GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.219.259 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 5838746) arrest in kort geding van 26 september 2017 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante in het hoger beroep, in eerste aanleg: eiseres, hierna: [appellante] , advocaat: mr. H.J. Fraaije-Luising, tegen: de stichting [stichting X], gevestigd te Wageningen, geïntimeerde in het hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [stichting X] advocaat: mr. A.J.H. Rutten. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 17 mei 2017, dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland (zittingsplaats Arnhem) tussen partijen heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 14 juni 2017 (met producties) - het herstelexploit van 7 juli 2017, - de memorie van antwoord (met producties). 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 [appellante] vordert in hoger beroep, verkort weergegeven, het bestreden vonnis te vernietigen en [stichting X] alsnog te veroordelen tot doorbetaling van het loon ad € 4.054,50 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 1 maart 2017 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, alsmede [stichting X] te gebieden haar re-integratieverplichtingen jegens [appellante] alsnog onverkort na te komen en de teamleden schriftelijk te informeren over de onderhavige situatie volgens een in de dagvaarding opgenomen bericht, een en ander onder veroordeling van [stichting X] in de kosten van beide procedures inclusief de nakosten. 3De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.26 van het bestreden vonnis, waartegen geen grieven zijn gericht. Het hof neemt deze feiten hier over en vult ze, waar nodig, aan. 3.1 [appellante] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 augustus 2007 in dienst getreden bij [stichting Y] (hierna: [stichting Y] ) tegen een salaris van laatstelijk € 4.054,50 bruto per maand, te vermeerderen met een vakantietoeslag van 8 %. Per 6 september 2016 is de naam gewijzigd in [stichting X] . 3.2 [appellante] was laatstelijk werkzaam als Senior Onderzoeker binnen het [onderzoeksinstituut] . Naast haar functie van Senior onderzoeker had [appellante] de rol van Expertiseleider Consumer Science (door partijen afgekort tot “CS)”. 3.3 In september 2016 is [de universiteit] een samenwerkingsverband aangegaan met diverse onderzoeksinstituten, waaronder [stichting X] , genaamd ‘ [samenwerkingsverband] ’ (hierna: [samenwerkingsverband] ). 3.4 Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Stichting [stichting Y] van toepassing. 3.5 Op 21 juni 2016 heeft [appellante] met [R&D manager] (R&D Manager Consumer Science & Health Group, hierna: [R&D manager] ) tijdens een wandeling gesproken over haar motivatie voor haar werk en haar toekomstvisie. In de periode daarna heeft [appellante] vaker gesprekken over haar loopbaan gevoerd met [R&D manager] , maar ook met andere personen, zoals met [Business Unit manager] (Business Unit Manager, hierna: [Business Unit manager] ), haar promotor prof. [HR-manager 1] en [HR-manager 2] , HR-Manager (hierna: [HR-manager] ). 3.6 Op 18 oktober 2016 heeft [appellante] een gesprek gevoerd met [HR-manager] . Van dit gesprek stuurt [appellante] op 19 oktober 2016 een verslag per e-mail (met als onderwerp: ‘loopbaan’) waarin onder meer is weergegeven: “[appellante] heeft aangegeven onvoldoende werkplezier, uitdaging en doorgroeimogelijkheden in haar huidige baan te ervaren, wat bij haar leidt naar de wens om haar loopbaan buiten GS/FBR voort te willen zetten. Dit kan zowel binnen de [samenwerkingsverband] , als ook extern. De volgende punten zijn er ter sprake gekomen: - Binnen de [samenwerkingsverband] heeft [appellante] nog geen concrete ideeën/voorstellen en staat ze vooral open voor ‘opportunities’. Dit kan zowel een leidinggevende functie zijn als ook een inhoudelijke (interim)klus. [appellante] zal hiervoor actief op zoek gaan binnen haar [samenwerkingsverband] netwerk en via de interne vacatures (...) -Voorgesteld is dat [appellante] , [R&D manager] en [HR-manager 2] regelmatig contact houden over de voortgang. Echter, de wens van [appellante] is dat er geen vaste timelines voor dit traject worden afgesproken, omdat [appellante] geen ontslag genomen heeft en binnen haar huidige functie goed functioneert. Het is de oprechte bedoeling van [appellante] om dit ook te blijven doen tot zij een andere baan gevonden heeft. [HR-manager 2] geeft hierbij aan dat de werkgever er van uit mag gaan dat [appellante] haar taken naar tevredenheid blijft uitvoeren tot het moment dat ze ontslag neemt.” In de bijgaande e-mail vraagt [appellante] aan [HR-manager 2] : “Een praktische vraag die ik gisteren nog vergeten was te vragen. Wat is op dit moment mijn opzegtermijn?” 3.7 Op 31 oktober 2016 stuurt [appellante] per e-mail het voornoemde gespreksverslag aan [R&D manager] ter bespreking toe. 3.8 Op 14 november 2016 bericht [appellante] aan, onder meer, [Business Unit manager] en [R&D manager] : “Ik moet mij helaas vanochtend ziek melden. Het gaat sinds Donderdag avond lichamelijk helemaal niet goed met mij, ik kan niet meer slapen en eten. Als ik zit of sta ben ik heel duizelig. Het lijkt alsof mijn lichaam even iets anders wil als mijn hoofd. Mijn man gaat met mij vanochtend naar de huisarts.” 3.9 In een e-mail van 15 november 2016 schrijft [appellante] aan [Business Unit manager] en [R&D manager] met als onderwerp “Ik wil blijven”, onder meer, als volgt: “Inmiddels heb ik - dank zij een slaapmiddel van de huisarts - de eerste redelijke nacht in weken achter de rug en voel ik mij weer een stuk beter. [Business Unit manager] , ik heb het gesprek met jou gisteren als erg fijn gevonden. Het heeft mij laten realiseren wat ik aan het doen ben en ook dat ik dit eigenlijk niet echt wil. Mijn enorme trots zat mij in de weg om toe te geven dat ik eigenlijk niet echt weg wil bij FBR. Ik heb het besluit genomen op een moment waar ik zowel op mijn werk als thuis erg onder druk stond en naar een tijdje durfde ik eigenlijk aan niemand - inclusief mezelf - meer toe te geven dat ik grote twijfels had over mijn vertrekwens (vandaar ook alle onderliggende emoties). Fijn om gisteren te horen dat jullie alsnog open staan voor mijn blijven. Ik bied hierbij ook mijn oprechte excuses aan voor deze “rollercoaster”. De dynamic die grote delen van het CS team de laatste weken aan mij heeft laten zien en ook de oprechte wens van velen hun steentjes bij te dragen en echt te veranderen, laten mij inmiddels weer geloven in een doorstart van dit team. En ik zou dit graag samen met hun doen - zeker nu de inhoud ook meer concreet word en meer mensen uit het team hun bijdrage kunnen leveren. Ik stel voor om nu zsm bij elkaar te zitten om af te stemmen hoe wij dit verder vorm kunnen geven. Zelf heb ik ook nog de behoefte om samen met een coach te kijken hoe het zo ver had kunnen komen en wat ik in toekomst anders zou moeten doen om zo’n kortsluit reactie te voorkomen.” 3.10 In een e-mail van 16 november 2016 bericht [appellante] aan [HR-manager 2] en [R&D manager] , onder meer, als volgt: “Ik heb net probeert mij weer beter te melden via de medewerkersbutton/citrix (van thuis). Maar die geeft helaas een foutmelding. Is er een andere mogelijkheid dit alsnog te doen, gezien ik vandaag al weer bij FBR was en ook mijn taken hervat heb? Verder heb ik een uitnodiging ontvangen van Zorg van de Zaak voor morgen ochtend 10 uur in [plaats] . Moet ik deze nog waarnemen? Of kunnen jullie deze nog cancellen? Wie kan mij helpen met het betermelden? Ik heb ook even mijn vakantie dagen nagelopen. Ik denk dat ik nog ongeveer 40 uur heb die ik tussen nu en de kerstdagen extra zou kunnen opnemen om te zorgen dat ik een beetje meer rust pak. Ik sta open voor jullie suggesties.” 3.11 In een e-mail van 16 november 2016 schrijft [HR-manager 2] aan [appellante] , onder meer, als volgt: “Je bent me net voor, wilde je zojuist mailen over de uitnodiging van de bedrijfsarts. Wij hebben hem gevraagd je op te roepen zodat hij kan beoordelen of er sprake is van ziekte en een advies kan geven wat er nodig is om je weer aan het werk te krijgen. Omdat je je per vandaag weer hersteld meldt, zoals vanmiddag besproken, zal ik de bedrijfsarts laten weten dat de afspraak kan vervallen.” 3.12 In een e-mail van donderdag 17 november 2016 (met als onderwerp ‘ontslag indiening’) bericht [R&D manager] aan [appellante] , onder meer, als volgt: “Vanochtend hebben we elkaar aan de telefoon gehad en vertelde je mij jouw besluit om je ontslag in te dienen. Zojuist hebben we elkaar weer gesproken mbt je besluit tot indiening van ontslag. We respecteren je besluit en werken graag mee aan een goede beëindiging van je loopbaan hier. Wel hebben we afgesproken dat wij - als je werkgever - graag zien dat je jezelf net wat extra tijd gunt om over dit besluit na te denken, dat we zeker weten dat dit een weloverwogen besluit is gezien je uitingen eerder deze week. Daarom zullen we maandag aanstaande samen zitten, zodat je me dan de bevestiging kan geven dat indienen van ontslag inderdaad een weloverwogen keuze van je is.” 3.13 De daarop volgende maandag (21 november 2016) zou [appellante] verder praten over haar eventuele ontslag, maar het aangekondigde gesprek is niet gevoerd. [appellante] stuurt op 21 november 2016 het volgende bericht aan [R&D manager] : “Ik heb vannacht weer heel slecht geslapen en zal vandaag van thuis werken. Ik bel je dan om 11 uur.” 3.14 [appellante] en [R&D manager] hebben vervolgens op die dag een intensief telefoongesprek gevoerd, waarvan [R&D manager] een verslag heeft gemaakt dat zij per e-mail van 21 november 2016 aan [appellante] toestuurt. Daarin staat onder meer: “We hebben vanmiddag een lang gesprek gevoerd van bijna 2 uur. Bedankt voor je openheid! De belangrijkste punten zoals ik die heb gehoord, heb ik hieronder samengevat. Corrigeer en vul graag aan waar nodig! ●Je hebt beslissing genomen dat het voor jou tijd is om iets anders te gaan doen. ●Je stelt voor om je ontslag in te dienen per 1 dec of per 1 jan, met uiterlijk vertrek per 1 april 2017 of zoveel eerder als andere baan is gevonden. ●Indienen ontslag is weloverwogen eigen besluit. ● Wel voel je je op dit moment ’op’ en mentaal niet sterk genoeg om al snel door te pakken. (…) Vervolg acties & afspraken: ● Je zult pas fysiek terugkomen werken bij de groep als er een communicatie is geweest. (…)”. 3.15 In een brief van 23 november 2016 bericht [appellante] aan [R&D manager] onder meer: “Middels deze brief deel ik u mede dat ik mijn arbeidsovereenkomst met [stichting Y] wil beëindigen. Met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van drie maanden houdt dit in dat ik per 28 februari 2017 uit dienst treed. Ik zal de restant van mijn vakantie uren aan het einde van de maand februari 2017 opnemen. Indien U dit goedkeurt, zou dit betekenen dat 23 februari 2017 mijn laatste werkdag is. Ik bedank u voor de prettige tijd die ik bij Wageningen [stichting X] heb gehad. Ik wens jullie allen veel succes en voorspoed.” 3.16 Op het ontslagformulier van [stichting Y] vult [appellante] in: “Reden ontslag: op eigen verzoek, bestemming: op zoek naar nieuwe uitdaging”. 3.17 In een e-mail van 23 november 2016 schrijft [appellante] aan [R&D manager] : “Ik kon van thuis wel ontslag indienen via de medewerker button. Ik heb nu allebei gedaan (MB & brief) en stuur je de originele zo per post op.” 3.18 In een e-mail van 23 november 2016 schrijft [R&D manager] aan [appellante] onder meer: “Dankjewel voor het snelle regelen [appellante] . Ik hoop dat er ruimte in je hoofd en rust in je lijf gaat komen nu je deze stap hebt gezet!” 3.19 In een e-mail van 23 november 2016 heeft [appellante] haar collega’s over haar vertrek ingelicht. 3.20 Op 24 november 2016 stuurt [appellante] aan [R&D manager] een e-mail met een overzicht waarbij de nog openstaande verlofuren zijn ingepland voor de periode tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst. 3.21 Op 29 november 2016 meldt [appellante] zich wederom ziek per e-mail aan [HR-manager 2] , waarin zij schrijft: “Het lukt mij nog altijd onvoldoende om te slapen en daardoor ben ik oververmoeid. Mijn huisarts heeft mij vandaag doorverwezen, word nu hierin begeleid door een hele team. Op advies van de erbij betrokkene arts meld ik mij nu ziek.”. 3.22 Uit de rapportage van de bedrijfsarts van 7 december 2016 blijkt dat [appellante] op 30 november 2016 volledig arbeidsongeschikt is verklaard, waarbij de eerste verzuimdag van het zogeheten ‘samengesteld verzuim’ 14 november 2016 is. De bedrijfsarts schrijft onder de ‘Huidige stand van zaken, beperkingen en advies’ als volgt: “- Er is sprake van gezondheidsklachten door ziekte. - In relatie met deze klachten zijn er forse beperkingen in de energie balans. - De behandeling is adequaat en voldoende. - Momenteel zijn er naar mijn beoordeling geen re integratie mogelijkheden; ik verwacht daarin de komende 2-3 weken geen substantiële verbeteringen. Ik adviseer om in de komende 3 weken de (ook telefonische) contacten van “het werk” met mw. [appellante] te beperken tot alleen zeer dringende zaken.”. 3.23 In een aangetekende brief van 20 januari 2017 heeft de gemachtigde van [appellante] aan [stichting X] de vernietiging van de opzegging door [appellante] ingeroepen. 3.24 In een brief van 20 februari 2017 bericht [psycholoog] , GZ-psychloog, aan de huisarts van [appellante] : “We hebben bovenstaande cliënt op 16-02-2017 gezien voor een intakegesprek. Door middel van deze brief willen wij u op de hoogte stelten van onze bevindingen en advisering. Reden van aanmelding: Cliënte wordt verwezen door [gezondheidszorginstelling] waar zij van 15-12-16 tot 19-01-2017 was opgenomen wegens depressieve klachten met suïcidale gedachten. Uiteindelijk werd een burn-out met depressieve kenmerken vastgesteld. Cliënte werkt bij een onderzoeksinstituut in [plaats] waar zij vanaf ‘15 veel werkdruk ervaarde. Zij heeft dit schriftelijk in meerdere malen aangegeven, maar er werd niets mee gedaan, ook met toen ze weleens in tranen uitbarstte. Toen cliënte in het najaar weigerde een project op te pakken werd dit gezien als werkweigering, waarna een negatieve sfeer niet de hoogste leidinggevende ontstond. Klachten van somberheid en moeheid namen toe, als cliënte zich ziek meldde werd ze gedwongen toch te komen. Uiteindelijk resulteerde dit tot de situatie waarin cliënte ontslag nam, waar de werkgever haar toe maande. Eenmaal thuis namen de klachten toe, ontstond een depressie met vitale kenmerken en doodsgedachten. Via de huisarts is de crisisdienst ingeschakeld, wat uiteindelijk resulteerde in opname. Huidige klachten zijn een slechte concentratie, niet tegen prikkels (zoals geluid) kunnen. Moeite met in- en doorslapen. Veel moe, weinig energie, moet veel rust nemen. Cliënte kan lachen en plezier hebben, maar er is ook verdriet, zich gekwetst voelen. Ze denkt veel terug aan wal er gebeurd is waarbij een aantal specifieke situaties op de voorgrond staan (herbelevingen,). Eten gaat beter, maar er is nog sprake van een verminderde eetlust.”. 3.25 In een brief van 28 februari 2017 schrijft [psychiater] (psychiater) van [gezondheidszorginstelling] aan de gemachtigde van [appellante] als volgt: “Hierbij een reactie op de vragen die u mij op 23-02-2017 heeft voorgelegd: Kan de opzegging, die overduidelijk niet in het belang van cliënte was, worden gerelateerd aan haar ziektebeeld? U hoeft de vraag niet te relateren aan mijn cliënte, een algemeen antwoord kan desgewenst volstaan . Een aanpassingsstoornis met depressieve stemming kan gepaard gaan met concentratieproblemen en een verminderd vermogen tot nadenken. Bovendien ken het gepaard gaan met verlies van interesse en suïcidaliteit. Met deze combinatie van symptomen kan het voorkomen dat er beslissingen worden gemaakt waarvan de gevolgen op dat moment niet kunnen worden overzien. Bovendien kan verlies van interesse leiden tot onverschilligheid met betrekking tot het nemen van een beslissing. Komt u dergelijk (korte termijn gericht en niet in eigen belang) handelen vaker tegen bij patiënten met een vergelijkbaar ziektebeeld? Ja. Komt het bij patiënten met dit ziektebeeld (vaker) voor dat men de gevolgen van het eigen handelen niet goed kan overzien? Ja. Kunt u verder nog informatie verstrekken die in dit kader van belang kan zijn? Patiënte heeft zich in april 2016 gemeld bij de huisarts met vermoeidheid en hartkloppingen. Mogelijk is dit een teken geweest van een reeds bestaande aanpassingsstoornis. U zou de huisarts kunnen raadplegen wat zijn bevindingen waren op dat moment.” 3.26 In een brief van 9 maart 2017 bericht de heer [huisarts] van Huisartsenpraktijk Engelen (huisarts van [appellante] ) over het verloop van haar ziekte: “Op 29 november bezocht ze mijn spreekuur samen met haar mam. Ze maakte op dat moment een ernstig depressieve indruk, had moeite met praten en nadenken, was uitgeput en suïcidaal. Dit maakte dat ze door mij acuut is ingestuurd naar de crisisdienst van de [gezondheidszorginstelling] , waar ze ook is opgenomen. Terugkijkend is ze diverse keren op het spreekuur geweest met klachten die achteraf bezien al een duidelijke overbelasting aangaven. - September 2015: voelt zich niet goed, gejaagd en slap, verzoek om bloedonderzoek waar vervolgens niets afwijkends is uitgekomen - April 2016: komt met snelle hartslag, opgejaagd gevoel en vermoeidheid. Is heel emotioneel bij het presenteren van deze klachten. - 14 november 2016: geeft aan al 3 maanden slecht te slapen door zorgen op het werk, slaapt de laatste 2 weken niet of nauwelijks, piekert veel, maagklachten. Ze maakt op dat moment een ernstig vermoeide indruk. Inmiddels is de diagnose burn-out en aanpassingsstoornis met depressieve stemming gesteld. Dit heeft een lange aanloop gehad met al in 2015 de eerste klachten. In november is het dusdanig geëscaleerd dat helaas crisisopname nodig bleek. Tijdens de behandeling die op dit moment plaatsvindt blijkt een trauma op de voorgrond te staan. Daar is nu de behandeling ook op gericht. Van patiënte heb ik begrepen dat het trauma te maken heeft met intimidatie op het werk en de negatieve reactie op haar ziekmelding. Buiten haar werk lijkt geen factoren mee te spelen. Voorheen zijn er nooit psychische problemen geweest.” 3.27 In een brief van 31 mei 2017, opgesteld op verzoek van (de advocaat van) [appellante] concludeert [verzekeringsarts en medisch adviseur] , onder meer: “Zoals eerder aangegeven gaat aan een burn-out een langdurige periode van (over)spanningsklachten vooraf, hetgeen ook het geval was bij cliënte blijkens onder meer het schrijven van de huisarts die immers aangaf dat cliënte al in (september) 2015 de eerste (overbelastings)klachten had. Bij burn-out/overspanning gaat het veelal om aspecifieke klachten – in geval van cliënte bijvoorbeeld een gejaagd gevoel, een snelle hartslag, vermoeidheid en slecht slapen – wat verklaart dat soms pas later klachten worden geduid in het kader van een ziektebeeld, zoals een aanpassingsstoornis c.q. burn-out. Op grond van bovenstaande alsmede de ernstig vermoeide indruk die cliënte maakte bij de huisarts op 14 november 2016 kan naar mijn mening worden aangenomen dat op dat moment diagnostisch reeds sprake was een aanpassingsstoornis/burn-out bij cliënte, welke diagnoses nadien werden gesteld respectievelijk bij GGZ [gezondheidszorginstelling] en [gezondheidszorginstelling 2] , te meer ook gezien de eerder beschreven aanlooptijd voor het ontwikkelen van deze (psychische/geestelijke) stoornis. (…) Al met al wordt geconcludeerd dat cliënte haar ontslag indiende op 24 november 2016 onder invloed van een geestelijke/psychische stoornis en dientengevolge geen weloverwogen beslissing (b)lijkt te hebben genomen.”. 3.28 In een brief van 27 juli 2017, opgesteld op verzoek van (de advocaat van) [stichting X] , schrijft [verzekeringsarts RGA en medisch adviseur] , verzekeringsarts RGA en medisch adviseur, onder meer: “Kortom, op grond van de huidige gegevens kan niet gesteld worden dat betrokkene al op of rond 23-11-2016 een geestelijke stoornis had, althans volgens de formele criteria kan met de huidige gegeven niet worden geconstateerd dat wordt voldaan aan de diagnose aanpassingstoornis en niet aan de diagnose burnout. Dat er op 15-12-2016 wel sprake was van een geestelijke stoornis is duidelijk, daar is geen twijfel over. Er waren klachten en er was een stoornis in het functioneren. Op dat moment was er overigens sprake van een depressie, niet van een aanpassingsstoornis (…)In antwoord op uw vraag: nee, op grond van de nu aanwezige feitelijke gegevens kan niet worden geconcludeerd dat bij mevr. [appellante] ten tijde van de opzegging op 23-11-2016 een geestelijke stoornis aanwezig was (…) Aanvullend wil ik opmerken dat zoals de arts in opleiding psychiatrie, collega [arts in opleiding] , terecht schrijft kan bij een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken een verminderd vermogen tot nadenken aanwezig kan zijn maar uit de nu aanwezige gegevens in het dossier kan niet blijken dat er bij betrokkene een dergelijk verminderd vermogen tot nadenken bestond. (…)” 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 De vorderingen van [appellante] in eerste aanleg waren identiek aan die in hoger beroep, zoals kort weergegeven onder 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.