GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.216.518 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen 5405245) beschikking van 11 september 2017 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [A] , verzoekster in het principaal hoger beroep,verweerster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: verzoekster, tevens verweerster in voorwaardelijk tegenverzoek, hierna: [verzoekster], advocaat: mr. M.G.J. Smit, kantoorhoudend te Rotterdam, tegen de stichting Stichting Zorggroep Groningen, gevestigd te Groningen, verweerster in het principaal hoger beroep,verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: verweerster, tevens verzoekster in voorwaardelijk tegenverzoek, hierna: ZGG, advocaat: mr. G.W. Brouwer, kantoorhoudend te Groningen. 1 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen) van 21 februari 2017. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - het beroepschrift (met producties) van [verzoekster] , ter griffie ontvangen op 16 mei 2017; - het verweerschrift, tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroepschrift met producties;- het verweerschrift in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep; - de op 9 augustus 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij ZGG een pleitnotitie heeft overgelegd. 2.2 Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op 25 september 2017 of zoveel eerder als mogelijk is. 2.3 [verzoekster] heeft, na intrekking tijdens de mondelinge behandeling van haar primaire verzoeken (tot vernietiging van de opzegging met nevenvorderingen), in hoger beroep verzocht, samengevat, dat het hof bij arrest [hof: bedoeld zal zijn bij beschikking] de beschikking van de kantonrechter zal vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ZGG zal veroordelen:- tot betaling van een billijke vergoeding conform artikel 7:681 BW;- tot betaling van een bedrag gelijk aan het loon vanaf 2 mei 2016 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, dan wel van rechtswege zou zijn geëindigd conform artikel 7:677 lid 2 BW [hof: bedoeld zal zijn art. 7:667 lid 2 BW];- tot betaling van de transitievergoeding,een en ander met nevenvorderingen en veroordeling van ZGG in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten. 2.4 ZGG heeft verweer gevoerd tegen deze verzoeken en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep. In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, voor het geval vernietiging van de bestreden beschikking mocht leiden tot herstel van de arbeidsverhouding, heeft zij verzocht, samengevat, de herstelde arbeidsverhouding te ontbinden per datum herstel, onder bepaling dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het voorwaardelijk incidenteel appel. 2.5 [verzoekster] heeft verweer gevoerd tegen dit voorwaardelijke verzoek. 3 3. De feiten In hoger beroep staan, voor zover nog van belang, de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast. 3.1 [verzoekster] , geboren [in] 1957, is [in] 1996 krachtens arbeidsovereenkomst bij ZGG in dienst getreden, laatstelijk in de functie van verzorgende gedurende 21 uur per week tegen een loon van € 1.624,76 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag en emolumenten. [verzoekster] verrichtte haar werkzaamheden gewoonlijk op de locatie [B] te [C] , laatstelijk op de longstay dagbehandeling voor Parkinsonpatiënten. 3.2 Na een ziekteperiode van 18 april 2008 tot 1 februari 2009 heeft [verzoekster] zich op 22 juni 2011 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten (burn-out). Nadat aanvankelijk was ingezet op re-integratie van [verzoekster] in de functie van helpende, is zij op haar aangeven gereïntegreerd in haar oorspronkelijke functie van verzorgende. 3.3 Op 6 maart 2015 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld vanwege fysieke klachten. Op 13 maart 2015 heeft de bedrijfsarts ( [D] ) gerapporteerd dat gezien de aanwezigheid van een chronische medische aandoening welke geleidelijk achteruit gaat, op de langere termijn terugkeer in de eigen functie twijfelachtig is, maar dat op de kortere termijn wel enige verbetering valt te verwachten, en geadviseerd om na 2 weken te proberen op te starten op de afdeling met 2x per week een paar uur in lichte activiteiten. 3.4 Na een “voortgang verzuimgesprek” op 19 maart 2015 tussen [verzoekster] en haar leidinggevende, waarin [verzoekster] aangaf vanwege pijnklachten nog niet tot werkhervatting in staat te zijn, is [verzoekster] op 13 april 2015 niet verschenen op een uitnodiging voor een gesprek over een “plan van aanpak”. [verzoekster] had voorafgaand bericht daartoe fysiek en mentaal niet in staat te zijn. Op het verzoek van haar leidinggevende om ter zake van de door haar gestelde reisbeperking een medische verklaring (huisarts, neuroloog) over te leggen heeft [verzoekster] geantwoord daaraan niet te kunnen voldoen, aangezien dergelijke verklaringen volgens haar (huisarts) niet zouden bestaan. 3.5 Bij brief van 22 april 2015 heeft ZGG haar uitnodiging voor een gesprek voor het opstellen van een Plan van Aanpak herhaald en aan [verzoekster] kenbaar gemaakt dat zij een medische verklaring diende over te leggen indien zij niet op gesprek zou kunnen komen. Bij weigering stelt ZGG haar opschorting van het loon in het vooruitzicht In reactie hierop heeft [verzoekster] onder meer geschreven: “Ik ben overigens best bereid om een gesprek te hebben in het kader van de re-integratie. Om praktische redenen stel ik voor eerst het consult van de bedrijfsarts te laten plaatsvinden dan verzoek ik u om contact met mij op te nemen voor het maken van een afspraak. Omdat ik zelf geen auto mag of kan rijden op dit moment ben ik afhankelijk van familie of vrienden om mij te rijden.” 3.7 Op 13 mei 2015 heeft op de [B] een gesprek plaatsgevonden tussen partijen, waarbij ZGG heeft voorgesteld om het dienstverband door middel van een vaststellingsovereenkomst te beëindigen. ZGG heeft haar voorstel neergelegd in een brief van 19 mei 2015, opgesteld door haar toenmalige gemachtigde, CCM. In de brief wordt onder meer vermeld dat partijen gezamenlijk hebben vastgesteld dat [verzoekster] op verschillende afdelingen heeft gewerkt, maar dat zij er telkens niet in is geslaagd dat tot een succes te maken. Overleg met de (toenmalige) gemachtigde van [verzoekster] , ARAG, heeft niet geleid tot overeenstemming over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. 3.8 Nadat dit overleg niet tot resultaat had geleid en het UWV op een verzoek van [verzoekster] had geoordeeld dat ZGG tekort was geschoten in haar re-integratie-inspanningen, heeft ZGG de re-integratie verder opgepakt. In juli 2015 is door Arbo Unie een Plan van Aanpak opgesteld. Daarin wordt onder meer vermeld dat het einddoel niet bekend is, omdat er een conflict speelt tussen ZGG en [verzoekster] ; volgens [verzoekster] heeft ZGG het vertrouwen in haar opgezegd. Vanwege dat conflict wordt geen advies gegeven over evaluatiemomenten. Op 25 september 2015 heeft de bedrijfsarts ( [D] ) een inzetbaarheidsprofiel gemaakt. Daarbij heeft de bedrijfsarts een arbeidsdeskundig onderzoek geadviseerd om te bekijken of het eigen werk van [verzoekster] passend is dan wel passend is te maken of dat re-integratie extern moet plaatsvinden. 3.9 Op 26 november 2015 heeft de bedrijfsarts ( [D] ) [verzoekster] wederom gezien. Naar aanleiding daarvan heeft hij bericht dat de medische situatie niet is gewijzigd en dat hij nogmaals een arbeidsdeskundig onderzoek adviseert. Op 28 december 2015 heeft ZGG daarop de arbeidsdeskundige [E] verzocht onderzoek te doen. 3.10 Op 25 februari 2016 heeft [verzoekster] de nieuwe bedrijfsarts ( [F] ) bezocht. Deze heeft in zijn verslag over dat contact het navolgende geschreven: “(…) Ik kom tot de conclusie dat er op dit moment vooral sprake is van een arbeidsconflict. Een conflict dat bovendien een re-integratie ernstig in de weg staat. Er bestaan weliswaar ziektebeelden, en deze ziektebeelden geven ook beperkingen (en trouwens ook restmogelijkheden), maar in welke mate deze beperkingen leiden tot arbeidsongeschiktheid kan alleen maar proefondervindelijk worden bepaald. Of deze beperkingen kunnen worden gecompenseerd door gebruik te maken van maximaal ingezette arbeidskundige oplossingen, kan ook alleen maar proefondervindelijk worden bepaald. En of er een noodzaak is tot een traject tweede spoor kan ook alleen maar wanneer er redenen zijn om het eerste spoor te stoppen. Het verzuimdossier komt naar mijn mening alleen maar verder wanneer er een concrete start wordt gemaakt met de re-integratie. Maar een arbeidsgeschil staat de start in de weg. Eigenlijk wil ik mijzelf voor dit moment even naar de achtergrond plaatsen. Ik adviseer u en uw medewerker met klem om het arbeidsconflict op te lossen. Neem hiervoor desnoods professionele hulp in de arm. Bepaal gezamenlijk de doelstelling van de re-integratie. En betrek mij weer bij de re-integratie wanneer er medisch advies nodig is.” 3.11 Op 14 maart 2016 heeft [E] zijn (concept) rapport toegezonden, vergezeld van een uitnodiging aan [verzoekster] om het rapport op 17 maart 2016 met hem te bespreken. In het rapport wordt een tweesporenbeleid geadviseerd waarbij primair de mogelijkheden in het eerste spoor onderzocht dienen te worden.Bij brief van 15 maart 2016 heeft ZGG [verzoekster] uitgenodigd voor een gesprek op 17 maart 2016 over het arbeidsdeskundig rapport en het vervolgtraject. [verzoekster] heeft aan zowel [E] als ZGG bericht niet te zullen komen vanwege de korte termijn waarop de gesprekken waren gepland. 3.12 Per e-mail van 17 maart 2016 heeft ZGG aan [verzoekster] meegedeeld het afzeggen van afspraken niet de juiste weg te vinden en haar opnieuw uitgenodigd voor een bespreking op 22 maart 2016 met de arbeidsdeskundige gevolgd door een bespreking met haar leidinggevende. [verzoekster] heeft daarop bericht te zullen verschijnen op de afspraak met [E] en na afloop daarvan telefonisch contact op te zullen nemen met ZGG over de afspraak met haar. 3.13 [verzoekster] is op 22 maart 2016 verschenen op het gesprek met [E] , maar is niet verschenen op de bespreking met haar leidinggevende. Zij heeft deze per e-mail afgezegd. Haar desbetreffende e-mail bericht van 22 maart 13.19 uur luidt: “Vanuit het kantoor van [E] stuur ik je dit bericht. We stelden samen vast dat we een heel goed gesprek hadden. Ons gezamenlijk voorstel is om spoor 1 mogelijk te maken. Zo spoedig mogelijk om tafel te gaan. Om de lucht enigszins te doen opklaren. Anders gezegd, zoals [E] het formuleerde, om weer helemaal on speaking terms te geraken. Het rapport van [E] behoeft enige aanpassing. Dus een verbeterde versie volgt zo spoedig mogelijk. Daarop mag ik gezien de nu niet meer beschikbare tijd weer reageren. Dat betekent dat een gesprek voor vanmiddag met jullie nog niet aan de orde kan zijn. In overleg met [E] kom ik met een voorstel om de verhoudingen tussen ons weer wat te normaliseren.” Op 22 maart 2016 heeft ZGG per e-mail van 15.20 uur hierop als volgt gereageerd: “(…) Goed te horen dat je een prettig gesprek hebt gehad met dhr. [E] . Ik heb zojuist ook telefonisch met hem gesproken. Hij geeft echter aan dat hij heeft gezegd tegen jou dat het raadzaam is om in gesprek te gaan over re-integratie waarbij de conclusies in het rapport het uitgangspunt zijn. Er worden volgens hem een aantal mutaties in het rapport aangebracht die geen invloed hebben op deze conclusies. Dhr. [E] heeft niet tegen jou gezegd dat het gesprek deze middag niet door hoeft te gaan. Deze conclusie trek je zelf. Ik vind het dan ook niet acceptabel dat je deze afspraak afzegt. We moeten immers zo snel mogelijk richting geven aan re-integratie en de vervolgstappen in gang zetten zoals in het AD rapport staan beschreven. Je geeft aan dat de verhoudingen weer genormaliseerd moeten worden. Tot twee keer toe een afspraak afzeggen bevordert dit niet. Ik verwacht dan ook dat je aanwezig bent vanmiddag om 16.30 uur.” [verzoekster] is niet op voormelde afspraak verschenen en op 23 maart 2016 heeft ZGG haar daarvoor een officiële waarschuwing gegeven. 3.14 Bij brief van 8 april 2016 heeft ZGG [verzoekster] uitgenodigd voor een bespreking op 14 april 2016. Op 9 april 2016 heeft [verzoekster] gereageerd met de mededeling dat zij zal komen en zich zal laten vergezellen door de heer [G] . ZGG heeft daarop aan [verzoekster] te kennen gegeven dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat [verzoekster] zich door een derde, echtgenoot of juridisch adviseur, laat vergezellen, maar dat [G] onacceptabel is aangezien hem vanwege eerder wangedrag de toegang tot [B] is ontzegd. De echtgenoot van [verzoekster] heeft ZGG op 13 april 2016 per e-mail bericht dat hij vanwege zijn werk verhinderd is en dat hij bij zijn standpunt blijft dat zijn echtgenote niet meer alleen naar de [B] komt. [verzoekster] is niet op de afspraak verschenen, waarop ZGG [verzoekster] bij brief van 15 april 2016 officieel heeft gewaarschuwd en zich het recht heeft voorbehouden loonbetaling op te schorten bij herhaling. 3.15 Op 19 april 2016 is [verzoekster] wederom uitgenodigd voor overleg over haar re-integratie op 21 april 2016. [verzoekster] is niet verschenen, na te hebben voorgesteld de afspraak uit te stellen omdat zij van advocaat was gewisseld. 3.16 Op 26 april 2016 is [verzoekster] door haar leidinggevende ( [H] ) uitgenodigd voor een bespreking op 2 mei 2016 over haar re-integratie en een in dat verband opgesteld schema. De uitnodiging voor dat gesprek luidt:“Vanaf begin maart probeer ik met jou het arbeidskundig rapport te bespreken en om vervolgafspraken te maken over de re-integratie. Dit tot op heden niet gelukt en daarom heb ik nu in overleg met de bedrijfsarts een re-integratieschema opgesteld. In het schema is rekening gehouden met de vastgestelde beperkingen die je op dit moment hebt. (zie bijlage) (…) Het traject gaat van start op 2 mei 2011 (…). Op 8 mei die week start je (…). Ik vind het van groot belang dat dat jouw re-integratie niet langer wordt uitgesteld. In het kader van de Wet verbetering Poortwachter wil ik aan onze verplichting voldoen. En ik wil je erop wijzen dat jij verplicht bent om aan je eigen re-integratie mee te werken” Eerdere e-mail correspondentie die binnen ZGG heeft plaatsgevonden over de opstelling van het re-integratie schema is ook toegezonden aan de bedrijfsarts ( [F] ). 3.17 [verzoekster] heeft op deze uitnodiging als volgt gereageerd: “Met stijgende verbazing nam ik kennis van je mail van 26 april 2016. Ik begrijp, dat in overleg met dr. [F] een re-integratieplan is opgesteld, los van het gegeven dat wij over het plan [E] nog geen overeenstemming hebben. Graag verneem ik per omgaande van jou de motivering van dr. [F] om van een eerder ingezette lijn (eerst het conflict uit de wereld) af te wijken. Dit alles gezien in het licht van een conceptrapport [E] , waarover nog geen overeenstemming is bereikt.” 3.18 [H] heeft daarop per e-mail van 28 april 2016 als volgt gereageerd: “Volgens mij heb ik duidelijk in mijn e-mail uitgelegd dat we het re-integratie traject gaan oppakken. Dit heeft zowel [E] in zijn advies als de bedrijfsarts aangegeven. (…)Nogmaals ik verwacht je op op maandag 2 mei om 11.00 uur in het [I] ”. 3.19 Op 29 april 2016 heeft [verzoekster] als volgt gereageerd: “Uw aanhoudende intimidaties zijn genoeg geweest. Ik verzoek u, desnoods sommeer ik u hiermee onmiddellijk te stoppen. Indien u volhardt in uw aanpak, overweeg ik u in gerechte tot een ophouden te bewegen.” 3.20 [verzoekster] is niet op de bespreking van 2 mei 2016 verschenen, waarna ZGG bij brief van die datum aan [verzoekster] heeft geschreven dat zij heeft geconstateerd dat [verzoekster] haar re-integratieverplichtingen niet nakomt en dat haar loon per die dag, 2 mei, is stopgezet. 3.21 Bij brief van 2 juni 2016 heeft ZGG [verzoekster] uitgenodigd voor een bespreking op 7 juni 2016 in, zoals ZGG schrijft, nogmaals een poging om een start te maken met haar re-integratie. Bij e-mail van 5 juni 2016 heeft [verzoekster] te kennen gegeven dat zij wel wil re-integreren, maar dat zij nog steeds vragen heeft. Volgens [verzoekster] is het rapport van [E] nog niet af en heeft zij geen antwoord gekregen op de vraag waarom [F] is afgeweken van zijn eerdere advies dat een arbeidsconflict een re-integratie ernstig in de weg staat. [verzoekster] is op 7 juni 2016 niet op de bespreking verschenen. 3.22 Bij brief van 17 juni 2016 heeft ZGG aan [verzoekster] laten weten dat zij van mening is dat [verzoekster] haar re-integratie stil legt en dat zij daarover een deskundigenoordeel zal aanvragen.Op 7 juli 2016 heeft het UWV geoordeeld dat [verzoekster] inderdaad onvoldoende meewerkt aan haar re-integratie. 3.23 Vervolgens is [verzoekster] op 25 juli 2016 opnieuw uitgenodigd voor een bespreking met ZGG op 1 augustus 2016. In die brief heeft ZGG kenbaar gemaakt dat het na de loonstop en het deskundigenoordeel een laatste poging betreft om te re-integreren. Daaraan is toegevoegd dat vergaande maatregelen zullen worden getroffen indien [verzoekster] aan de uitnodiging geen gehoor geeft. Als gespreksonderwerpen worden in de brief onder meer genoemd: de re-integratie en het arbeidsconflict dat [verzoekster] zegt te ervaren. Tevens heeft ZGG geschreven dat [verzoekster] aansluitend wordt verwacht voor overleg met haar nieuwe leidinggevende over, onder meer, het werkschema en de werktijden. 3.24 Bij brief van 29 juli 2016 heeft de (huidige) advocaat van [verzoekster] te kennen gegeven dat [verzoekster] zich bij dat gesprek zal laten vergezellen door haar echtgenoot en [G] . Daarnaast stelt de advocaat in de brief nog een tweetal voorwaarden voor het gesprek, te weten dat het bestaande conflict tussen [verzoekster] en de organisatie dient te worden opgelost en dat de aantijging van het vermeende disfunctioneren moeten worden ingetrokken. Als die twee punten zijn opgelost kan het re-integratietraject aan de orde komen. Verder wordt bericht dat [verzoekster] openstaat voor een mediationtraject. 3.25 Op 1 augustus 2016 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen ZGG en [verzoekster] . Bij die gelegenheid heeft ZGG toegezegd mediation te zullen entameren met betrekking tot het door [verzoekster] ervaren arbeidsconflict. ZGG heeft daaraan toegevoegd dat de mediation niet aan een begin van re-integratie in de weg kon staan en dat beide trajecten naast elkaar van start zouden gaan. [verzoekster] is daar niet mee akkoord gegaan. Zij hield vast aan de door haar gemachtigde gestelde voorwaarden. Zij wenste eerst aan re-integratie te beginnen als het door haar ervaren arbeidsconflict uit de wereld was. Zij is niet op het aansluitend geplande gesprek met haar nieuwe leidinggevende verschenen. 3.26 Bij brief van 2 augustus 2016 is [verzoekster] door ZGG uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de Arbo-Unie op 4 augustus 2016 met mevrouw [J] , met als doel een inventarisatie te maken van de oorzaken van het door [verzoekster] ervaren arbeidsconflict. Tevens wordt zij in de brief uitgenodigd voor een aansluitend afstemmingsoverleg over de inrichting van haar re-integratie activiteiten op 4 augustus, gevolgd door een eerste inzet op de nieuwe afdeling om proefondervindelijk haar arbeidsmogelijkeden in kaart te brengen. In de brief deelt ZGG [verzoekster] verder mee dat zij van oordeel is dat [verzoekster] zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan redelijke stappen die erop gericht zijn haar in staat te stellen passende arbeid te verrichten, dat de loonstop daarom gecontinueerd wordt, dat zij gehouden is haar medewerking aan haar re-integratie te verlenen en dat bij tekort schieten daarin [verzoekster] rekening dient te houden met ernstige maatregelen. 3.27 Bij brief van 3 augustus 2016 heeft de advocaat van [verzoekster] aan ZGG bericht dat [verzoekster] wel wil meewerken aan haar re-integratie, maar niet onder de door ZGG gedicteerde voorwaarden. Volgens de brief dient de eerste stap te zijn het benoemen van een mediator. [verzoekster] is op 4 augustus 2016 bij de arbodienst noch bij [B] verschenen. 3.28 Op 5 augustus 2016 heeft ZGG [verzoekster] op staande voet ontslagen. De brief vermeldt als grond voor het ontslag:“(…) Hierbij ontslaan wij u op staande voet. omdat u, ondanks eerdere waarschuwingen, een loonsanctie en een deskundigenoordeel opnieuw geen gehoor heeft gegeven aan de u bij brief van 2 augustus 2016 verstrekte redelijke instructies/opdrachten. Uw tekortkoming betreft zowel het wegblijven van het gesprek met mevrouw [J] als uw verzuim u diezelfde middag te vervoegen bij het [I] in [B] . Beide tekortkomingen vormen (…) zowel tezamen genomen als ieder afzonderlijk, de dringende reden die aan dit ontslagg op staande voet ten grondslag ligt. (…)” 4De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan 4.1 [verzoekster] heeft de kantonrechter verzocht, samengevat:primair, om het ontslag op staande voet te vernietigen en haar weer toe te laten tot de bedongen arbeid, met veroordeling van ZGG tot doorbetaling van het loon vanaf 2 mei 2016, subsidiair, ZGG te veroordelen tot (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.