgenoemde vennootschap. 3.4 De ‘huisbankier’ van de HSL-groep was de Rabobank te Groningen. 3.5 Salland had een aantal tankpassen aan Huisman verstrekt. De door de chauffeurs van Huisman getankte brandstof werd door Salland aan Huisman gefactureerd met een betalingstermijn van 30 dagen en vervolgens door automatische incasso afgeschreven van de bankrekening van Huisman bij de Rabobank. 3.6 De HSL-groep is geraakt door de economische crisis. In de jaren 2011 en 2012 heeft Huisman verliezen geleden, die hebben geleid tot bezuinigingsmaatregelen en reorganisaties. In 2013 bleek dat Huisman niet in staat was haar aflossingsverplichtingen jegens de Rabobank na te komen. Huisman was inmiddels ondergebracht bij de afdeling bijzonder beheer van de Centrale Rabobank in Utrecht. 3.7 In 2013 zijn (in overleg met de Rabobank) met een aantal grote schuldeisers (waaronder Rabobank zelf) betalingsregelingen getroffen, waarmee de liquiditeitsdruk werd verminderd. Als gevolg daarvan konden de facturen van Salland steeds worden voldaan. Eind 2013 werd door Huisman geprognotiseerd dat in de loop van 2014 haar financiële resultaten aanzienlijk zouden verbeteren. Eind december 2013 heeft de Rabobank de toen verschuldigde aflossingstermijn van € 330.000,- ‘doorgerold’ naar (tenminste) april 2014. 3.8 Begin februari 2014 zijn gesprekken met de Rabobank over de financiering van de bedrijfsvoering van Huisman voor het jaar 2014 gevoerd; de bank wenste meer informatie aangaande haar zekerheden. 3.9 Op donderdag 13 februari 2014 heeft de Rabobank aan Huisman laten weten dat zij niet bereid was de financiering voort te zetten, tenzij eventuele liquiditeitstekorten door middel van stortingen door [geïntimeerde1] zouden worden aangevuld; met onmiddellijke ingang werd door de bank alle betalingsverkeer op de rekening-courantfaciliteit opgeschort. [geïntimeerde1] heeft vervolgens contact gezocht met het transportbedrijf Versteijnen BV te Tilburg, om te bezien of door verdergaande samenwerking het faillissement van Huisman kon worden voorkomen. Met de Rabobank werd door Huisman overeengekomen dat de facturen van Salland waarvan de betalingstermijn was verstreken, in ieder geval zouden worden betaald, omdat anders het bedrijf geen overlevingskans zou hebben: afgesproken werd dat de automatische incasso voorshands zou worden gecontinueerd. Door een communicatiestoornis tussen de afdeling bijzonder beheer en de plaatselijke bank in Groningen, is op zaterdag 15 februari 2014 de automatische incasso die op 14 februari 2014 was geeffectueerd, gestorneerd. Op maandag 17 februari 2014 is deze stornering op verzoek van [geïntimeerde1] ongedaan gemaakt. De gesprekken met Versteijnen BV te Tilburg zijn niet succesvol afgerond. 3.10 Op 18 februari 2014 heeft Salland, die door de stornering van de problemen bij Huisman op de hoogte was geraakt, de ten behoeve van Huisman afgegeven tankpassen geblokkeerd. 3.11 Op 19 februari 2014 heeft er overleg plaatsgevonden tussen Salland en [geïntimeerde1] . Na afloop van dit overleg schreef [B] , directeur van Salland, aan [geïntimeerde1] : “Wij hebben vandaag het volgende voorstel gedaan. Wij verlangen van uw bankier (Rabo) dat zij de betalingen garanderen voor de geleverde brandstoffen van vandaag tot en met vrijdag getankt door HSL. Na uw overleg van vrijdag met uw bankier (…) hebben we contact over de toekomst en uw openstaande saldi. Zodra dit is bevestigd, stellen wij de tankpassen weer open”. 3.12 Ook op 19 februari 2014 heeft de advocaat van [geïntimeerde1] een concept-verklaring opgesteld van de volgende inhoud: “Hierbij verklaart de ondergetekende ( [geïntimeerde1] ) dat hij zich persoonlijk garant stelt voor de betaling van de door Salland Olie te leveren brandstoffen aan HSL BV c.s. op 19 t/m 21 februari 2014”. 3.13 Op donderdag 20 februari 2014 is door de Rabobank aan Salland een betalingsgarantie gegeven voor het gebruik van dieselolie, tot een maximum van € 40.000,-. In een mail van die datum schreef Ultzen (senior accountmanager Rabobank, afdeling bijzonder beheer): “Hierbij de bevestiging van ons akkoord voor onderstaande regeling met betrekking tot de levering van brandstof tot en met vrijdag. Zoals afgesproken cappen we vooralsnog op EUR 40 K”. Nadat [B] deze mail van Ultzen door [geïntimeerde1] toegezonden had gekregen, mailde [B] op 20 februari 2014 aan [geïntimeerde1] : “Dank hiervoor graag morgen overleg hoe we verder gaan”. Salland heeft daarop de tankpassen van Huisman gedeblokkeerd. De door de advocaat van [geïntimeerde1] opgestelde persoonlijke garantstelling is niet aan Salland ter beschikking gesteld. 3.14 Op donderdag 19 februari 2014 heeft de advocaat van Huisman contact met de rechtbank opgenomen teneinde de eigen aangifte van het faillissement van Huisman te doen. 3.15 Het bedrag van door chauffeurs van Huisman in de periode van 19 tot en met 21 februari 2014 met behulp van passen bij Salland afgenomen dieselolie, is aan Salland voldaan onder de betalingsgarantie van de Rabobank. 3.16 In de periode van 30 dagen voorafgaande aan 13 februari 2014 en in de periode van 13 februari tot 19 februari 2014, is er met de tankpassen van Salland door chauffeurs van Huisman voor een bedrag van in totaal € 238.641,- getankt. 3.17 Op maandag 24 februari 2014 is het faillissement van Huisman uitgesproken. Op dat moment was het hiervoor onder 3.16 genoemde bedrag van € 238.641,- niet voldaan. 3.18 De curator in het faillissement van Huisman heeft kort na het faillissement door middel van een activatransactie bedrijfsonderdelen van Huisman verkocht en geleverd aan Versteijnen BV te Tilburg. 3.19 [geïntimeerde1] is meermalen gemaand door (de advocaat van) Salland, om de schuld van Huisman aan Salland te voldoen. [geïntimeerde1] is niet tot betaling overgegaan. 3.20 Salland heeft ter verzekering van het verhaal van haar vorderingen diverse conservatoire beslagen gelegd ten laste van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . 3.21 [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, waarbij iedere gemeenschap van goederen tussen hen is uitgesloten. 3.22 De heer [C] , manager algemene zaken bij Salland, heeft in een schriftelijke verklaring met als datum 14 juni 2014 met betrekking tot het overleg tussen Salland en [geïntimeerde1] op 19 februari 2014 het volgende verklaard, voor zover hier van belang: “(…) in dat gesprek meldde de heer [geïntimeerde1] dat de bank de kredietkraan had dichtgedraaid, maar dat er gesprekken met de bank waren om dit weer ongedaan te maken immers de vooruitzichten van het bedrijf waren goed, de cashflow was positief. En anders (onderstreping hof) zo melde de heer [geïntimeerde1] zou hij er persoonlijk garant voor staan dat Salland geen financiële schade zou oplopen” 3.23 In een schriftelijk verklaring met als datum 8 augustus 2014 heeft de heer [B] , met betrekking tot datzelfde gesprek op 19 februari 2014 het volgende verklaard, voor zover hier van belang: “(…) * de bank was schuldig en wilde niet betalen en geen krediet meer verlenen. * Redding is nu nabij want de gesprekken met de bank zijn goed. (…) (…) * Maar indien de bank oude vorderingen niet wenst te betalen of geen garantie geeft voor de leveranties voor de toekomst stond hij persoonlijk garant voor de betaling van alle al door Huisman Transport afgenomen maar niet betaalde olie en in de toekomst nog af te nemen olie. Salland zou geen enkel risico lopen. Hij heeft letterlijk gezegd dat het bedrijf weer gezond was en om de zaak te redden was hij bereid, indien de bank niet wilde bewegen, persoonlijk garant te staan, ook voor de oude vorderingen van Huisman Transport” 3.24 De heer [D] heeft in een schriftelijke verklaring met als datum 17 juli 2014 over voornoemd gesprek op 19 februari 2014 het volgende verklaard, voor zover hier van belang: “(…) Salland Olie vraagt om garanties voor betalingen zodat de tankpassen weer vrijgegeven kunnen worden. De Rabobank verstrekt garantie voor 19 t/m 21 februari 2014. [geïntimeerde1] meldt dat er vrijdag 21 februari 2014 afsluitende gesprekken met de banken zullen zijn over de verdere voortgang van Huisman Transport en Huisman Stukgoed. [geïntimeerde1] herhaalt nog eens dat 2014 voor beide bedrijven positief zal zijn en dus met winst zal afsluiten. Hij verklaart dat alles goed komt, Salland Olie hoeft zich geen zorgen te maken, hij staat garant voor de betalingen van voor Salland Olie afgenomen en nog af te nemen producten(…)”. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 Salland heeft in eerste aanleg [geïntimeerden] c.s. gedagvaard voor de rechtbank en kort gezegd gevorderd – voor zover in hoger beroep nog van belang - veroordeling van [geïntimeerden] c.s. tot betaling van een bedrag van € 275.046,38, vermeerderd met wettelijke (handels)rente, een verklaring voor recht dat Salland deze vordering mag verhalen op gemeenschappelijke goederen van [geïntimeerden] c.s. dan wel op in beslag genomen goederen van [geïntimeerde2] , en veroordeling van [geïntimeerden] c.s. tot betaling van proces- en nakosten. 4.2 Salland heeft haar vorderingen (die zij ter comparitie in eerste aanleg in hoofdsom verminderde tot het ook in hoger beroep gevorderde bedrag van € 238.641,-) jegens [geïntimeerden] c.s. gebaseerd op onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] als (indirect) bestuurder van Huisman Transport B.V., Evan Beheer B.V. en [geïntimeerde1] Beheer B.V. en daarnaast op een volgens haar door [geïntimeerde1] gegeven borgstelling. Voor die vorderingen kan volgens Salland door haar op grond van artikel 1: 94 BW, althans artikel 1:96 BW, althans artikel 1:131 BW verhaal gezocht worden op goederen die (mede) eigendom van [geïntimeerde2] zijn. 4.3 De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis van 22 juli 2015 geoordeeld dat [geïntimeerde1] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens Salland en geoordeeld dat Salland de borgstelling niet door middel van een door [geïntimeerde1] ondertekend geschrift heeft bewezen, zoals in artikel 7:859 BW wordt voorgeschreven. De rechtbank heeft de vorderingen jegens [geïntimeerden] c.s. daarom afgewezen, met veroordeling van Salland in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. 5 5. De beoordeling van de grieven en de vordering 5.1 Met de grieven I tot en met IV komt Salland op tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde1] niet onrechtmatig jegens Salland heeft gehandeld. De grieven V tot en met VIII zien op de borgstelling die door Salland aan haar vorderingen ten grondslag is gelegd. Grieven IX en X bouwen op de andere grieven voort. De grieven lenen zich aldus voor een geclusterde beoordeling. Met de grieven beoogt Salland – zoals zij in hoger beroep heeft gevorderd – vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van haar vorderingen. 5.2 Bij de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde1] als (indirect) bestuurder jegens Salland gehouden is tot schadevergoeding wegens het onbetaald blijven van de door Salland aan Huisman geleverde brandstof voor een bedrag van € 238.641,- neemt het hof het volgende tot uitgangspunt. 5.3 Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K. In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie met name het arrest van de Hoge Raad d.d. 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006: AZ0758, NJ 2006, 659, Ontvanger/Roelofsen) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.