GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.217.575/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/147553 / HA ZA 16-60) arrest van 26 september 2017 in het incident tot schorsing tenuitvoerlegging in de zaak van: [appellante] , wonende te [A] , appellante, tevens eiseres in het incident, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. P. van Bommel, kantoorhoudend te Franeker, tegen [geïntimeerde] , wonende te [B] , geïntimeerde, verweerder in het incident, in eerste aanleg: eiser, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. N. Beukhof, kantoorhoudend te Tolbert. 1Het geding in eerste instantie 1.1 In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het tussenvonnis van 1 juni 2016 en het eindvonnis van 22 maart 2017 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de rechtbank). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 13 juni 2017; - de memorie in incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad ex artikel 351 Rv, tevens houdende memorie van grieven (met producties); - de memorie van antwoord in incident. 2.2 In het incident vordert [appellante] dat de tenuitvoerlegging van het eindvonnis van 22 maart 2017 wordt geschorst. In de hoofdzaak concludeert [appellante] (samengevat) tot vernietiging van genoemd eindvonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. 2.3 [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering. 2.4 Partijen hebben arrest gevraagd in het incident en zij hebben daartoe de stukken overgelegd. 3De feiten, het geschil en de beslissing in eerste aanleg 3.1 Het gaat in deze zaak - voor zover relevant voor de beoordeling in het incident - in het kort over het volgende. 3.2 Partijen hebben een affectieve relatie gehad, die is geëindigd in april 2015. Uit de relatie zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren. Partijen bezitten gezamenlijk een woning aan de [a-straat] 86 te [B] (hierna: de woning). De hypothecaire schuld voor deze woning bedroeg op 1 november 2015 € 173.948,13. 3.3 [appellante] heeft de woning in april 2015 verlaten. [geïntimeerde] is in de woning blijven wonen. 3.4 Makelaarskantoor Bruining en De Reus, gevestigd te Leek, heeft de marktwaarde van de woning blijkens haar rapport van 23 januari 2017 getaxeerd op € 120.000,-. 3.5 In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] (samengevat) gevorderd dat de woning aan hem wordt toegedeeld, met veroordeling van [appellante] tot medewerking aan de toedeling en tot betaling van de helft van de onderwaarde en de helft van de kosten van de taxatie en de levering. 3.6 De rechtbank heeft in het bestreden eindvonnis van 22 maart 2017 (samengevat) de woning toegedeeld aan [geïntimeerde] tegen een waarde van € 120.000,- en [appellante] veroordeeld tot betaling van de helft van de onderwaarde en de helft van de kosten van de taxatie en de levering. Tevens heeft de rechtbank [appellante] veroordeeld om mee te werken aan de levering van de onverdeelde helft van de woning aan [geïntimeerde] en daarbij bepaald dat - indien [appellante] hieraan niet meewerkt - het vonnis in de plaats treedt van de voor de akte van levering vereiste wilsverklaring van [appellante] . Het vonnis van 22 maart 2017 is door de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.7 [appellante] heeft de appeldagvaarding op 15 juni 2017 doen inschrijven in het door de rechtbank gehouden rechtsmiddelenregister. 4De beoordeling in het incident 4.1 Aan haar incidentele vordering legt [appellante] (samengevat) het volgende ten grondslag. Tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep zal tot gevolg hebben dat de financiële positie nog verder verslechtert. [appellante] stelt dat zij niet over de middelen beschikt om de onderwaarde van de woning aan [geïntimeerde] te betalen. [appellante] heeft uit haar onderneming een gering inkomen (€ 5.058,- bruto over de laatste drie kwartalen van 2016) en zij draagt de volledige zorg van de twee minderjarige kinderen. Bovendien is [appellante] het niet eens met de vaststelling van de waarde van de woning op € 120.000,-, onder meer omdat partijen in onderling overleg waren uitgegaan van € 140.000,-. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] geen spoedeisend belang bij tenuitvoerlegging van het beroepen vonnis. Indien hij daartoe wel overgaat, zou dat volgens [appellante] misbruik van bevoegdheid opleveren. 4.2 [geïntimeerde] heeft ter afwering van de incidentele vordering (samengevat) het volgende aangevoerd. [appellante] heeft nimmer willen meewerken aan verdeling van de woning, ook niet voor de aanvankelijk door hem voorgestelde waarde van € 140.000,-. Tijdens de comparitie in eerste aanleg zijn partijen overeengekomen een taxatie te laten uitvoeren. Dat de waarde van de woning daarbij lager is uitvallen (€ 120.000,-), dient voor rekening en risico van [appellante] te blijven. Van nieuwe feiten en omstandigheden is ten tijde van dit incident geen sprake. De door [appellante] gestelde betalingsonmacht is niet hetzelfde als een noodtoestand, zoals bedoeld in de rechtspraak. [geïntimeerde] stelt dat van hem niet kan worden verlangd dat de verdeling van de woning nog langer wordt uitgesteld. Tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 maart 2017 is dan ook geen misbruik van bevoegdheid, aldus [geïntimeerde] . 4.3 Het hof overweegt dat de vraag waar het in het incident om gaat, is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het vonnis waarvan beroep op de voet van art. 351 Rv. Het hof stelt bij deze beoordeling de volgende maatstaven voorop, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:688): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.