WAHV 200.203.655 11 september 2017 CJIB 178220941 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden locatie Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 16 maart 2016 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Beoordeling
- In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, van de WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en de administratiekosten en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.
- De betrokkene voert onder meer aan financieel niet in staat te zijn zekerheid te stellen.
- Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. De betrokkene heeft, nadat hij omtrent de verplichting tot zekerheidstelling was aangeschreven, aangegeven dat hij de verlangde zekerheidstelling niet kan voldoen. De griffier van de rechtbank heeft hierop bij brief van 2 september 2015 de betrokkene opgeroepen om ter openbare zitting van 30 september 2015 te 13.30 uur te verschijnen voor het geven van een nadere toelichting op zijn financiële situatie. De betrokkene is aldaar niet verschenen. De griffier van de rechtbank heeft de betrokkene vervolgens bij brief van 6 oktober 2015 in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na deze datum zekerheid te stellen. Bij brief van 1 februari 2016 is de betrokkene door de griffier van de rechtbank opnieuw in de gelegenheid gesteld om ter zitting van 16 maart 2016 een nadere toelichting te geven op zijn financiële situatie. De betrokkene is ook op deze zitting niet verschenen. De kantonrechter heeft vervolgens bij de op 16 maart 2016 gegeven beslissing geoordeeld dat het door de betrokkene gevoerde draagkrachtverweer ongegrond is en het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
- De kantonrechter heeft zijn beslissing, om het bedrag van de zekerheidstelling niet te matigen of op nihil te stellen doen steunen op de overweging dat het door de betrokkene met betrekking tot zijn financiële situatie aangevoerde onvoldoende specifiek is. Verder heeft de kantonrechter in zijn overweging betrokken dat de betrokkene geen verdere onderbouwing van zijn financiële situatie heeft gegeven.
- De stukken van het geding houden niets in, waaruit zou kunnen blijken dat de betrokkene stukken heeft toegezonden, waaruit zijn financiële situatie zou moeten blijken. Tevens is de betrokkene niet verschenen ter openbare zittingen van 30 september 2015 en 16 maart 2016 om aldaar zijn financiële situatie toe te lichten, terwijl hij daartoe in de gelegenheid is gesteld. Aldus heeft de kantonrechter, naar het oordeel van het hof, het draagkrachtverweer van de betrokkene kunnen verwerpen.
- Nu de betrokkene niet binnen de nader gestelde termijn de verlangde zekerheid heeft gesteld, heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de bestreden beslissing daarom bevestigen en kan dus, net als de kantonrechter, niet toekomen aan een beoordeling van de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie. Beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Terhell als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.