Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001005-16 Uitspraak d.d.: 8 februari 2017 TEGENSPRAAK Promis Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 12 februari 2016 met parketnummer 16-701538-14 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1963] , thans verblijvende in [PI verblijfplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 10 juni 2016, 22 juni 2016, 26 september 2016, 19 december 2016, 20 december 2016 en 25 januari 2017, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mr. M.A. Krikke en mr. F. van Seventer, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het is gewezen naar aanleiding van de terechtzittingen op 18 en 19 januari 2016 en 1 februari 2016 en niet mede naar aanleiding van de terechtzittingen van 19 januari 2015, 13 april 2015, 1 juni 2015, 15 juni 2015, 18 en 19 augustus 2015 en 16 november 2015 toen de rechtbank in dezelfde samenstelling heeft gezeten en het onderzoek telkens is hervat in de eerdere stand. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is -na aanpassing en uitbreiding van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat: 1. hij op of omstreeks 05 september 1995 te De Bilt, althans in Nederland, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid . aangeefster van feit 1 (geboren op [1968] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft verdachte (telkens) meermalen, althans eenmaal, - zijn vinger(
- s)in de vagina van die aangeefster gebracht en/of - zijn penis in de mond van die aangeefster gebracht en/of - zijn penis in de anus van die aangeefster gebracht en/of - zijn penis in de vagina van die aangeefster gebracht, en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(
- en)en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(
- en)hierin dat hij verdachte toen en aldaar - plotseling en onverhoeds naast die fietsende aangeefster kwam fietsen en/of - - ( vervolgens) terwijl hij verdachte naast die aangeefster fietste aan haar hoofdhaar heeft getrokken (welk trekken op een dusdanige manier geschiedde dat haar gelaat van hem, verdachte werd afgewend) en/of - nadat die aangeefster en hij, verdachte, hadden afgeremd en tot stilstand waren gekomen (aan) het hoofdhaar van die aangeefster bleef trekken en/of vasthouden en/of - - een mes aan die aangeefster heeft getoond en/of voorgehouden en/of - de volgende woorden aan die aangeefster heeft toegevoegd: “Niet kijken of niet gillen, want ik heb hier een mes, als je doet wat ik zeg, dan gebeurt er niets.” En/of ”Zet je fiets neer.” althans woorden van soortgelijke strekking en/of - terwijl die aangeefster nog steeds aan haar hoofdhaar werd getrokken die aangeefster de looprichting -waarin hij verdachte en die aangeefster wilde laten lopen- heeft geduwd en/of - een hek van een omheining van een weiland/grasland voor die aangeefster en hemzelf heeft geopend en/of - de volgende woorden aan die aangeefster heeft toegevoegd: “Als je doet wat ik zeg, gebeurt er niets.” en/of “Als je gaat gillen, ga je eraan” en/of “Je mag niet kijken.” althans soortgelijke woorden en/of - die aangeefster en hemzelf naar een omgeving/plaats waar struiken en bossages stonden heeft gebracht, waar geen (straat) verlichting brandde en waar het mitsdien aardedonker was (terwijl hij, verdachte die aangeefster aan het hoofdhaar trok en naar die omgeving/die plaats geleidde) en/of - de volgende woorden aan die aangeefster heeft toegevoegd: “Trek alles uit” en/of - terwijl hij verdachte achter die aangeefster stond de drukknopen van de door die aangeefster gedragen blouse heeft losgetrokken en/of - het door die aangeefster gedragen T-shirt uit de door die aangeefster gedragen broek heeft getrokken en/of - de riem van die aangeefster heeft losgetrokken en/of de knoopjesgulp van de door die aangeefster gedragen broek heeft geopend/losgetrokken en/of - terwijl er een auto met brandende koplampen in de directe omgeving waar hij verdachte en die deels ontkleedde aangeefster stonden, stilstond het lichaam van die aangeefster met zijn armen tegen zijn lichaam heeft geduwd en/of - - de volgende woorden aan die aangeefster heeft toegevoegd: “Als je wat laat horen of zo, dan steek ik je neer.” en/of “Doe je kleren uit.” en/of (aldus) die aangeefster heeft gedwongen zich uit te kleden en/of - nadat die aangeefster vrijwel geheel ontkleed was de volgende woorden toegevoegd: “Heb je wel eens gepijpt? “en/of “Dat zal ik je dan leren dan.” en/of - nadat hij, verdachte, die aangeefster had omgedraaid tegen die aangeefster de volgende woorden heeft toegevoegd: “Ga daar maar zitten.” en/of “Zuigen.” en/of nadat die aangeefster de penis van hem verdachte in haar mond had, zijn onderlichaam heeft bewogen en/of - die aangeefster de volgende woorden heeft toegevoegd: “Ga voorover op je buik liggen.” en/of “Ga maar verder op je buik liggen”. 2. hij in of omstreeks de periode van 15 september 1995 tot en met 16 september 1995 te Bunnik, althans in Nederland, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid aangeefster van feit 2 (geboren op [1979] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar (telkens) meermalen, althans eenmaal, - zijn vinger(
- s)in de vagina en/of de anus van die aangeefster gebracht, en/of - de borst(
- en)en/of tepel(
- s)en/of de vagina van die aangeefster betast/aangeraakt, en/of - zijn penis in de vagina en/of de anus en/of de mond van die aangeefster gebracht, en/of - zijn penis tegen de vagina/schaamstreek en/of de anus van die aangeefster gedrukt (gehouden), en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(
- en)en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(
- en)hierin dat hij, verdachte, toen en aldaar - ( onverhoeds en/of van achteren -terwijl hij, verdachte, een panty over zijn hoofd droeg-) die -fietsende- aangeefster stevig aan dier staart heeft getrokken (waardoor zij tot stoppen werd gedwongen) en/of daarbij tegen die aangeefster heeft gezegd: “Stoppen bitch” en/of “Je moet stil zijn.” en/of “Niks zeggen, geen kik geven, want ik heb een mes”, en/of - de fiets van die aangeefster heeft vastgepakt en/of de arm van die aangeefster heeft vastgepakt, en/of - die aangeefster een mes heeft getoond en/of voorgehouden, en/of - tegen die aangeefster heeft gezegd: ‘Meekomen, bek houden” en/of “Nee, je moet gewoon je bek houden”, en/of - die aangeefster (aldus) heeft gedwongen met hem, verdachte, door (een) weiland(en)/grasland(
- en)mee te lopen/gaan naar een afgelegen plek, en/of - tegen die aangeefster heeft gezegd; “Blijven staan, want ik heb een mes, ik kan je zo…” en/of “Ik wil nu dat je je bek dichthoudt” en/of “Ga liggen” en/of “Ga nou liggen en laat mij nou maar gaan” en/of “Doe je broek uit”, en/of - tegen die aangeefster heeft gezegd dat ze haar schoenen uit moest trekken en/of dat alles uit moest en/of (aldus) die aangeefster heeft gedwongen zich uit te kleden, en/of - met een mes de bh van die aangeefster doormidden heeft gesneden, en/of - met zijn, verdachtes hand naar de keel van die aangeefster heeft gegrepen en/of zijn, verdachtes duim en/of vinger in de keel van die aangeefster heeft gedrukt en/of daarbij heeft gezegd: “Ik doe wat ik wil”, en/of - zichzelf heeft afgetrokken in de nabijheid van die aangeefster en/of - die aangeefster heeft gedwongen op haar knieën en/of handen te gaan zitten, en/of het hoofd van die aangeefster heeft vastgepakt en/of haar hoofd heen en weer heeft bewogen, en/of - de fietsband(
- en)van die aangeefster met een mes lek heeft gestoken, en/of - tegen die aangeefster heeft gezegd: “Niet de politie erbij halen, want ik weet waar je werkt”, althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking. 3. hij op of omstreeks 26 september 1995 te Utrecht, althans in Nederland, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid aangeefster van feit 3 (geboren op [1967] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar (telkens) meermalen, althans eenmaal, - zijn vinger(
- s)in de vagina en/of de anus van die aangeefster gebracht, en/of - zijn penis in de mond en/of de vagina en/of de anus van die aangeefster gebracht, en/of - het handvat, althans een (onder)deel, van een fietspomp in de vagina en/of de anus van die aangeefster gebracht/gestoken en/of - het/dat handvat, althans een/dat (onder)deel van een/die fietspomp in de vagina van die aangeefster gebracht/gestoken terwijl/tegelijkertijd zijn penis in de anus van die aangeefster gebracht en/of - een (deel van een) fietspomp in de anus van die aangeefster gebracht/gestoken terwijl/tegelijkertijd zijn penis in de vagina van die aangeefster gebracht en/of -(
- in)de borst(
- en)en/of tepel(
- s)van die aangeefster betast/aangeraakt en/of geknepen, en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(
- en)en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(
- en)hierin dat hij, verdachte, toen en aldaar - ( onverhoeds) die -fietsende- aangeefster bij haar (linker)schouder heeft vastgepakt en/of (tegelijkertijd met zijn verdachtes andere hand) het stuur van de fiets van die aangeefster heeft vastgepakt, en/of - tegen die aangeefster heeft gezegd: ‘Niet kijken” en/of “Jij moet afstappen. (…) Als jij met mij meeloopt gebeurt er niets”, en/of - nadat hij, verdachte, een mes had gepakt/getrokken en/of opengeklapt- tegen die aangeefster heeft gezegd: “Doorlopen, niet omkijken”, en/of “Gewoon doorlopen, als jij doet wat ik zeg, gebeurt er niets”, en/of -die aangeefster (bij haar rugzak) heeft vastgehouden, en/of -de doorgang voor die aangeefster heeft geblokkeerd door zijn, verdachtes fiets op het pad te leggen, en/of (vervolgens) haar stuur heeft vastgepakt en/of tegen die aangeefster heeft gezegd: “Stap maar even af’ en/of “Kom maar even hier” en/of “Doe je rugtas af”, en/of - met die aangeefster is gelopen naar een afgelegen plek/omgeving waar dichte bossages en/of bomen en/of struiken stonden en waar geen (straat)verlichting brandde en waar het mitsdien donker was en/of - de arm van die aangeefster heeft vastgepakt en/of die aangeefster met kracht naar zich toe heeft getrokken en/of zijn, verdachtes arm om de borstkas van die aangeefster (heen) heeft geslagen, en/of - tegen die aangeefster heeft gezegd: “Je weet zeker wel hoe scherp deze messen zijn”, terwijl hij, verdachte, een mes in zijn hand(
- en)had, en/of - tegen die aangeefster heeft gezegd: “Trek je broek en je jas uit en leg deze op de grond”, en/of aan de legging/broek van die aangeefster heeft getrokken, en/of - aan de legging/broek en/of de jas, althans de kleding, van die aangeefster heeft getrokken en/of -tegen die aangeefster heeft gezegd: “Ga voorover op je knieën op je jas zitten”, en/of -met een/dat mes (het kruis van) de legging en/of de onderbroek van die aangeefster heeft opengesneden en/of (vervolgens) die legging en/of die onderbroek kapot heeft getrokken en/of uitgetrokken, en/of -tegen die aangeefster heeft gezegd: “Dat moet ook”, toen/nadat die aangeefster zei dat het pijn deed, en/of - aan die aangeefster heeft gevraagd: “Heb jij een vriend?” en/of “Ben jij Nederlandse?” en/of “Heb je geld bij je?” en/of “Hoeveel geld heb je bij je?” en/of -die aangeefster aan haar arm overeind heeft getrokken en/of tegen die aangeefster heeft gezegd: “Draai je om” en/of “Ga op je knieën en/of handen zitten” en/of die aangeefster naar de grond heeft geduwd, en/of - met zijn, verdachtes handen die aangeefster bij dier hoofd heeft gepakt en/of (vervolgens) dier hoofd naar zijn, verdachtes, penis heeft geduwd en/of daarbij tegen die aangeefster heeft gezegd: “Jij moet flink zuigen”, althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of het hoofd van die aangeefster heen en weer heeft bewogen, (terwijl die aangeefster kokhalsde) en/of (daarbij) tegen die aangeefster heeft gezegd: “Goed zo.” en/of - de bh van die aangeefster omhoog heeft getrokken en/of - zichzelf heeft afgetrokken in de nabijheid van die aangeefster en/of - de pet/het hoofddeksel van die aangeefster heeft opgezet/gedragen en/of - tegen die aangeefster heeft gezegd dat zij op dier zij en/of rug moest gaan liggen en/of aan het been van die aangeefster heeft getrokken en/of een broekspijp en/of schoen van die aangeefster heeft uitgetrokken. 4. hij in of omstreeks de periode van 24 oktober 2001 tot en met 25 oktober 2001 te Bilthoven, althans in Nederland, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid aangeefster van feit 4 (geboren op [1985] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar (telkens) meermalen, althans eenmaal, - zijn vinger(
- s)in de vagina en/of de anus van die aangeefster gebracht, en/of - (
- in)de borst(
- en)van die aangeefster betast/aangeraakt en/of geknepen, en/of - zijn penis in de vagina en/of de anus van die aangeefster gebracht en/of - zijn penis tegen de vagina/schaamstreek en/of de anus gedrukt (gehouden), en bestaande dat geweld en/of die andere feiteljkhe(i)d(
- en)en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(
- en)hierin dat hij, verdachte, toen en aldaar - op/met zijn, verdachtes scooter -terwijl hij een helm droeg- naast die - fietsende- aangeefster is gaan rijden, en/of - tegen die aangeefster heeft gezegd: “Stoppen nu, Zie je dit” en/of daarbij die aangeefster een mes heeft getoond, en/of - tegen die aangeefster op een gebiedende toon heeft gezegd: “Afstappen” en/of “Afstappen nu snel, opschieten” en/of ‘Ga maar achterop zitten” en/of “Achterop, schiet op”, en/of - die aangeefster (aldus) met zijn, verdachtes scooter heeft meegenomen naar een afgelegen plek/omgeving in het bos, waar geen (straat)verlichting brandde en waar het mitsdien donker was en/of - tegen die aangeefster heeft gezegd: “Afstappen” en/of “Voor me uitlopen”, en/of - die aangeefster bij een boom heeft laten stoppen en/of daarbij tegen haar heeft gezegd: “Doe je armen om de boom” en/of die aangeefster tegen de boom heeft geduwd en/of (vervolgens) die aangeefster aan/tegen de boom heeft vastgebonden door tie-rips om haar polsen te doen, en/of - tape over de mond en/of rondom het hoofd van die aangeefster heeft gewikkeld/gedraaid en/of geplakt en/of - tegen die aangeefster heeft gezegd dat ze moest blijven staan en/of haar rok omhoog heeft gedaan en/of - ( met kracht/dusdanig hard) haar panty en/of onderbroek (deels) uit heeft getrokken ten gevolge waarvan haar panty en haar rechterschoen uitgingen, en/of - tegen die aangeefster heeft gezegd: “Ga op de grond liggen” en/of “Ik ga je neuken” en/of “Op je buik” en/of “Nou dan leer je dat maar”, toen die aangeefster aangaf dat ze dat niet kon, althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of - zichzelf heeft afgetrokken in de nabijheid van die aangeefster en/of - hoorbaar voor die aangeefster heeft gehijgd en/of gekreund en/of - tie-rips om twee, althans een of meer, te(e)n(
- en)van die aangeefster heeft (vast)gebonden/gedaan, en/of - die aangeefster vervolgens vastgebonden aan een boom heeft achtergelaten. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Het pleidooi van de verdediging en de opbouw van het arrest Het pleidooi van de verdediging mist een heldere structuur en opbouw. Het hof zal daarom enige orde scheppen en hierna uiteenzetten hoe hij het betoog van de raadslieden heeft verstaan c.q. begrepen. De eerste vier bladzijden van de pleitnota gaan over de volledigheid van het procesdossier en bevatten een vraag over kennisneming van het persoonsdossier van verdachte, maar, naar het hof begrijpt, het op grond daarvan als meer subsidiair geformuleerde verzoek is op bladzijde 45 te vinden. De bladzijden 5 tot en met 35 gaan over de tenlastegelegde feiten, over belastend en ontlastend bewijs, over belastende en ontlastende aanwijzingen, over de interpretatie van dat bewijs en die aanwijzingen, over de bewijswaarde van het belastende bewijs, over het zwijgen van verdachte en over het gebruik van schakelbewijs. Op bladzijde 23 wordt een (voorwaardelijk) verzoek gedaan met betrekking tot een contra-expertise, welk verzoek op bladzijde 45 als meer subsidiair verzoek wordt geformuleerd. Verder leidt dit deel van het betoog van de raadslieden, naar het hof begrijpt, tot twee op bladzijde 45 als meer subsidiair geformuleerde verzoeken, namelijk het horen als getuige van verbalisanten en de NFI-rapporteur die bij het veiligstellen en verder, naar het hof verstaat, van de sporen met DNA van verdachte betrokken is geweest, het horen als getuige van verbalisanten en het verkrijgen van nadere informatie in het Heidepark onderzoek dossier. De bladzijden 35 tot en 44 gaan over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging van verdachte. Op bladzijde 40 wordt een (voorwaardelijk) verzoek gedaan tot het als getuige horen van de officier van justitie [getuige 4] , welk verzoek op bladzijde 45 als meer subsidiair verzoek wordt geformuleerd. Voorts leidt dit deel van het betoog van de raadslieden, naar het hof begrijpt, tot een op bladzijde 45 als meer subsidiair geformuleerd verzoek, namelijk het voegen bij de processtukken van het zogenaamde lokfietsdossier. Tenslotte verzoekt de verdediging op bladzijde 45 meer subsidiair om een verwijzing naar de raadsheer-commissaris om in overleg met de verdediging als datgene te doen dat nog in het belang van het onderzoek nodig wordt geacht, maar dit verzoek is, zo begrijpt het hof, niet rechtstreeks gekoppeld aan enig, daaraan voorafgaand, in het pleidooi ingenomen standpunt. De bladzijden 46 tot en met 51 gaan over de strafbaarheid van verdachte en de eventuele straftoemeting en bladzijde 51 gaat ook over de vordering van de benadeelde partij. Het hof zal als te doen gebruikelijk beginnen met het bespreken van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de daarbij gestelde verzoeken. Daarna komen respectievelijk de bewijsvraag en de daarbij gestelde verzoeken, de strafbaarheid van de verdachte, de straftoemeting en de vordering van de benadeelde partij aan de orde. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging van verdachte omdat, zo begrijpt het hof, het Openbaar Ministerie in het voorbereidend onderzoek ernstig inbreuk zou hebben gemaakt op de beginselen van goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling tekort is gedaan. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de schendingen en veronachtzamingen niet los van elkaar kunnen worden gezien maar als een doorlopende schending van het recht op een eerlijk proces. De verdediging heeft de in haar ogen ernstigste schendingen genoemd, te weten, zo verstaat het hof: de inzet van een politie-informant tegen verdachte toen deze in de onderhavige zaak in voorlopige hechtenis verbleef; het niet uit zichzelf voegen c.q. het nalatig zijn/blijven bij het voegen in het procesdossier van relevante stukken uit het politieonderzoek, met name het persoonsdossier, en de daaruit blijkende onwil van het Openbaar Ministerie om de verdediging inzicht te verschaffen; het achterhouden van ontlastende stukken/informatie door het Openbaar Ministerie; het blokkeren door het Openbaar Ministerie van een onderzoek naar de rechtmatigheid van het DNA-profiel van verdachte (het niet voegen bij de processtukken van het zogenaamde lokfietsdossier); het niet geven van de cautie door de politie aan verdachte bij het bezoek aan hem in 1995; de wijze waarop het Openbaar Ministerie in juni 2016 melding heeft gemaakt van de beslissing tot het seponeren van de vervolging in de achttien andere zaken waarover verdachte is gehoord. De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot verwerping van dit verweer. Het hof verwijst naar hetgeen hij heeft overwogen in zijn tussenarrest van 6 juli 2016 met betrekking tot het verzoek tot terugwijzing naar de rechtbank. Het hof ziet in het betoog van de verdediging geen aanleiding om op hetgeen daar is overwogen met betrekking tot het proces in eerste aanleg en de herstelfunctie van het hoger beroep terug te komen. In aanvulling op de overweging in het tussenarrest met betrekking tot het feit dat de rechtbank de medebrenging van verdachte heeft bevolen naar de terechtzitting waarop de einduitspraak werd gedaan, merkt het hof op dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 19 januari 2016 de verdediging, in de persoon van mr. Van Seventer, heeft aangegeven dat verdachte uitdrukkelijk had laten weten bij die uitspraak aanwezig te willen zijn en dat daarom van de zijde van de verdediging geen bezwaar bestond tegen een bevel tot medebrenging van de verdachte. De rechtbank heeft daarop op 19 januari 2016 een bevel tot medebrenging gegeven. Reeds hierom valt niet in te zien in welk belang verdachte door dat bevel redelijkerwijs is geschaad. Dat mr. Krikke de dag voor de uitspraak alsnog de vraag heeft opgeworpen op welke basis dat bevel was gegeven en dat verdachte toch niet wilde komen, maakt dit niet anders. Hoe dan ook, het gaat hier om een beslissing van de rechtbank die, zelfs indien onjuist, niet relevant is voor de vraag of er sprake is geweest van een eerlijk proces en (dus) ook niet kan leiden tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. In dit kader wijst het hof ook nog naar de bevoegdheid van de voorzitter in artikel 258, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal eerst de met name door de verdediging genoemde punten bespreken en daarna nog ingaan op het optreden van het Openbaar Ministerie in het algemeen in deze zaak. De inzet van een politie-informant tegen verdachte De verdediging heeft gesteld dat de inzet van de opsporingsambtenaar (A-3843) tijdens de voorlopige hechtenis van verdachte om stelselmatig informatie over hem in te winnen in strijd is geweest met het bepaalde in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), met name dat een grove inbreuk is gemaakt op het nemo-tenetur-beginsel (een verdachte hoeft niet aan zijn veroordeling mee te werken), en dat dit als een onherstelbaar vormverzuim moet worden gezien, welke verzuim, nu dit niet tijdens het voorbereidend onderzoek heeft plaatsgehad, niet kan worden hersteld door een van de sancties in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en dat daarom slechts de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging van verdachte kan volgen. De verdediging heeft in dit verband gewezen op de twee arresten van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM), namelijk Allen tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 5 november 2002, NJ 2004, 262, en Khan tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 12 mei 2000, NJ 2002, 180. Ingevolge artikel 126j, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de officier van justitie in geval van verdenking van een misdrijf in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel b, van dat wetboek, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over de verdachte. Uit de ontstaansgeschiedenis van die bepaling en van de titel waarin zij is opgenomen volgt dat daaronder ook is begrepen het inwinnen van informatie door contacten met de verdachte zelf, terwijl tekst noch geschiedenis van die bepaling steun biedt aan de opvatting dat een dergelijk inwinnen van informatie op voorhand is uitgesloten ten aanzien van een verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt. Gelet op de mogelijkheid dat aldus verklaringen van verdachte worden verkregen die in strijd met de in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering tot uitdrukking gebrachte en in artikel 6 EVRM besloten liggende verklaringsvrijheid zijn afgelegd, dient bij de toetsing aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit van de toepassing tegen een voorlopig gehechte verdachte het uitgangspunt te zijn dat die toepassing eerst in aanmerking komt als de bijzondere ernst van het misdrijf dat rechtvaardigt en andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet voorhanden zijn (vgl. HR 9 maart 2004, NJ 2004, 263). Met de rechtbank is het hof van oordeel dat er sprake was (en
- is)van zeer ernstige zedendelicten, niet alleen van de vier feiten die op de tenlastelegging staan, maar ook van andere, soortgelijke feiten waarmee verdachte eveneens in verband werd gebracht. Deze feiten vormen niet alleen een zeer ernstige inbreuk op de persoonlijke integriteit van de slachtoffers, maar hebben daarnaast gedurende langere tijd grote onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij, in het bijzonder in de omgeving van Utrecht, teweeg gebracht. De inzet van de opsporingsambtenaar op voet van artikel 126j, eerste lid, Sv was mede gericht op (het verkrijgen van bewijs met betrekking tot) die andere feiten en op het achterhalen van een motief voor de vier tenlastegelegde feiten. Het feit dat verdachte zich op zijn zwijgrecht beriep en de omstandigheid dat in de andere zaken geen rechtstreeks bewijs door middel van een DNA-match of ander rechtstreeks bewijs beschikbaar was (en ook niet viel te verwachten), maakte dat zich de situatie voordeed dat andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet voorhanden waren. Onder de gegeven omstandigheden voldeed de inzet van de opsporingsambtenaar dan ook aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Met de rechtbank is het hof ook van oordeel dat de wijze waarop de opsporingsambtenaar zich jegens verdachte heeft gedragen geen afbreuk heeft gedaan aan diens verklaringsvrijheid. Dat de opsporingsambtenaar heeft getracht het vertrouwen van verdachte te winnen, is een logisch onderdeel van het doel van de inzet. De opsporingsambtenaar heeft verdachte niet onder druk gezet en steeds in een ontspannen sfeer met verdachte gesproken, hetgeen wordt bevestigd door het feit dat verdachte aan de opsporingsambtenaar te kennen heeft gegeven dat hij het fijn vond om met hem te praten. In die sfeer heeft verdachte tegenover de opsporingsambtenaar informatie verschaft. Evenals de rechtbank komt het hof tot de conclusie dat de inzet van de opsporingsambtenaar op de voet van artikel 126j, eerste lid, Sv rechtmatig heeft plaatsgehad. Anders dan verdediging is het hof van oordeel dat hierin geen verandering komt door het feit dat niet is getracht de gesprekken tussen de opsporingsambtenaar en verdachte op een geluidsdrager vast te leggen. Een dergelijke eis volgt niet uit de wet of de jurisprudentie, nog daargelaten de vraag of het opnemen realiseerbaar zou zijn geweest. Als er geen opnamen bestaan, moet dat worden meegewogen bij de vraag of hetgeen verdachte tegenover de opsporingsambtenaar heeft verklaard mag en kan bijdragen aan het bewijs. Dat is een kwestie van het al dan niet toelaatbaar achten als bewijsmiddel en van bewijswaarde van een in dat kader afgelegde verklaring, niet van ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Overigens heeft die inzet slechts tot één uitlating van verdachte geleid die mogelijk als belastend bewijs zou kunnen worden gezien, namelijk: “Normaal vertel ik dit tegen niemand maar ik ben de Utrechtse serieverkrachter”. Met de rechtbank acht het hof de strekking van deze uitlating niet duidelijk, want hij kan daarmee ook hebben willen zeggen dat hij degene is die ervan wordt verdacht de Utrechtse serieverkrachter te zijn. Het hof ziet die uitlating in ieder geval niet als een bekennende verklaring en zal deze in zijn oordeelsvorming verder buiten beschouwing laten en dus niet voor het bewijs gebruiken. De inzet van de opsporingsambtenaar heeft daarmee feitelijk niet tot enig nadeel voor verdachte geleid. Het niet uit zichzelf voegen c.q. het nalatig zijn/blijven bij het voegen in het procesdossier van relevante stukken uit het politieonderzoek en het achterhouden van ontlastende stukken/informatie De verdediging heeft - kort samengevat - in de eerste plaats betoogd dat het Openbaar Ministerie bij de aanvang van de inhoudelijke behandeling door de rechtbank geen volledig dossier heeft overgelegd, hoewel het beweerde dat wel te hebben gedaan en dat ook de -advocaat-generaal tijdens de regiezitting van het hof heeft gesteld dat het volledige dossier was overgelegd, terwijl dat vervolgens evenmin het geval bleek te zijn. De verdediging heeft ter onderbouwing erop gewezen dat het oorspronkelijke dossier van 1580 bladzijde is gegroeid met bijna 800 bladzijden, en heeft daarbij verschillende voorbeelden genoemd, onder andere het pas in hoger beroep voegen van stukken met betrekking tot BOB-middelen. Deze gang van zaken heeft bij de verdediging het vertrouwen in een eerlijk proces van de zijde van het Openbaar Ministerie ontnomen. De verdediging heeft gesteld dat het Openbaar Ministerie met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan de verdediging ontlastende informatie heeft onthouden en dat er voldoende aanwijzingen zijn dat er nog informatie ontbreekt. Als voorbeeld heeft de verdediging gewezen op de informatie(voorziening) van het Openbaar Ministerie met betrekking tot het dactyloscopisch spoor op de tape die bij feit 4 een rol speelt. De verdediging heeft in dit verband – meer subsidiair - twee verzoeken gedaan, namelijk het voegen van het zogenaamde persoonsdossier van verdachte en het horen als getuige van advocaat-generaal [getuige 4] die als officier van justitie bij de opsporing in deze zaak betrokken is geweest. Het hof komt tot een andere conclusie met betrekking tot het optreden van het Openbaar Ministerie. Aan de verdediging moet worden toegegeven dat de politie en het Openbaar Ministerie onvoldoende uit zichzelf hebben zorggedragen voor een (deugdelijk) procesdossier dat recht doet aan de belangen van een evenwichtige procesvoering, waaronder het belang van het kunnen voeren van een goede verdediging. Als oorzaken daarvan beschouwt het hof het onvoldoende nakomen van de verbaliseringsplicht, zoals in het tussenarrest van 6 juli 2016 is geconstateerd, en een vorm van verkokering die bij het Openbaar Ministerie is ontstaan nadat in vier zaken een DNA-match met verdachte was gevonden. Beide factoren hebben geleid tot het voorleggen van een beperkt dossier aan de rechtbank, tot vele vragen van de verdediging, ook in hoger beroep, en tot verschillende beslissingen van het hof waarbij aan het Openbaar Ministerie opdracht is gegeven om het dossier aan te vullen. Het hof is al in zijn tussenarrest ingegaan op de verbaliseringsplicht en verwijst daarnaar kortheidshalve. Het hof constateert dat de politie, die op dit punt aangestuurd wordt, althans behoort te worden door het Openbaar Ministerie, vanaf de eerste aangiften in 1995 kennelijk heeft verzuimd om de opsporingsverrichtingen die in het algemeen en gericht zijn gedaan, zodanig vast te leggen dat op grond van die vastlegging op het moment dat (eventueel vele jaren later) een verdachte zou worden aangehouden (betrekkelijk) eenvoudig een inzichtelijk overzichtsprocesverbaal met betrekking tot die opsporingsverrichtingen zou kunnen worden samengesteld waarin aan de rechter ter zake van die verrichtingen verantwoording wordt afgelegd en inzicht wordt gegeven, ook wat betreft mogelijke andere daders die in beeld zijn geweest. Dit verzuim heeft mede geleid tot de situatie dat politieambtenaren nog in 2016 moesten gaan zoeken in de archieven om de gewenste informatie boven water te halen en (daarmee) tot gevallen waarin het dossier niet in een keer met de goede informatie is aangevuld maar in stappen, terwijl niet steeds voor eenduidige aanvullende informatie is gezorgd. Als voorbeeld van dat laatste noemt het hof dat op bladzijde 2326 van het proces-verbaal wordt gesteld dat het dactyloscopisch spoor op de tape in zaak 4 nooit als daderspoor is gekwalificeerd, terwijl op bladzijde 2320 van het proces-verbaal wordt gesteld dat wordt vermoed dat dit spoor van de dader is. Ook de door het hof aanwezig geachte vorm van verkokering bij het Openbaar Ministerie heeft bijgedragen aan het vormen van een beperkt procesdossier, namelijk naast de vier aangiften en wat onderzoek dat destijds naar aanleiding van die aangiften is verricht, vrijwel alleen opsporingshandelingen met betrekking tot verdachte bevat die na de DNA-match zijn verricht. Die verkokering laat zich kort gezegd als volgt verwoorden: er zijn vier aangiften, in deze zaken is er een DNA-match met verdachte en daarmee zijn deze zaken met wat bewijs omtrent het gedrag van verdachte rond, meer is niet van belang. Zo eenvoudig ligt het in een zaak als deze niet, want – om maar een voorbeeld te noemen – het Openbaar Ministerie hoort ook oog te hebben voor eventueel ontlastend bewijs en dat, indien aanwezig, uit zichzelf aan het dossier toe te voegen. Het Openbaar Ministerie lijkt daarvoor weinig oog gehad te hebben. Een ander voorbeeld is de tot in hoger beroep halsstarrige houding van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de op duidelijke jurisprudentie van de Hoge Raad gebaseerde vraag van de verdediging met betrekking tot aanstellingen van verschillende opsporingsambtenaren. Al met al wijt het hof de gebreken c.q. het stroeve verloop bij de vorming van het procesdossier aan het onvoldoende nakomen van de verslaglegging door de jaren heen met het oog op het te eniger tijd vormen van een evenwichtig dossier, en aan een te beperkte kijk c.q. insteek bij het Openbaar Ministerie op de vorming van dat dossier. Van een doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort willen doen aan zijn recht op een eerlijke behandeling, anders gezegd met een oogmerk om de verdachte te benadelen, is het hof niet gebleken en dat is ook niet aannemelijk geworden. Met name is het hof niet gebleken van een bewust ont- of achterhouden in de negatieve zin des woords van informatie door het Openbaar Ministerie. Op het – als meer subsidiair geformuleerde - verzoek tot voeging van het persoonsdossier van verdachte bij de processtukken zal het hof afwijzend beslissen. Op deze vraag heeft hof eerder afwijzend beslist ter terechtzitting van 26 september 2016. De advocaat-generaal heeft toen aangegeven dat volgens hem alle stukken in het persoonsdossier van verdachte in het dossier zijn gevoegd, maar dat hij dit nog voor de zekerheid zal navragen. Bij het proces-verbaal van 26 oktober 2016 zijn nog twee stukken, een verslagje (bladzijde 2328) en een e-mail (bladzijde 2329), gevoegd die behoren tot het persoonsdossier van verdachte. Beide hebben betrekking op het dactyloscopisch spoor dat is aangetroffen bij de zaak in feit 4 en dateren van september 2002. In deze stukken wordt verwoord dat het spoor niet overeenkwam met (de vingerafdrukken van) verdachte. Het gaat hier, naar het hof begrijpt, om de interne, onderliggende stukken betreffende informatie die reeds eerder in een proces-verbaal is gerelateerd (bladzijde 2262). Dergelijke interne stukken plegen, naar het hof ambtshalve bekend is, doorgaans niet in het dossier te worden gevoegd. Van nieuwe, tot dan toe ontbrekende informatie is ieder geval geen sprake. Ter zitting van 19 december 2016 heeft de advocaat-generaal meegedeeld dat daarmee alle stukken zijn gevoegd. Het hof ziet anders dan de verdediging geen aanleiding om de juistheid aan die mededeling te twijfelen. Het enkele feit dat het Openbaar Ministerie na de mededeling op 26 september 2016 enkele interne, onderliggende stukken uit het persoonsdossier alsnog heeft gevoegd, geeft aan dat het Openbaar Ministerie compleet heeft willen zijn en wil niet zeggen dat er (dus) nog meer stukken moeten zijn. De verdediging komt op dat punt niet verder dan een veronderstelling. Ook op het – als meer subsidiair geformuleerde - verzoek tot het als getuige horen van [getuige 4] zal het hof afwijzend beslissen. Op deze vraag heeft hof eerder afwijzend beslist in zijn tussenarrest van 6 juli 2016. Zoals in dat arrest is overwogen, dient vooropgesteld te worden dat – behoudens bijzondere gevallen – het als getuige horen van de officier van justitie die in dezelfde zaak als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie is opgetreden en die derhalve partij is in het geding, niet past in het stelsel van de Nederlandse strafvordering. Van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld kan onder meer sprake zijn indien de desbetreffende officier van justitie betrokken is geweest bij het onderzoek van de politie voorafgaande aan de aanvang van de vervolging en het verzoek om hem als getuige te horen ertoe strekt om hem te ondervragen omtrent hij daarbij zelf heeft waargenomen of ondervonden. Het een en ander heeft ook te gelden voor de advocaat- generaal die als officier van justitie bij de opsporing betrokken is geweest. De verdediging heeft het verzoek thans zodanig geformuleerd dat het zou strekken om [getuige 4] als getuige te ondervragen omtrent wat hij bij het onderzoek zelf heeft waargenomen of ondervonden, maar in wezen betreft het verzoek (nog steeds) zijn optreden als officier van justitie en niet hetgeen hij als getuige bij het onderzoek zelf heeft waargenomen of ondervonden. Ook anderszins is het hof niet gebleken van een bijzonder geval dat zou nopen tot het horen van [getuige 4] . Het hof neemt daarbij overigens in aanmerking dat het hof in zijn tussenarrest aan het Openbaar Ministerie opdracht heeft gegeven tot het doen opstellen van een proces-verbaal waarin een overzicht wordt gegeven van de opsporingshandelingen in de periode 1995 tot 2014, ten aanzien van de 22 feiten waarover verdachte is gehoord, en in het bijzonder die opsporingshandelingen die hebben geleid tot het in beeld komen van verdachte, tot doen van nader onderzoek naar verdachte en tot het - tot tweemaal toe - uitsluiten van verdachte als mogelijke dader. Aan dat verzoek heeft het Openbaar Ministerie voldaan. Nu [getuige 4] (met zijn collega) als advocaat-generaal in deze zaak ter terechtzitting verantwoording heeft afgelegd over de opsporing en zijn verhoor als getuige op dat punt niet past in het systeem van strafvordering, wordt verdachte door [getuige 4] niet als getuige te horen redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad. Het blokkeren van een van een onderzoek naar de rechtmatigheid van het DNA-profiel van verdachte (het niet voegen bij de processtukken van het zogenaamde lokfietsdossier) De verdediging heeft gesteld dat het Openbaar Ministerie de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de verkrijging van bewijsmateriaal steeds heeft geblokkeerd. Uit het verdere betoog leidt het hof af dat deze stelling in concreto ziet op het verkrijgen van het DNA-profiel van verdachte naar aanleiding van de veroordeling van verdachte in de “lokfietszaak” (parketnummer 16/01118-14). De verdediging heeft vijf ”nieuwe” feiten en omstandigheden aangevoerd die zouden moeten nopen tot het voegen van het “lokfietszaak-dossier” bij de processtukken, en daarnaast in algemene zin verwezen naar de eerdere argumenten die voorafgaande aan het tussenarrest van 6 juli 2016 naar voren zijn gebracht. De verdediging heeft in dit verband – meer subsidiair – het verzoek gedaan tot voeging van dat dossier. Het verweer lijkt aldus een mengvorm van een niet ontvankelijkheidsverweer en een verzoek tot alsnog voeging van dit dossier. De vijf ”nieuwe” feiten en omstandigheden zijn, zo verstaat het hof, – kort samengevat - : 1) verdachte is nadat hij in 2003 de status van “voorlopig opleggen” heeft gekregen, niet uit beeld geweest, 2) het Openbaar Ministerie heeft niet willen aangeven of verdachte behoort tot de acht subjecten die tot de lokfietszaak nog niet als potentiele dader waren afgeschreven, 3) het Openbaar Ministerie maakt juist op de dag dat de oproep voor de verplichte DNA-afname aan het adres van verdachte wordt aangeboden bekend dat het verwantschapsonderzoek geen hit heeft opgeleverd, maar dat het onderzoek in de zaak nog wel loopt, 4) het vonnis in de “lokfietszaak” op 2 april 2014 is onherroepelijk geworden en het bevel van de officier van justitie dateert van 14 april 2014, waarmee volgens de verdediging wel zeer voortvarend is gehandeld, en 5) het Openbaar Ministerie heeft niet geschroomd om ontlastende informatie voor de verdediging achter te houden. Het hof ziet in het betoog van de verdediging geen aanleiding terug te komen op zijn beslissing in zijn tussenarrest met betrekking tot de voeging van het “lokfietszaak-dossier” bij de processtukken, inclusief de beslissing op de daarmee verband houdende verzoeken tot het doen opmaken van een proces-verbaal en het als getuigen horen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en de officier van justitie die het Openbaar Ministerie ter terechtzitting van de politierechter heeft vertegenwoordigd. Het hof herhaalt hier voor de duidelijkheid zijn in het tussenarrest gegeven beslissing met betrekking tot de voeging van het “lokfietszaak-dossier”. Het Openbaar Ministerie heeft verdachte in 2014 vervolgd ter zake van twee diefstallen van een fiets, een gepleegd op 3 augustus 2013 en een op 16 januari 2014. Laatstgenoemde fiets was een zogenaamde lokfiets. De politierechter heeft verdachte op 19 maart 2014 ter zake van deze diefstallen veroordeeld. Die uitspraak is op 2 april 2014 onherroepelijk geworden. Deze onherroepelijke uitspraak is de basis geweest om op grond van de Wet DNA-onderzoeken van verdachte DNA af te nemen. Zijn DNA is opgenomen in de DNA-databank en dat heeft geleid tot een match met DNA dat in 1995 in 3 van onderhavige tenlastegelegde feiten is gevonden. Voor het hof heeft de onherroepelijke uitspraak van de politierechter als een gegeven te gelden. Eventuele onrechtmatigheden in de opsporing, vervolging en berechting van die zaak (waaronder uitlokking van het misdrijf), konden in die zaak aan de orde worden gesteld, eventueel door middel van hoger beroep en cassatie. In de onderhavige zaak is voor een onderzoek naar de aanwezigheid van eventuele onrechtmatigheden in de lokfietszaak geen plaats. Dat zou neerkomen op een verkapte herziening (en zo vat het hof de verzoeken van de verdediging feitelijk ook op). Verder is naar het oordeel van het hof geen sprake van een begin van aannemelijkheid (maar alleen van een vermoeden van de verdediging) dat de lokfiets is ingezet in het kader van de onderhavige strafzaak. Het Openbaar Ministerie heeft dat steeds ontkend. De raadslieden hebben het lokfietsdossier kunnen inzien en ook dat heeft niet geleid tot enige concretisering van hun veronderstelling dat de lokfiets (mogelijk) is ingezet in het kader van de onderhavige zaak. Het hof komt vervolgens in het tussenarrest tot de conclusie dat in deze strafzaak van de rechtmatigheid van de DNA-afname van verdachte moet worden uitgegaan. Met betrekking tot de eerste vier gestelde “nieuwe” feiten en omstandigheden concludeert de verdediging dat er sprake is van iets teveel toevalligheden. Voor deze punten geldt naar het oordeel van het hof evenzeer dat er geen sprake is van een begin van aannemelijkheid maar alleen van een vermoeden aan de zijde van de verdediging, een vermoeden dat de raadslieden die het lokfietsdossier hebben kunnen inzien, niet (kunnen) concretiseren. De gestelde feiten en omstandigheden leveren op zichzelf noch in samenhang met elkaar en de eerder aangevoerde argumenten (voor zover die samenhang überhaupt bestaat) grond op voor het aannemelijk zijn dat de lokfiets is ingezet om het DNA-profiel van verdachte te verkrijgen. Wat betreft het vijfde punt merkt het hof in de eerste plaats op dat het Openbaar Ministerie goede gronden heeft gehad om het “lokfietszaak-dossier” niet bij de processtukken te voegen en om zich daar ook verder tegen te verzetten. Het hof heeft die opstelling in zijn tussenarrest gebillijkt en doet dat bij dezen opnieuw. Van een doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort willen doen door het Openbaar Ministerie aan zijn recht op een eerlijke behandeling door het “lokfietszaak-dossier” niet bij de processtukken te (willen) voegen is (daarmee) geen sprake. Gelet op hetgeen ten aanzien van dit punt hiervoor is overwogen, zal hof het - meer subsidiaire - verzoek tot voeging bij de processtukken van het lokfietsdossier wederom afwijzen omdat het niet redelijkerwijs van belang kan zijn voor door het hof te nemen beslissingen. Het niet geven van de cautie door de politie aan verdachte bij het bezoek aan hem in 1995. De verdediging heeft – opnieuw – gesteld dat de politie bij het bezoek dat in 1995 aan verdachte is gebracht, hem de cautie had moeten worden gegeven, omdat er voldoende aanwijzingen waren om hem als verdachte aan te merken. De verdediging heeft in dit kader gewezen op de verklaring van de verhorende rechercheur dat hij verdachte uit het hoofd heeft gepraat dat zijn ex-vriendin hem als dader getipt zou hebben, welke mededeling in strijd met de waarheid was. De verdediging verzoekt, zo begrijpt het hof, het niet geven van de cautie aan te merken als een vorm van misleiding van verdachte en schending van zijn rechten als verdachte en is van mening dat aan de weigering van verdachte om mee te werken aan DNA-onderzoek, direct noch indirect, bewijswaarde mag worden toegekend. Het verweer lijkt aldus een mengvorm van een niet ontvankelijkheidsverweer en een bewijsverweer. Het hof ziet in het betoog van de verdediging geen aanleiding terug te komen op zijn oordeel met betrekking tot het geven van de cautie bij het bezoek aan verdachte in 1995 in zijn tussenarrest van 6 juli 2016 bij de bespreking van het verzoek tot het horen als getuigen van verbalisant [verbalisant 3] (p. 10 en 11 tussenarrest). Het hof herhaalt hier voor de duidelijkheid zijn in het tussenarrest gegeven oordeel. Naar aanleiding van de aangiften van zedendelicten in september 1995 heeft de politie een onderzoek gestart. Daarbij is een lijst van, wat het hof hier wil noemen, mogelijke daders ontstaan die subjecten genoemd zijn. Dit betroffen personen die in ieder geval niet uitgesloten konden worden als potentiele verdachte van de delicten. Een van deze personen was verdachte. Hij woonde in Utrecht, paste in het signalement, kende het gebied waar de feiten waren gepleegd, en hij kwam naar voren in tips. In dat kader bracht verbalisant [verbalisant 3] op 26 oktober 1995 voor het eerst een bezoek aan verdachte. Het stond de politie vrij om verdachte thuis te bezoeken. Een uitnodiging op het politiebureau prevaleert geenszins. Daarbij is niet van belang of hij wel of niet als verdachte was aangemerkt. Het stond verdachte op zijn beurt vrij om de politie binnen te laten, een gesprek met de politie aan te gaan en de politie te laten rondkijken. Verdachte heeft dat toegestaan, hij had het ook, geheel of gedeeltelijk, kunnen weigeren. Voor deze beslissing van verdachte was, naar mag worden aangenomen, wel relevant of hij als verdachte was aangemerkt, want dat had aan hem moeten worden meegedeeld en hem had de cautie moeten worden gegeven en hij had zijn gedrag daarop kunnen afstemmen. Uit de verslaglegging van het bezoek in 1995 blijkt niet dat hem de cautie is gegeven. Het hof gaat daarvan ook uit. Volgens het openbaar ministerie waren er destijds onvoldoende aanwijzingen om verdachte in dat stadium als verdachte aan te merken. De drempel om iemand als verdachte van een strafbaar feit aan te merken ligt laag. Echter, vooral gezien het feit dat er op dat moment, naar het hof begrijpt, nog een aanzienlijk aantal andere personen als subject in beeld was, acht het hof gezien de aanwijzingen in de richting van verdachte de beslissing om hem toen nog niet als verdachte aan te merken niet onbegrijpelijk. Daarmee is de kous echter niet af, want de vraag doet zich voor of, mede gelet op de strekking van het bezoek en de gevolgen van een eventuele verdenking, verdachte teneinde hem niet in zijn rechten te schaden desalniettemin de cautie had moeten worden gegeven. De beantwoording van die laatste vraag heeft het hof laten rusten totdat het hof kennis had kunnen nemen van het overzichtsproces-verbaal waartoe het in dat tussenarrest opdracht heeft gegeven. Inmiddels heeft het hof van dat proces-verbaal kennis genomen en dat leidt niet tot de conclusie dat aan verdachte, mede gelet op de strekking van het bezoek en de gevolgen van een eventuele verdenking, teneinde hem niet in zijn rechten te schaden de cautie had moeten worden gegeven. Ten overvloede merkt het hof op dat zelfs als verdachte toen wel als verdachte had moeten worden aangemerkt en aan hem wel de cautie had moeten worden gegeven, dit niet een verzuim is dat leidt tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie maar tot bewijsuitsluiting van hetgeen verdachte toen heeft verklaard. Het hof zal echter de toen afgelegde verklaring niet voor het bewijs bezigen. De wijze waarop het Openbaar Ministerie in juni 2016 melding heeft gemaakt van de beslissing tot het seponeren van de vervolging in de achttien andere zaken waarover verdachte is gehoord. De verdediging heeft verder gesteld dat het Openbaar Ministerie de rechten van verdachte heeft geschonden door in strijd met de – nieuwe - Aanwijzing zeden (2016A004) die op 1 mei 2016 in werking is getreden, in samenhang bezien met de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging (2012A009) niet actief, bijvoorbeeld door middel van een persbericht, naar buiten heeft gebracht dat verdachte niet langer als verdachte werd aangemerkt in de overige achttien zaken. Het hof constateert dat de officier van justitie bij beslissing van 17 mei 2016 aan verdachte heeft meegedeeld dat hij niet verder wordt vervolgd ter zake van de achttien andere feiten, waarover hij is gehoord, en dat de advocaat-generaal ter openbare terechtzitting van 10 juni 2016 heeft gemeld dat het niet op grond van tactisch onderzoek heeft besloten om de achttien overige zaken niet aan de rechter voor te leggen, maar vanwege het ontbreken van forensisch bewijs. Er is dus publiekelijk tegenover de rechter melding gemaakt van het niet vervolgen van verdachte voor de andere achttien feiten. Wat daarvan ook verder zij, het door de verdediging opgeworpen punt is naar zijn aard geen reden voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verdachte ter zake van de vier tenlastegelegde feiten. Hoogstens kan dit punt een rol spelen bij een eventuele straftoemeting voor die feiten. De hiervoor besproken afzonderlijke punten vormen elk op zichzelf geen grond om aan te nemen dat het Openbaar Ministerie – al dan niet - in het voorbereidend onderzoek ernstig inbreuk zou hebben gemaakt op de beginselen van goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling tekort is gedaan, tezamen vormen zij dat evenmin, ook niet als daar de verdere opsporing en vervolging van verdachte bij wordt betrokken. Met betrekking tot de procedure nadat de zaak in eerste aanleg ter terechtzitting was aangebracht, merkt het hof op dat vanaf dat moment het verdere onderzoek heeft plaatsgehad onder rechterlijke controle. Zoals het hof in zijn tussenarrest van 6 juli 2016 heeft overwogen, is het enkele feit dat de rechtbank een groot deel van de onderzoekswensen van de verdediging niet heeft gehonoreerd, op zichzelf geen reden om aan te nemen dat er geen sprake is geweest van een eerlijk proces. De rechtbank heeft overeenkomstig haar taak op de verzoeken beslist en bovendien de afwijzing gemotiveerd. Die afwijzing kan in de ogen van de verdediging niet juist zijn (of het hof kan tot een ander oordeel komen), maar ook dat is op zichzelf geen reden om aan te nemen dat er geen sprake is geweest van een eerlijk proces in eerste aanleg. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat verdachte recht heeft op berechting in twee feitelijke instanties en dat het systeem van de wet is dat de behandeling in hoger beroep mede dient om eventuele onvolkomenheden bij de behandeling in eerste aanleg, voor zover die niet uitdrukkelijk met nietigheid zijn bedreigd, te herstellen. Verdachte heeft van dat recht gebruik gemaakt door (vrijwel) alle afgewezen onderzoeksvragen in hoger beroep opnieuw te stellen en vervolgens naar aanleiding van de antwoorden op dat tussenarrest van het Openbaar Ministerie een groot aantal nadere vragen te stellen (terwijl ook bij pleidooi nog vragen zijn gesteld). Het hof heeft op eerstgenoemde vragen bij tussenarrest van 6 juli 2016 en later op de nadere vragen ter terechtzitting van 26 september 2016 gemotiveerd beslist (en zal in dit arrest op de deels herhaalde vragen bij pleidooi gedaan beslissen). Ook hier geldt dat het enkele feit dat het hof een groot deel van de onderzoekswensen van de verdediging niet heeft gehonoreerd, op zichzelf geen reden is om aan te nemen dat er geen sprake is geweest van een eerlijk proces. Dat de verdediging het niet eens is met die afwijzingen maakt dat niet anders. Mocht de verdediging van mening zijn dat afwijzingen door het hof niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen dan kan verdachte dit binnen de daarvoor - in de wet en de jurisprudentie - gegeven mogelijkheden en kaders door middel van cassatie bij de Hoger Raad aan de orde stellen. Het hof verwerpt dan ook het verzoek van de verdediging om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn strafvervolging van verdachte. Verzoeken tot nader onderzoek De verdediging heeft, zo begrijpt het hof, in het kader van de bewijsvraag – meer subsidiair - vier verzoeken gedaan: het benoemen van een onafhankelijk DNA-deskundige om aan de hand van het consensusmethode uit het spoor dat in feit 1 is aangetroffen, een DNA-profiel op te stellen en dat te vergelijken met het profiel van verdachte; een herhaald verzoek tot het horen als getuige van verbalisanten en de NFI-rapporteur die bij het veiligstellen en verder, naar het hof verstaat, van de sporen met DNA betrokken zijn geweest; een herhaald verzoek tot door de verdediging eerdere gedane en afgewezen verzoeken tot het horen als getuige van verbalisanten en het verkrijgen van nadere informatie in het Heidepark onderzoek dossier; een verwijzing naar de raadsheer-commissaris om in overleg met de verdediging al datgene te doen dat nog in het belang van het onderzoek nodig wordt geacht. De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot afwijzing van deze verzoeken. Ad 1 ) het benoemen van een onafhankelijk DNA-deskundige Het hof constateert dat dit verzoek, dat betrekking heeft op feit 1, zich bij uitstek leent om ter gelegenheid van een regiezitting aan het hof voor te leggen. De regiezitting van het hof was op 10 juni 2016. De verdediging heeft dat verzoek toen niet gedaan. De feiten en omstandigheden die de verdediging thans aanvoert ter onderbouwing van het verzoek, waren alle ten tijde van de regiezitting bekend. Nadien zijn bij de behandeling van het hoger beroep geen - nieuwe - feiten of omstandigheden naar voren gekomen die het verzoek alsnog opportuun maken. Door een verzoek van deze aard pas bij pleidooi in hoger beroep te doen (ook al gebeurt dat als een meer subsidiair, anders gezegd voorwaardelijk verzoek), handelt de verdediging in strijd met de beginselen van goede procesorde. Het hof zal reeds daarom het verzoek afwijzen. Overigens is het hof van oordeel dat de rapportage van het NFI met betrekking tot het DNA onderzoek inzake feit 1, de daarop betrekking hebbende rapportage van de deskundige Herbergs en de verhoren van de deskundigen Kloosterman en Herbergs door de rechter-commissaris en door de rechtbank niet nopen tot een (extra) contra-expertise op basis van de consensusmethode. Het hof begrijpt de uitkomst van het onderzoek van het NFI aldus: dat in spoor AXA901#02 (stringente lysisfractie) een onvolledig Y-chromosomaal DNA-profiel van een man is aangetroffen, dat dit van verdachte afkomstig kan zijn en dat dit onvolledige profiel nog 6x voorkomt in de Y-Chromosome Haplotype Reference Database (YHRD) die wordt beheerd door de Humboldt University in Berlijn; dat in spoor AXA901#02 (milde lysisfractie) een onvolledig Y-chromosomaal DNA-profiel van een man is aangetroffen, dat dit van verdachte afkomstig kan zijn, en dat dit onvolledige profiel nog 11x voorkomt in de YHRD; dat in spoor AXA901#03 (stringente lysisfractie) een onvolledig Y-chromosomaal DNA-profiel van twee mannen is aangetroffen, dat verdachte een van de celdonoren kan zijn; dat in spoor AXA901#03 (milde lysisfractie) een onvolledig Y-chromosomaal DNA-profiel van een man is aangetroffen, dat dit van verdachte afkomstig kan zijn en dat dit onvolledige profiel nog 103 x voorkomt in de YHRD. Er waren in deze sporen geen kenmerken die niet overeenkwamen met het DNA-profiel van verdachte ofwel er was geen contra-indicatie. De verbale waarschijnlijkheidsuitspraak in het NFI-rapport ten aanzien van verdachte is op genoemde frequentie gebaseerd. De deskundige Herbergs heeft bevestigd dat vergelijking van onvolledige Y-chromosomale DNA-profielen met de YHRD de gebruikelijke methode is.Het hof heeft kennis genomen van de uitzetting over de YHRD in het rapport van het NFI van 16 januari 2015. Deze uiteenzetting staat in deze procedure niet ter discussie. De deskundige Herbergs heeft verklaard dat hij dezelfde methodiek als het NFI zou hebben gebruikt, maar de match op basis van het consensusprofiel zou hebben vastgesteld, dat de profielen die het NFI heeft gebruikt weliswaar onvolledig zijn, maar dat deze alle matchen met het DNA-profiel van verdachte. De deskundige Herbergs heeft verder verklaard dat hij uit de notatie “9kV” bij de onvolledige Y-chromosomale DNA-profielen opmaakt dat het NFI de LCN-methode bij het Y-chromosomale DNA-onderzoek heeft toegepast, en dat bij het gebruik van de LCN-methode het opstellen van een consensus-profiel wordt aanbevolen. De deskundige Kloosterman heeft uiteengezet dat de notatie “9kV” weliswaar duidt op het gebruik van een meer gevoelige techniek, maar dat deze techniek niet dezelfde is als de LCN-methode omdat daarbij ook gebruik wordt gemaakt van hyperamplificatie en dat het NFI die techniek nooit toepast bij Y-chromosomale DNA-onderzoek, maar alleen bij autosomaal DNA-onderzoek. De deskundige Herbergs verklaart vervolgens dat hij blijft bij zijn opvatting dat gebruik had moeten worden gemaakt van de consensusmethode en dat het voor hem niet uitmaakt dat de “9kV”-methode is gebruikt. Daarop antwoordt de deskundige Kloosterman dat het NFI niet met die methode heeft gewerkt, dat je met die methode materiaal weggooit en dat het NFI liever elk kenmerk in ogenschouw neemt. Verder verklaart hij dat het NFI beschikt over statistische tools om alle informatie uit de profielen te kunnen gebruiken en dat het NFI rekening kan houden met de kans op artefacten. Voorts verklaart hij dat hij bij het Y-chromosomale DNA-onderzoek van alle profielen heeft genoemd hoe vaak deze in de databank voorkomen, dat hij daarmee alles heeft gerapporteerd wat er is, en dat er bij die profielen geen reden was om ervan uit te gaan dat er sprake zou kunnen zijn van artefacten. Naar het oordeel van het hof heeft de deskundige Kloosterman afdoende uiteengezet waarom het NFI geen gebruik heeft gemaakt van het consensusmodel, terwijl door de verklaring van de deskundige Herbergs niet aannemelijk wordt dat het DNA-onderzoek van het NFI door die methode niet te gebruiken, niet valide of onbruikbaar zou zijn. Aan het hof is al met al niet de noodzakelijkheid gebleken van een nader DNA-onderzoek met betrekking tot de hiervoor genoemde sporen met gebruikmaking van de consensusmethode. Daarin brengt geen verandering dat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, het signalement van de dader dat aangeefster heeft gegeven, op onderdelen niet overeenstemt met het politiesignalement van 7 december 1995 en de foto’s van verdachte die zich in het dossier bevinden. Dit punt is relevant bij de bewijsvraag of verdachte de dader is geweest, maar verandert op zichzelf niet de uitkomst van het DNA-onderzoek en geeft ook geen aanleiding te veronderstellen dat dit onderzoek ondeugdelijk zou zijn (uitgevoerd), waarbij het hof erop wijst dat die uitkomst is verwoord in waarschijnlijkheden. Zowel die uitkomst als de discrepanties in het signalement zijn factoren die het hof bij de beantwoording van de bewijsvraag zal moeten wegen. Het hof merkt overigens reeds hier op dat aangeefster het signalement heeft opgegeven na een buitengewoon stresserende en emotionele gebeurtenis te hebben ondergaan, zodat met het feit dat zij niets zegt over een snor bij de dader en dat volgens haar de dader accentloos Nederlands sprak, behoedzaam moet worden omgegaan. Het hof zal dan ook - ten overvloede - het verzoek ook om inhoudelijke redenen afwijzen. Tenslotte merkt het hof op dat de veronderstelling van de verdediging dat uit de vergelijking met de YHRD hele andere getallen zouden kunnen komen als het volledige DNA-profiel van verdachte zou zijn gebruikt, miskent dat niet het DNA-profiel van verdachte is vergeleken, maar de in de sporen aangetroffen onvolledige Y-chromosomale DNA-profielen en dat een vollediger DNA-profiel (met daarin dus ook dezelfde kenmerken als in het onvolledige profiel) niet kan leiden tot meer dan de gevonden 6, 11 en 103 matches maar alleen tot (evenveel
- of)minder matches. De andere profielen in de databank voldoen immers niet aan (de kenmerken van) de drie profielen en dat verandert niet door een vollediger profiel. Ad 2) Het horen als getuige van verbalisanten en de NFI-rapporteur die bij het veiligstellen en verder, naar het hof verstaat, van de sporen met DNA betrokken zijn geweest. Zoals de verdediging aangeeft, heeft zij dit verzoek eerder gedaan Zij verwijst naar de toen door haar gegeven motivering. De verdediging noemt echter geen namen van verbalisanten, zodat het hof die zelf heeft gedestilleerd. Het hof begrijpt het herhaald verzoek aldus dat het ziet op het horen als getuigen van de verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (vragen 28, 29, 30 en 31 regiezitting). Wat betreft de NFI-onderzoeker begrijpt het hof het verzoek aldus dat het ziet op het horen als getuige van de NFI-onderzoeker die het opwaarderen heeft gedaan (vraag 32 regiezitting). Het hof heeft die verzoeken in zijn tussenarrest van 6 juli 2016 afgewezen. De verdediging verwijst naar de eerder gegeven motivering zonder tot een aanvulling te komen van die motivering. Het hof ziet geen aanleiding om op de eerder gegeven beslissingen terug te komen en verwijst op zijn beurt naar de in het tussenarrest gegeven motivering. Het hof merkt nog op dat de verdediging weliswaar op verschillende plaatsen in haar pleidooi wijst op de mogelijkheid van contaminatie, maar zij blijft daarbij steken in veronderstellingen. De verdediging maakt niet aannemelijk dat er contaminatie heeft plaatsgevonden. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de DNA-sporen die naar verdachte wijzen, door middel van contaminatie in de onderzochte bemonsteringen zijn terechtgekomen. Bij de feiten 2 en 3 is bij autosomaal DNA-onderzoek van de spermasporen in het slipje respectievelijk het schedevocht van aangeefsters een match met het DNA van verdachte gevonden. Bij feit 4 is bij autosomaal DNA-onderzoek van een spoor op de jurk van aangeefster een match met het DNA van verdachte gevonden en bij feit 1 is bij Y-chromosomaal DNA-onderzoek van sporen in het inlegkruisje in het slipje van aangeefster een (gedeeltelijke) match met het Y-chromosomaal DNA van verdachte gevonden. De feiten hebben op vier verschillende locaties plaatsgevonden. De sporen zijn op vier verschillende momenten door verschillende personen veiliggesteld en op verschillende momenten aan het NFI opgezonden en daar onderzocht. De sporen zijn steeds aangetroffen op aan het feit relateerde plaatsen en betreffen aan die feiten gerelateerd materiaal. Zelfs als in aanmerking wordt genomen dat de wijze van veiligstellen en verwerken met minder waarborgen was omkleed dan heden ten dage, dan moet nog steeds aannemelijk worden dat DNA-materiaal van verdachte of met hem matchend DNA-materiaal na het desbetreffende feit in die sporen/bemonsteringen is terechtgekomen. Daar is echter, als gezegd, geen aanwijzing of aannemelijke verklaring voor. De deskundige Kloosterman verklaart op dit punt dat het NFI bij old cases en cold cases steeds rekening houdt met de mogelijkheid van contaminatie en dat de kans dat het profiel dat voorkomt in drie verschillende zaken die op verschillende momenten zijn binnenkomen en op verschillende momenten zijn onderzocht, het resultaat van contaminatie kan zijn, klein is. Met betrekking tot feit 1 merkt het hof nog op dat [verbalisant 4] weliswaar niet relateert dat hij behalve een slipje ook een (zich daarin bevindend) inlegkruisje heeft veiliggesteld en in beslag heeft genomen, maar dat wil niet zeggen dat zich in het slipje geen inlegkruisje heeft bevonden. Het hof kan zich zeer wel voorstellen en vindt het geenszins onbegrijpelijk dat een verbalisant slip en inlegkruis als een samenhangend geheel ziet en niet apart relateert dat zich in het slipje een inlegkruisje bevond. Het hof constateert in dit verband dat het slipje en het inlegkruisje hetzelfde identiteitszegel hebben gekregen hetgeen als een bevestiging kan worden gezien dat zij als een samenhangend geheel zijn beschouwd. Met betrekking tot feit 3 heeft de verdediging nog aangevoerd dat [verbalisant 5] de door aangeefster gedragen kleding in afzonderlijke papieren zakken heeft gedaan maar dat dit – volgens de verdediging - niet de juiste wijze van behandelen lijkt (onderstreping hof) te zijn geweest omdat zulke natte kledingstukken om het DNA goed te houden juist niet in papieren zakken moeten worden bewaard maar in een zak met slootwater. Het hof merkt in de eerste plaats op dat de kledingstukken niet in een sloot zijn aangetroffen, zodat bewaren in (het desbetreffende) slootwater sowieso niet was aangewezen. Verder wijst het hof erop dat Kloosterman op de vraag of contaminatie zou kunnen ontstaan als het bewijs in een papieren zak wordt bewaard, antwoordt dat daarmee in zijn ogen de draak wordt gestoken met papieren zakken en dat die de beste manier zijn om (het hof begrijpt: sporen met) DNA te verpakken. Het slechtste wat je volgens hem met DNA-bemonsteringen kunt doen, is deze in een afgesloten plastic zak verpakken en naar het NFI brengen. Een papieren zak is volgens hem volgens voorschrift. Het materiaal kan daarin ventileren en het DNA blijft enkele tientallen jaren goed. De verdediging heeft met betrekking tot feit 4 gewezen op het pornoboekje dat is veiliggesteld, en gesteld dat niet is uitgesloten dat dit van verdachte afkomstig zou zijn. Dat laatste is echter geenzins aannemelijk geworden. Verdachte heeft zelf niet verklaard dat het van hem is. Ook ter terechtzitting van het hof heeft hij op de vraag hoe in de vier feiten contaminatie heeft kunnen plaatsvinden geen antwoord willen geven. De stelling van de verdediging blijft steken in het opperen van een niet onderbouwde, althans niet aannemelijk geworden mogelijkheid. Aan het hof is al met al niet de noodzakelijkheid gebleken om genoemde verbalisanten en/of deze NFI-onderzoeker alsnog als getuige te horen. Ad 3) Het horen als getuige van verbalisanten en het verkrijgen van nadere informatie in het Heidepark onderzoek/dossier. De verdediging stelt dat zij dit verzoek eerder heeft gedaan en verwijst naar de door haar eerder gegeven motivering. Het hof constateert echter dat tijdens de regiezitting weliswaar verzoeken zijn gedaan met betrekking tot het Heidepark-onderzoek maar die luiden anders. Hoe dan ook, in deze fase van het geding mag van de verdediging worden verlangd dat verzoeken tot het horen van getuigen zijn voorzien van de namen van te horen personen en van een concrete onderbouwing. Hetzelfde geldt voor het verzoek tot het verkrijgen van nadere informatie over het Heidepark-onderzoek. Ook dit is niet geconcretiseerd. Met een verwijzing naar een eerdere motivering waarbij aan het hof wordt overgelaten om te achter halen wat die motivering kan zijn, kan niet worden volstaan en er is aldus geen sprake van een motivering die voldoet aan de daaraan in deze fase te stellen eisen. Aan het hof is daarom de noodzakelijkheid van dit nadere onderzoek inzake het Heidepark-onderzoek niet gebleken. Het hof heeft neemt daarbij in aanmerking dat hij in zijn tussenarrest van 6 juli 2016 op verschillende verzoeken met betrekking tot het Heideparkdossier afwijzend heeft beslist. Het hof ziet geen aanleiding om op die beslissingen terug te komen en verwijst op zijn beurt naar de in het tussenarrest gegeven motivering. Ad 4) Een verwijzing naar de raadsheer-commissaris om in overleg met de verdediging als datgene te doen dat nog in het belang van het onderzoek nodig wordt geacht. Tenslotte heeft de verdediging nog verzocht om een verwijzing naar de raadsheer-commissaris. Voor zover dit verzoek is gerelateerd aan de hiervoor besproken verzoeken tot onderzoek wijst het hof het verzoek af omdat die verzoeken worden afgewezen. Indien en voor zover het verzoek betrekking heeft op ander onderzoek concretiseert de verdediging op geen enkele wijze wat zij wil onderzoeken. Het komt in zoverre neer op een soort open verwijzing waarbij de verdediging nog zal aangeven wat onderzocht moet worden. Aan het hof is de noodzakelijkheid van dit andere onderzoek niet gebleken. Het hof zal het verzoek ook in zoverre afwijzen Overwegingen met betrekking tot het bewijs Standpunt van het openbaar ministerie Feiten 1, 2, 3 en 4 Het openbaar ministerie heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de bewijsoverwegingen met verwijzing naar de bewijsmiddelen zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank. Kort samengevat betekent dit dat tot bewezenverklaring van de vier feiten kan worden geconcludeerd op grond van de aangiften en de DNA-matches, waarvoor geldt dat contaminatie niet aannemelijk is geworden. Een en ander vindt bevestiging in het feit dat de vier verkrachtingen sterke overeenkomsten vertonen wat betreft de plaats van de verkrachtingen, de wijze van benaderen van de slachtoffers, het dreigen met een mes, de wijze van toespreken van de slachtoffers, het naar een andere locatie leiden van slachtoffers en de seksuele handelingen. Daarbij komt dan ook nog het gedrag van verdachte rond de DNA-afname en het geen uitleg willen geven voor de DNA-matches terwijl dit wel om een uitleg vraagt. Standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat het hof niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Feit 1 Met betrekking tot het veiligstellen en onderzoeken van een sporendrager op DNA kunnen drie stadia van behandeling worden onderscheiden, te weten het activiteiten-, bron-, en delictniveau. Met betrekking tot dit feit bestaan volgens de verdediging op alle drie de niveaus dusdanige onduidelijkheden dat het onderzoeksresultaat van het DNA-onderzoek van de sporen in het inlegkruisje niet kan meewerken tot bewijs. Wat betreft het activiteitenniveau is de verdediging van mening dat verbalisant [verbalisant 4] bij het veiligstellen/inbeslagnemen van het inlegkruisje de destijds geldende “Aanwijzing voor de werkwijze slachtoffer onderzoek 1995/1996” niet heeft nageleefd. Hij heeft immers in geen enkel document melding gemaakt van het feit dat hij (apart) een inlegkruisje heeft veiliggesteld en in beslag genomen of dat zich in het slipje een inlegkruisje bevond. Gelet op de verklaring van aangeefster dat zij niet vaginaal is gepenetreerd door de dader en dat ze niet weet of hij is klaargekomen en gelet op het feit dat op het slipje noch op het T-shirt sperma is aangetroffen, is er reden te meer om voor de vraag of het inlegkruisje wel in deze zaak thuis hoort. Aangeefster heeft verklaard twee jaar geen seks te hebben gehad, maar toch is in een van de sporen een mengprofiel van twee mannen aangetroffen. Dit betekent volgens Kloosterman dat meer dan een man heeft bijgedragen aan de bemonstering. Kloosterman sluit in dat kader contaminatie niet helemaal uit. Deze zou kunnen zijn veroorzaakt bij het medisch onderzoek, de politie of zelf op het laboratorium. Nu de sporendragers niet naar behoren zijn veiliggesteld, kan ook contaminatie gedurende de jaren 1995 tot en met 2014 niet worden uitgesloten. Ook op bronniveau kan aan het NFI-rapport van 16 januari 2015 geen bewijswaarde worden toegekend. In het spoor AXA901#02 (een bloedspoor) wordt, zowel in de spermafractie (SF) als de milde lysisfractie (NF) een autosomaal DNA-profiel aangetroffen van aangeefster 1 en een onvolledig Y-chromosomaal DNA profiel aangetroffen van één man. Het onvolledig Y-chromosomaal DNA-profiel gevonden in AXA901#02 (SF) kwam 6x voor in de database. De verdediging gaat er vanuit dat in AXA901#02 (SF) de LCN-methode is toegepast, nu Kloosterman niet verklaart dat die methode niet is gebruikt, het NFI voor die methode is gevalideerd, Herbergs verklaart dat de LCN (9kV) methode is toegepast, er meer analyses zijn uitgevoerd en ook bij de AXA901#01 SF deze LCN-methode is toegepast. Kloosterman geeft aan dat dit niet de juiste methode is. Daarom is dit DNA-profiel en daarmee de daarop gebaseerde waarschijnlijkheidsuitspraak niet bruikbaar voor bewijs. Daarbij komt dat Herbergs en Kloosterman het niet eens zijn over de gehanteerde methode die is gebruikt om DNA-profielen, gebruikt voor eerder genoemde rapportage, vast te stellen. Deskundige Herbergs geeft aan dat je moet werken met een zogenaamd consensusprofiel. Deze methode is echter niet gebruikt. Op delictniveau zijn de hypothesen in het rapport niet juist gesteld. Het onvolledige Y-chromosomale DNA-profiel komt 6x, 11x en 103x voor in de database. Blijkens het NFI-rapport is echter ook van belang te weten hoe zeldzaam het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte is, dat wil zeggen hoe vaak het voorkomt in de database. De zeldzaamheid van het DNA-profiel van verdachte is niet bekend, enkel de zeldzaamheid van het onvolledige DNA-profiel dat verdachte niet uitsluit. De hypothesen die zijn gebruikt voor de verbale waarschijnlijkheidsuitspraken spreken over het “volledige DNA-profiel van verdachte” terwijl de zeldzaamheid daarvan niet bekend is. De hypothesen kunnen dan ook niet worden gesteld op de persoon van verdachte. Volgens de verdediging kan daarom geen bewijs worden ontleend aan de verbale waarschijnlijkheidsuitspraken in het NFI-rapport en daarmee ook niet aan het rapport zelf. Voor het geval het hof het rapport en de hypothesen bruikbaar mocht achten voor het bewijs, heeft de verdediging erop gewezen dat een verbale waarschijnlijkheidsuitspraak minder nauwkeurig is dan een getalsmatige uitspraak. De waarschijnlijkheidsuitspraken in het rapport hebben een grote marge. De verdediging geeft daarvoor een eigen berekening van de waarschijnlijkheid en is van mening dat het rapport dan ook onvoldoende is om tot het bewijs te dienen. Voor het geval het hof de onderzoeksmethoden en de hypothesen van het rapport zou volgen, heeft de verdediging erop gewezen dat alle mannen in de mannelijke lijn van verdachte exact hetzelfde Y-chromosomaal DNA-profiel hebben. Tenslotte heeft wijst de verdediging erop gewezen dat het signalement dat aangeefster 1 geeft van de dader niet overeenkomt met het signalement van verdachte in 1995. Zo verklaart zij niets over een snor terwijl verdachte toen snor dragend was en verklaart zij niets over een Utrechts accent. De verdediging komt tot de conclusie dat er onvoldoende bewijs is voor een veroordeling van verdachte voor feit 1. Feit 2 Uit de zich in het dossier bevindende stukken wordt volgens de verdediging onvoldoende duidelijk of de sporen met betrekking tot dit feit, waaronder AXA906/slipje, op de juiste wijze zijn veiliggesteld, in beslag genomen, bewaard en onderzocht. Zo valt uit geen enkel document af te leiden op welke tijdstip precies het medisch onderzoek heeft plaatsgehad en waar, wanneer en van wie verbalisant [verbalisant 7] de zedenkit en de kleding van aangeefster heeft ontvangen en wanneer hij de in beslag genomen objecten heeft aangeleverd aan het Gerechtelijk Laboratorium. Ook over de wijze van verpakken is niets bekend. De verdediging is dan ook van mening dat de DNA-rapportage(
- s)met betrekking tot dit feit buiten beschouwing moet worden gelaten. Feit 3 Ook met betrekking tot dit feit wordt volgens de verdediging uit de zich in het dossier bevindende stukken onvoldoende duidelijk of de sporen op de juiste wijze zijn veiliggesteld, in beslag genomen, bewaard en onderzocht. Zo blijkt bijvoorbeeld niet hoe de kledingstukken waren verpakt toen verbalisant [verbalisant 5] deze ontving van [verbalisant 6] . Ook zijn de kledingstukken in (afzonderlijke) papieren zakken gedaan terwijl zulke natte kledingstukken zoals blijkt uit de literatuur niet in een papieren zak moeten worden bewaard, maar in een zak met slootwater. Voorts ontbreekt met betrekking tot dit feit het bevel van de officier van justitie tot opwaarderen van het DNA-profiel in 2001. Ook hier kan het totale verloop van het (sporen)onderzoek niet naar behoren worden gecontroleerd, waardoor niet is vast te stellen dat dit conform de wettelijke regelingen heeft plaatsgevonden De verdediging is dan ook van mening dat de DNA-rapportage(
- s)met betrekking tot dit feit buiten beschouwing moet worden gelaten. Feit 4 Ontlastend spoor Bij dit feit is op de jurk van aangeefster een DNA-spoor aangetroffen dat matcht met dat van verdachte. De rechtbank heeft echter een ander spoor met DNA genegeerd. Dat spoor is volgens de verdediging een veel sterker daderspoor dan op de jurk. Het spoor is aangetroffen in en rond de vagina van aangeefster. In dit spoor zijn spermakoppen waargenomen. Aangeefster verklaart dat zij twee weken geen seks heeft gehad en dat zij vocht in haar schaamstreek voelde en vermoedde dat dit sperma van de dader was. Volgens de verdediging rest daarmee een conclusie, namelijk dat dit spermaspoor (met spermakoppen) afkomstig is van de dader. Bij DNA-onderzoek van dit spoor, waarbij het (autosomale en Y-chromosomale) DNA-profiel van verdachte is betrokken, is geen match met verdachte gekomen, maar wel is op een van de uitstrijkjes een onvolledig Y-chromosomaal DNA-profiel van een onbekende man aangetroffen. Volgens de verdediging is het spermaspoor van het uitstrijkje 100% delictgerelateerd en is verdachte dus niet de dader van dit feit. Nu het spoor op het uitstrijkje niet afkomstig kan zijn van verdachte, is grote voorzichtigheid geboden bij het interpreteren van het spoor op de jurk. De deskundigen zijn van mening dat het veel waarschijnlijker is dat het spoor op de jurk spermavloeistof bevat dan dat het gaat om DNA uit andere lichaamsstoffen. Gezien de sterilisatie van verdachte zou dit betekenen dat het spoor op de jurk niet door handelen van verdachte op de jurk is gekomen Volgens de verdediging zijn er zware aanwijzingen voor contaminatie. Zij wijst daarbij op een pornoboekje dat zich volgens haar tussen de sporendragers van dit feit bij het NFI bevindt. In het dossier is niet terug te vinden waar en hoe dit pornoboekje is veiliggesteld, inbeslaggenomen en/of aan het NFI voor onderzoek is aangeleverd en ook niet dat dit in de zaak van aangeefster 4 is gebeurd. De verdediging stelt dat niet uitgesloten kan worden dat het pornoboekje van verdachte is en dat hij over pornoboekjes beschikte. Van belang is nog dat blijkens een ongenummerd conceptverslag van een van de bij de intake betrokken medewerkers van het NFI het aangetroffen materiaal ernstig was vervuild en verdere opwerking nodig was. Volgens de verdediging moet, in aanmerking genomen de sterilisatie van verdachte, het spoor op de jurk daarop door contaminatie zijn terechtgekomen. Naar de mening van de verdediging is het spoor op de jurk van aangeefster 4 niet bruikbaar voor het bewijs. Het rapport van het NFI levert volgens de verdediging in zijn geheel bezien ontlastend bewijs op. Andere ontlastende feiten en omstandigheden Voorts heeft de verdediging nog andere feiten of omstandigheden aangevoerd die er toe leiden dat verdachte moet worden uitgesloten als dader van feit 4. Het DNA dat is aangetroffen op de tie-rips die de dader heeft gebruikt, matcht niet met dat van verdachte, terwijl aangeefster heeft verklaard dat de dader geen handschoenen droeg. Het dactyloscopisch spoor dat is aangetroffen op de tape die de dader heeft gebruikt, is niet van verdachte terwijl aangeefster heeft verklaard dat de dader blote handen had. Aangeefster heeft een beschrijving gegeven van de helm die de dader droeg, maar een aan haar getoonde helm heeft zij niet herkend, de door haar beschreven helm is niet bij verdachte aangetroffen. de helm die verdachte op 18 augustus 2002 droeg voldeed niet aan de helm in de drie zaken van 2001, en op een van de schuur van verdachte genomen foto staat een dergelijke helm niet. Verder verklaren getuigen dat verdachte nooit een helm heeft gehad. Verdachte zelf heeft verklaard: “Heb met helm en zonder helm gehad. Met helm heb ik niet zo lang gehad”. Volgens de verdediging volgt hieruit dat verdachte niet zo lang een helm heeft gehad en niet over een helm heeft beschikt die is gebruikt door de dader(
- s)van de verkrachtingen in 2001. Verder heeft aangeefster 4 een beschrijving gegeven van de scooter. Zij heeft vervolgens bij de politie scooters aangewezen. Deze lijken niet op de scooter die verdachte in 2001/2002 heeft gebruikt. Nog afgezien van de kleur, wijkt het model zodanig af dat de scooter die verdachte bezat, niet de scooter kan zijn die aangeefster heeft omschreven als de scooter waarop zij moest plaatsnemen. Ook het signalement dat aangeefster heeft gegeven van de dader, wijkt verder af van de beschrijving van verdachte in 2002 door de politie. Verdachte droeg in de tijd van feit 4 een snor en een ringbaardje maar daarover heeft aangeefster niets verklaard. Bovendien heeft zij niets verklaard over het missen van het topje van de rechterwijsvinger van verdachte terwijl zij wel heeft verklaard dat hij korte nagels en geen witte randen had. Het onderzoek naar het mogelijk aanstralen van de masten rond de pleegplaatsen van de drie zaken in 2001 waarbij de telefoonnummers van verdachte betrokken zijn, heeft jegens verdachte geen positief resultaat opgeleverd. De verdediging heeft er verder op gewezen dat drie feiten in 1995 en een 2001 hebben plaatsgehad. Het antwoord op de vraag waarom de dader(
- s)van 1995/1996 vijf jaar hebben stilgezeten, is volgens de verdediging dat het niet gaat om dezelfde dader(s). Zij wijst daarbij naar een krantenartikel waarin professor Van Marle het abnormaal vindt dat een verkrachter na vijf jaar weer actief wordt. Tenslotte heeft de verdediging aangevoerd dat de modus operandi bij feit 4 sterk afwijkt van die bij de andere drie feiten, bijvoorbeeld wat betreft het vastbinden, knevelen en geboeid achterlaten. Ook de tijdstippen in 1995 wijken van het tijdstip van feit 4. Bij de andere drie feiten vindt daarnaast de verkrachting plaats kort nadat de dader het slachtoffer heeft vastgepakt, maar bij feit 4 rijdt hij een kwartier met haar rond. Verder wijkt de locatie van feit 4 af van de locatie van de andere drie feiten, heeft verdachte bij feit 4 het mes in zijn linker hand en vingert hij haar met zijn rechterhand terwijl hij dat bij de andere drie feiten precies andersom doet en is er bij feit 4 in tegenstelling tot de andere drie feiten geen sprake van orale seks. Voorts past het tijdstip waarop feit 4 heeft plaatsgehad volgens de verklaring van de ex-vrouw van verdachte niet bij het gebruikelijke gedrag van verdachte in die tijd. De verdediging komt al met al tot de conclusie dat verdachte feit 4 niet heeft begaan. Feiten 1, 2, 3 en 4 De verdediging heeft nog een viertal punten genoemd die als ontlastend zouden moeten worden meegewogen. Verdachte mist een vingertopje, maar de vier aangeefsters hebben hiervan geen melding gemaakt. Aangeefster 2 heeft waargenomen dat de dader een witte boxershort met rode opdruk erop droeg. De ex-echtgenote van verdachte heeft echter verklaard dat verdachte in die tijd geen boxershort droeg en dat zij altijd Hema ondergoed voor hem kocht. De ex-echtgenote heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat verdachte nachtblind is, maar geen van de aangeefsters heeft verklaard te hebben bemerkt dat de dader moeite had met de duisternis. De ex-echtgenote heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat de fietsen die zij en verdachte hebben gehad, meestal voorzien waren van handremmen en versnelling en bovendien fietstassen hadden die niet gemakkelijk van de fiets konden worden afgehaald. Geen van de aangeefsters heeft echter verklaard dat de fiets van de dader was voorzien van handremmen, versnelling en/of fietstassen. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de inhoud van de processen-verbaal van de opsporingsambtenaar A-3843 van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat de resultaten onrechtmatig zijn verkregen. Indien deze processen-verbaal wel worden toelaten, kan daaraan volgens de verdediging geen enkele bewijswaarde worden ontleend, nu verdachte stellig heeft ontkend gezegd te hebben wat hij volgens opsporingsambtenaar A-3843 gezegd zou hebben, er niemand bij die gesprekken aanwezig is geweest, de processen-verbaal niet een letterlijke en chronologische weergave bevatten, geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de gesprekken op te nemen en de context waarin één en ander is gezegd, niet valt te controleren. Ten aanzien van de afgeluisterde gesprekken van verdachte met zijn ex-vrouw heeft de verdediging aangevoerd dat bepaalde passages in deze gesprekken moeten worden bezien en passen binnen zijn uitingen van schaamte over de verdenkingen en zijn wens contact te hebben met zijn ex-vrouw en zijn dochter. Die passages mogen zeker niet zo worden verstaan dat verdachte min of meer toegeeft bij (enkele) zaken betrokken te zijn. Wat betreft het gedrag van verdachte vlak voor zijn aanhouding stelt de verdediging zich op het standpunt dat dit niet als bewijsondersteunend kan worden gezien en mag worden gebruikt. Zijn gedrag rondom de afname van DNA verschilt op onderscheidende punten niet van zijn gedrag ervoor en waar dat wel het geval lijkt te zijn, is daarvoor een goede verklaring. Volgens een onderzoek van de laptop zou verdachte op 13 mei 2014 een site over Mirtazapine hebben bezocht, een middel dat wel wordt voorgeschreven bij depressiviteit, en ook verder naar medicinale middelen hebben gezocht, maar dat is mede gezien een dreigend ontslag alleszins verklaarbaar. Vanaf december 2013 had verdachte al last van spanningen, stress en depressiviteit. Op 15 of 16 mei 2014 heeft verdachte definitief te horen gekregen dat hij werd ontslagen. Dit verklaart het gedrag dat hij hierna volgens zijn ex-partner heeft vertoond:de zelfmoordpogingen op 17/18 mei 2014, het innemen van slaappillen en antidepressiva, foto’s met daarop pillen en sterke drank, appjes waarin hij aangaf dat hij het niet meer zag zitten en een einde aan zijn leven ging maken. Het “gegoogle” op de mobiele telefoon van verdachte op 2 en 3 juni 2014 voorafgaande aan de DNA-afname op 4 juni 2014 en het bezoeken op 5 juni 2014 van een site van de overheid op: “heb ik recht op een uitkering als ik naar de gevangenis ga”, is begrijpelijk te noemen, wetende/denkende dat hij al sinds 1995 als potentiele dader wordt gezien, en wetende van ernstige misslagen met DNA-bewijs in strafzaken. In dat licht is het begrijpelijk dat, als verdachte een bevel tot afname van DNA-ontvangt, op internet wordt gekeken op zoekwoorden “Utrechtse serieverkrachter ”. Met zijn wantrouwen is zijn gedrag daarom niet onbegrijpelijk, ook voor iemand die niet de werkelijke dader is. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen en zich daarop is blijven beroepen door een mede door politie en justitie veroorzaakt en intussen diepgeworteld wantrouwen. Zijn zwijgen kan daarom niet worden gebruikt als ondersteunend bewijs. Alleen in een prima facie-case (arrest Murray) kan het stilzwijgen van verdachte tot bewijs dienen. Daarvan is hier echter geen sprake. Tenslotte heeft de verdediging met betrekking tot gebruik van schakelbewijs betoogd dat noch het signalement noch de modus operandi op essentiële punten overeenkomen en als er al overeenkomsten zijn, deze niet zodanig onderscheidend zijn dat zij kunnen worden gebruikt als schakelbewijs. Oordeel hof Het hof gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden. In het bijzonder ten aanzien van feit 1 Aangifte Aangeefster van feit 1, geboren op [1968] , heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard. Op 5 september 1995 om 21:50 uur verliet ik het terrein van de Utrechtse Universiteit. Terwijl ik op de Bisschopsweg te De Bilt fietste, kwam plotseling een onbekende man naast mij fietsen. Ik voelde dat hij met zijn hand mijn lange haar direct vastpakte. Hij trok met zijn rechterhand op een dusdanige manier aan mijn haren dat mijn gelaat van hem werd afgekeerd. Ik stopte en stapte van mijn fiets, evenals hij. Ik voelde dat hij mij nog steeds vasthield met zijn rechterhand. Ik zag dat hij in zijn linkerhand een mes had. Ik hoorde de man zeggen: “Zet je fiets neer”. Ik hoorde de man zeggen: “Niet kijken of niet gillen want ik heb hier een mes. Als je doet wat ik zeg, gebeurt er niets. Als je gaat gillen, ga je eraan”. Toen hij tegen mij had gezegd: “Zet je fiets neer”, duwde hij mijn hoofd in de richting van de rechterzijde van de weg. Ik begreep hieruit dat ik die richting uit moest lopen. Hij trok mij aan mijn haren in de richting van een houten hek. Bij het hek gekomen maakte hij dit open. Het hek geeft toegang tot een soort veld. Ik zag dat we over gras liepen in de richting van struikgewas. Het was aardedonker. Terwijl hij mijn haren vast hield liepen wij door de struiken en bossages. Hij vroeg “Heb je geld hij je. Ik zei: “Nee, nou ja 5 gulden”. Ik hoorde hem zeggen: “Trek alles uit”. Terwijl hij dicht achter mij stond pakte hij met zijn handen mijn spijkerblouse vast en trok de drukknopen los. Direct daarna trok hij mijn T-shirt uit de bovenbroek. Met zijn rechterhand maakte hij vervolgens de riem los waarna bij de knoopjesgulp opende. Ik voelde dat hij met zijn vingers in mijn vagina binnendrong. Op hetzelfde moment zag ik lichten van een auto. Ik had de indruk dat de auto was gestopt nabij mijn fiets. Op hetzelfde moment trok de man mijn lichaam met zijn armen tegen zijn lichaam. Ik had de indruk dat de man mij van het zicht van de weg wilde afschermen. Ik zag dat hij het mes in zijn linkerhand vasthield. Hij zei de woorden: “Als je wat laat horen of zo, dan steek ik je neer”. Daarna reed de auto weg. De man zei vervolgens: “Doe je kleren uit”. Toen de auto was verdwenen voelde ik dat de man met zijn hand naar mijn geslacht ging en mij vingerde. Toen ik geheel naakt was vroeg de man mij: “Heb je wel eens gepijpt?”. Ik antwoordde: “Nee”. Hij reageerde daarop door te zeggen: “Dat zal ik je wel leren dan”. Hij draaide mij om en zei tegen mij ga daar maar zitten. Hij zei: “Zuigen”. Terwijl ik zijn lul in mijn mond had, bewoog de man met zijn onderlichaam. Daarna zei de man tegen mij de woorden: “Ga voorover op je buik liggen”. Hij drong met zijn lul binnen in mijn anus. Daarna zei hij: “Ga maar verder op je buik liggen”. Ik voelde dat hij voor de tweede keer met zijn lul in mijn anus binnendrong. Ik heb de man tijdens de verkrachting niet in zijn gezicht kunnen kijken. Daarom kan ik maar een beperkt signalement van de dader opgeven. Het signalement dat ik u van de dader kan geven luidt l.65 à 1.70 meter lang, een stevig postuur, kort haar. Forensisch onderzoek Verbalisant [verbalisant 4] heeft -zakelijk weergegeven- het volgende gerelateerd: Door de gynaecoloog van het Academisch Ziekenhuis Utrecht (hierna: AZU), dr. [gynaecoloog] , is een medisch onderzoek ingesteld bij aangeefster van feit 1. Na het onderzoek is door mij onder meer de volgende sporendrager verpakt en veiliggesteld: een slipje. Aan het slipje werd identiteitszegel AXA901 gekoppeld. Dit stuk van overtuiging is op de voorgeschreven wijze op 12 september 1995 aan het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk geleverd. Deskundige Kloosterman van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk vermeldt in het rapport d.d. 6 maart 1996 -zakelijk weergegeven- het volgende: Van het materiaal op het inlegkruisje dat zich in het kruis van het slipje met identiteitszegel AXA901 bevond, werden microscooppreparaten vervaardigd. In deze preparaten werden enkele cellen gezien die een sterke overeenkomst vertonen met de zogenaamde kop van de spermatozoön. Het materiaal in het inlegkruisje vertoonde een zwak positieve reactie op de aanwezigheid van het enzym zure fosfatase. De conclusie luidt dat in het materiaal op het inlegkruisje, dat zich bevond in het kruis van het slipje van het slachtoffer, een belangrijke aanwijzing werd gevonden voor de aanwezigheid van een geringe hoeveelheid sperma. Deskundige De Blaeij van het NFI vermeldt in het rapport d.d. 16 januari 2015 -zakelijk weergegeven- het volgende: Het restant van het inlegkruisje (AXA901) is onderzocht en in twee bemonsteringen veiliggesteld als AXA901#02 en AXA901#03. Deze veiliggestelde bemonsteringen zijn onderzocht op de aanwezigheid van sperma(vloeistof) met behulp van de PSA-test (Prostaat Specifiek Antigen). Deze test gaf voor beide bemonsteringen een positief resultaat. Het materiaal is onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek. Het autosomaal DNA-profiel van het slachtoffer van feit 1 en het autosomaal en Y-chromosomaal DNA profiel van de verdachte zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek. Het celmateriaal uit de stringente lysisfractie van bemonstering AXA901#02 en uit de milde lysisfractie van bemonsteringen AXA901#02 en AXA901#03 leverden een autosomaal DNA-profiel op van een vrouw dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer van feit 1 en een onvolledig Y-chromosomaal DNA-profiel van één man, dat afkomstig kan zijn van de verdachte. Voor het celmateriaal uit de stringente lysisfractie van bemonstering AXA901#02 geldt: de onderzoeksresultaten van het Y-chromosomaal DNA-onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker als het mannelijke celmateriaal in deze bemonstering afkomstig is van de verdachte of van een in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man dan wanneer het mannelijk celmateriaal is van een willekeurige gekozen niet in mannelijk lijn aan verdachte verwante man. Voor het celmateriaal uit de milde lysisfractie van bemonsteringen AXA901#02 en AXA901#03 geldt: de onderzoeksresultaten van het Y-chromosomaal DNA-onderzoek zijn veel waarschijnlijker als het mannelijke celmateriaal in deze bemonsteringen afkomstig is van de verdachte of van een in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man dan wanneer het mannelijk celmateriaal niet afkomstig is van verdachte, maar van een willekeurig gekozen niet in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man. De onvolledige Y-chromosomale DNA-profielen zijn op 15 januari 2015 vergeleken met Y- chromosomale DNA-profielen in de zogenoemde ‘Y chromosome Haplotype Reference Database’ (YHRD). Op die datum waren 84256 DNA-profielen in deze databank aanwezig en deze betreffen DNA-profielen van referentiemonsters van mannen uit verschillende en over de gehele wereld verspreide bevolkingsgroepen waaronder de Nederlandse bevolkingsgroep. Bij de vergelijking is gebleken dat de Y-Chromosomale DNA-profielen van het celmateriaal in deze sporen tussen de 6 en 103 keer in deze databank voorkomen. Deskundige Kloosterman heeft ter terechtzitting -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard: De onvolledige Y-chromosomale DNA-profielen die zijn opgemaakt kwamen respectievelijk 6, 11 en 103 keer voor in de YHRD databank. De in het rapport genoemde verbale waarschijnlijkheidsuitspraak is gebaseerd op deze getallen. Hierbij geldt dat het profiel wat het vaakst in de databank voorkwam, 103 keer, het minst volledige Y chromosomale profiel was. Aangeefster van feit 1 heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard. U vertelt mij dat er op het inlegkruisje van mijn slipje een spermaspoor werd aangetroffen. Als dit zo is dan kan dat spermaspoor alleen maar afkomstig zijn van de man door wie ik ben verkracht. Ik heb in de periode voor mijn verkrachting geen gemeenschap gehad met enig ander persoon. De laatste keer was zeker twee jaar geleden. In het bijzonder ten aanzien van feit 2 Aangifte Aangeefster van feit 2, geboren op 9 februari 1979, heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard. Op 15 september 1995 had ik tot 23:00 uur bij de jeugdherberg [jeugdherberg] gewerkt. Rond 23:25 uur ben ik naar mijn fiets gelopen. Toen ik over het fietspad in de richting van het Vagantenpad dat naar Bunnik gaat fietste, ben ik een man uit de tegenovergestelde richting tegengekomen. Er was geen verlichting. Ik ben het Vagantenpad richting Bunnik op gefietst. Ik werd ineens van achteren aan mijn paardenstaart getrokken. Ik voelde dat er stevig aan mijn paardenstaart werd getrokken en werd gedwongen te stoppen. Ik hoorde een man zeggen: “Stoppen bitch”. Ik zag een man met een lichtbruine panty over zijn hoofd. Ik hoorde de man zeggen: “Niks zeggen, geen kik geven, want ik heb een mes”, of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat de man een mes in zijn hand had. Hij toonde mij het mes. De man zei tegen mij: “Meekomen, bek houden”. “Nee, je moet gewoon je bek houden”. De man pakte me toen bij mijn linkerarm met zijn rechterhand vast. De man dwong mij mee te lopen het weiland in. De man zei: “Blijven staan, want ik heb een mes, ik kan je zo...”. Ik vroeg waarom doe je dit. Hij antwoordde: “Ja, ik word achterna gezeten”. Hij zei: “Ik wil nu dat je je bek dicht houdt”. Ik hoorde hem toen zeggen: “Ga liggen”. “Ga nou liggen en laat mij nou maar gaan”, of woorden van gelijke strekking. Hij zei toen: “Doe je broek uit”. Ik zei: “Ik ben maagd, dat kun je niet doen”. De man probeerde vervolgens mijn schoenen uit te trekken. Dat lukte niet. Hij zei: “Trek ze dan uit. Alles moet uit.” Ik heb toen mijn schoenen, mijn ribbroek en mijn onderbroek uitgetrokken. Ik lag toen weer op mij rug. De man voelde toen met zijn rechterhand aan mijn vagina. Daarbij ging hij ook met zijn vingers in mijn vagina. Ik zag dat hij een mes in zijn rechterhand had en in één beweging van onder naar boven mijn BH midden door sneed. Nadat de BH los was, voelde hij aan mijn linkerborst. Tegelijkertijd voelde hij ook aan mijn vagina. De man probeerde met zijn vingers steeds verder in mijn vagina te komen. De man haalde zijn penis uit zijn onderbroek. Ik zag dat hij zichzelf aftrok. Ik vroeg: “Gebruik je dan wel een condoom en ben je niet ziek”. Hij antwoordde: “dat doe ik nooit”. De man boog voorover en greep me met één van zijn handen bij mijn keel. Ik hoorde hem zeggen: “Ik doe wat ik wil”. Dit vastgrijpen gebeurde hard. Zijn duim drukte heel hard in mijn keel en deed ook flink zeer. Hij probeerde met zijn penis mijn vagina binnen te dringen. Ik heb hem intussen aangekeken. Ik wilde zijn gezicht zien en in me opnemen. De man had nog steeds die panty over zijn hoofd. Ik zag dat hij een slecht gebit had. Ik kon zijn gezicht verder niet zien. De man ging weer op zijn knieën zitten en trok zichzelf weer af. Nadat zijn penis stijf was, probeerde hij weer mijn vagina binnen te dringen. Hij probeerde op alle mogelijke manieren met zijn penis in mijn vagina te komen. Hij was daar zo hard en druk mee bezig, dat hij niet eens merkte dat hij soms naast mijn vagina zat. Hij voelde dan met zijn vingers waar het gaatje zat. Ook zat hij met zijn vingers in mijn anus. Hij probeerde toen weer met zijn penis mijn vagina binnen te dringen. Toen hij met zijn penis in mijn vagina of in mijn anus probeerde te komen, voelde hij ook nog met zijn rechterhand aan mijn rechtertepel. Hij is wel een stukje in mijn vagina geweest tijdens het proberen. Hij stond op en vroeg: “Weet je wat pijpen is? Heb je dit wel eens gedaan?” Ik antwoordde daarop: “Nee”. Hij zei toen: “Dan leer ik het je wel, gewoon heel hard zuigen”. Hij trok me aan mijn arm omhoog en ik moest van hem op mijn knieën gaan zitten. Ik zat vervolgens op mijn knieën en moest hem pijpen. Hij stopte zijn penis in mijn mond. Ik hoorde hem zeggen: “Gewoon zuigen”. Hij pakte me achter bij mijn hoofd beet en deed mijn hoofd op en neer. Hij drong zijn penis steeds verder mijn mond binnen tot bijna in mijn keel. Hij stopte vervolgens met het pijpen. Hij vertelde mij dat ik mijn handen uit elkaar moest zetten en op mijn knieën moest blijven zitten. Ik bemerkte dat hij gehurkt achter mij zat. Ik voelde dat hij eerst met zijn vinger toen van achteren mijn vagina binnendrong. Dit lukte maar een klein stukje. Daarna ging hij weer met zijn penis mijn vagina binnen. Ik voelde dat het hem lukte mijn vagina verder binnen te dringen. Hij trok zich vervolgens van mij weg. Hoorde hem iets van “O” zeggen. Ik begreep dat lij was klaargekomen. Ik voelde aan mijn vagina dat het behoorlijk nat was. Dit was niet nat van mijzelf. Ik moest hem toen weer pijpen. Dat was maar kort. Hij kleedde zich toen aan en ik deed dat ook. Terwijl ik me aankleedde, zag ik dat de man naar mijn fiets liep en mijn band lek stak. Dit deed hij met dat mes. Hij zei tegen mij: “Niet de politie erbij halen, want ik weet waar je werkt”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking. De onderbroek en BH had ik gelijk in de prullenbak gegooid. Ik zag dat de onderbroek vies en nattig was. Wat ik verder over de man kan vertellen is het volgende: ongeveer 1.70/1.75 meter lang, breed postuur, skinheadtype qua haar. Forensisch onderzoek Verbalisant [verbalisant 8] heeft -zakelijk weergegeven- het volgende gerelateerd: Voor zover ik mij kan herinneren ben ik op 15 of 16 september 1995 als zedenrechercheur betrokken geraakt bij het onderzoek van aangeefster van feit 2. Zij had verklaard dat haar kleding die zij tijdens het feit had gedragen nog bij haar thuis in de ouderlijke woning lag. Ik heb aan aangeefster een daarvoor bestemde papieren zak overhandigd en gevraagd daar al haar kleding in te doen die zij ten tijde van het feit had gedragen. Aangeefster is toen alleen naar haar woning gegaan, heeft de betreffende kleding opgehaald en in de door mij verstrekte zak gedaan. Nadat zij bij de auto was teruggekomen, heeft zij die papieren zak(ken) aan mij overhandigd. Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 9] hebben -zakelijk weergegeven- het volgende gerelateerd: Ik, [verbalisant 4] , ontving op 17 september 1995 de kleding van het slachtoffer die zij tijdens de verkrachting had gedragen, waaronder een slipje. Dit goed werd voor onderzoek verzonden naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk. Aan het slipje werd identiteitszegel AXA906 gekoppeld. Dit stuk van overtuiging is op de voorgeschreven wijze op 21 september 1995 aan het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk geleverd. Deskundige Kloosterman van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk vermeldt in het rapport d.d. 6 maart 1996 -zakelijk weergegeven- het volgende: In microscooppreparaten van materiaal in het slipje (AXA906) van het slachtoffer van feit 2 werden spermakoppen waargenomen. Daarnaast vertoonde het materiaal op het slipje een positieve reactie op de aanwezigheid van het enzym zure fosfatase. In het NFI rapport d.d. 15 juli 2014, opgemaakt door deskundige Kokshoorn, staat een databank match beschreven tussen het referentiemonster van de verdachte en het profielcluster 1303, waar het DNA-profiel opgemaakt van celmateriaal uit een slipje, AXA906#01, deel van uitmaakt. De matchkans van profiel AXA906#01 is kleiner dan één op één miljard, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op de één miljard. In het bijzonder ten aanzien van feit 3 Aangifte Aangeefster van feit 3, geboren op [1967] , heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard. Op 26 september 1995 verliet ik omstreeks 22:00 uur het ‘Wentgebouw’ te Utrecht. Ik fietste onder twee viaducten over de Archimedeslaan te Utrecht. Ik stak de Archimedeslaan over. Op dat moment hoorde ik dat iemand achter mij fietste. Ik werd opeens bij mijn linkerschouder vastgepakt. De man pakte met zijn andere hand het stuur van mijn fiets vast. ik keek over mijn linkerschouder naar achteren. De man zei: “Niet kijken” en draaide zijn eigen hoofd weg. Ik heb de man in een flits gezien. Ik zag dat de man kort haar, lange stekels en een oorbel in zijn rechteroor had. Terwijl de man mij vastpakte hoorde ik hem zeggen: “Jij moet afstappen, ik heb zojuist ingebroken, de politie zit me op de hielen. Als jij met mij meeloopt, gebeurt er niets”, of woorden van gelijke strekking. De man had mij nog steeds bij mijn linkerschouder vast. Met zijn vrije hand pakte hij een mes. Ik hoorde de man zeggen: “Doorlopen, niet omkijken”. De man heeft mij dan bij de door mij gedragen rugtas vast. Terwijl wij daar liepen, hoorde ik de man zeggen: “Gewoon doorlopen, als jij doet wat ik zeg, gebeurt er niets”. Het voetpad ging over in een bruggetje over een sloot. Ik zag dat aan weerszijden van het voetpad bomen en struiken stonden. Ik heb de man niet goed gezien omdat het voetpad niet verlicht is. Het was er erg donker. Opeens passeerde de man mij, fietsend aan mijn linkerzijde. Toen de man mij gepasseerd was, stapte hij van zijn fiets en legde zijn fiets op de grond over het fietspad. Zijn fiets blokkeerde toen mijn doorgang. De man pakte direct het stuur van mijn fiets beet en zei: “Stap maar even af’ of “Kom maar even hier”. Ik weet niet precies wat hij gezegd heeft. De man zei: “Doe je rugtas af’. De man pakte met zijn linkerarm mijn linkerarm vast. De man trok mij met kracht naar zich toe. De man sloeg zijn rechterarm om mijn borstkas heen. In zijn linkerhand had de man opeens het mes weer in zijn handen. Terwijl hij mij beet heeft hoorde ik hem zeggen: “Je weet zeker wel hoe scherp deze messen zijn”. De man zei vervolgens: “Trek je broek en je jas uit en leg deze op de grond”. De man zat al aan mijn broek te trekken. De man zei: “Ga voorover op je knieën op je jas zitten”. Terwijl ik op mijn knieën zat, voelde ik dat de man met het mes het kruis van mijn slip opensneed. De man stak zijn rechterhand met daarin het mes tussen mijn benen door van achteren naar voren. Daarna sneed hij van rechts naar links het kruis van mijn slipje door. Vervolgens trok de man met zijn linkerhand de rechterzijkant van het slipje stuk. Direct daarna drong de man met een vinger mijn vagina binnen. Dit deed hij terwijl hij achter mij zat. De man drong afwisselend met een vinger mijn vagina dan wel mijn anus binnen. De man bracht telkens één vinger binnen. Voor mijn gevoel is de man met alle vingers inclusief duim in zowel de vagina als de anus binnengedrongen. De man bewoog zijn vingers grover in mijn vagina. Ik zei tegen de man: “Dat doet pijn”. Ik hoorde de man daarop antwoorden: “Dat moet ook”. De man vroeg: “Heb je een vriend?”, “Ben jij Nederlandse?” En: “Waar woon je? Heb je geld bij je?”. De man stelde mij wel drie keer de vraag of ik geld bij me had. Ik antwoordde daarop: “Ja, ik heb geld bij me”. De man vroeg mij: “Weet je hoeveel?” De man trok mij toen aan mijn linkerarm overeind. De man zei: “Draai je om”. Hij zei: “Ga op je knieën zitten”. De man duwde mij hierbij naar de grond. Vervolgens pakte de man mij met beide handen bij mijn hoofd vast. De man zei: “Jij moet flink zuigen”. De man duwde mijn hoofd naar zijn penis toe. Ik werd op deze wijze gedwongen de penis in mijn mond te nemen. Ik heb gekokhalsd. De man bewoog mijn hoofd heen en weer, zodat zijn penis op deze wijze in mijn mond heen en weer bewoog. Hij zei ook een paar keer “Goed zo”. Hij bleef mijn hoofd heen en weer bewegen ondanks het feit dat ik kokhalsde. De man kwam op zijn knieën achter mij zitten. Hij bracht zijn penis in mijn vagina of anus. Hij heeft meerdere keren zijn penis in mijn anus dan wel vagina gebracht. De man trok zichzelf ook af vermoedelijk om zijn penis stijver te krijgen. De man betastte tijdens deze handelingen mijn rechterborst. Dat deed hij erg hard. Hij wipte mijn BH omhoog en pakte mijn gehele rechterborst vast en kneep er hard in. Ook kneep de man in mijn rechtertepel. Vervolgens pakte de man de fietspomp van zijn fiets. De man zei dat ik op mijn zij moest gaan liggen. Ik voelde dat de man de pomp in mijn anus bracht. Hij bracht het handvat naar binnen. Ik voelde dat de pomp in mijn anus heen en weer bewogen werd. Ik voelde dat de man de pomp losliet. Hij bleef wel in mijn anus zitten. Direct daarop voelde ik dat de man zijn penis in mijn vagina bracht. Op een gegeven moment wisselde de man. De man bracht de pomp met het handvat in mijn vagina. Terwijl de pomp in mijn vagina zit, dringt hij met zijn penis mijn anus binnen. De man zei nu op mijn rug te gaan liggen en trok aan mijn rechterbeen zodat ik op mijn rug kwam te liggen. Ik zag toen dat hij mijn rode pet op had gezet. Hij zat toen tussen mijn benen en bracht toen zijn penis in mijn vagina. Ik moest toen weer op mijn handen en knieën gaan zitten. De man bracht de pomp met de handvatzijde wederom in mijn anus. Hij bewoog de pomp op een ruwe wijze in mijn anus. Vervolgens bracht hij zijn penis in mijn vagina. De man wisselde enkele malen. Inmiddels had de man mijn rechterbroekspijp helemaal uitgetrokken. De man haalde op enig moment de pomp en zijn penis uit mijn anus en uit mijn vagina, stond op en draaide zich om naar de fiets toe. Ik kan u zeggen dat de man met een Utrechts accent praat. Dat herken ik want ik woon al tien à elf jaar in Utrecht. Forensisch onderzoek Verbalisant [verbalisant 5] heeft -zakelijk weergegeven- het volgende gerelateerd: Op 27 september 1995 werd in het AZU bij medisch onderzoek aan het lichaam van aangeefster van feit 3 een aantal uitstrijkjes afgenomen. De zedenkit werd door mij op 27 september 1995 ontvangen uit handen van [verbalisant 6] . Tot de zedenkit behoorde het vocht van de schede van aangeefster van feit 3. Aan het vocht van de schede werd identiteitszegel ABV701 gekoppeld. Genoemd monster is op de voorgeschreven wijze verpakt en gewaarmerkt en zal op 2 oktober 1995 namens mij worden overgebracht naar het Gerechtelijk Natuurkundig Laboratorium te Rijswijk. Deskundige Kloosterman van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk vermeldt in het rapport d.d. 6 maart 1996 -zakelijk weergegeven- het volgende: In het celmateriaal in het schedeuitstrijkje (ABV701) van het slachtoffer van feit 3 werd sperma aangetroffen. In het NFI rapport d.d. 15 juli 2014, opgemaakt door deskundige Kokshoom, staat een databank match beschreven tussen het referentiemonster van de verdachte en het profielcluster 1303, waar het DNA-profiel opgemaakt van celmateriaal uit de bemonstering van de schede, ABV701#01, deel van uitmaakt. De matchkans van profiel ABV701#01 is kleiner dan één op één miljard, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. In het bijzonder ten aanzien van feit 4 Aangifte Aangeefster van feit 4, geboren op 28 januari 1985, heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard. Op 24 oktober 2001 ben ik om 18:30 uur op de fiets vertrokken vanuit Utrecht richting Soest. Ik ben over het Kees Boekelaantje te Bilthoven gefietst. Ik zag dat het op dat moment donker was en dat er geen straatverlichting was. Ik zag dat links naast mij een persoon op een scooter kwam rijden. Ik hoorde dat de persoon op de scooter zei: “Stoppen nu. Zie je dit?”. Ik zag dat de persoon een integraalhelm droeg. Ik zag dat de persoon in zijn rechterhand een mes had. Ik hoorde dat de man sprak met een accent. Ik vermoed dat dit een Utrechts accent was omdat Bilthoven in de buurt van Utrecht ligt. Ik hoorde dat de man zei: “Geld, heb je geld. Ik moet je geld hebben”, of zoiets. Ik hoorde dat de man zei: “Afstappen”. Ik hoorde dat hij dit op een gebiedende toon zei. Ik hoorde dat hij nogmaals zei: “Afstappen nu snel, opschieten”.1k hoorde de man zeggen: “Ga maar achterop zitten”. Ik hoorde dat de man dit zei op een gebiedende wijze. Ik hoorde dat de man zei: “Achterop, schiet op’. Ik zag dat hij hot bos inreed. Waar we heenreden weet ik echt niet. Het was donker. Op een gegeven moment stopte de man. Ik zag niets. Ik hoorde dat de man zei: “Afstappen”. Ik hoorde dat hij zei: “Voor me uitlopen”. Na een halve à hele minuut werd ik staande gehouden door de man. Ik zag dat we stopten bij een boom. Ik hoorde dat de man zei: “Doe je armen om de boom”. Ik voelde dat hij duwde tegen mijn ellenbogen, zodat mijn handen kruislings over elkaar kwamen. Ik zag dat hij twee tie-rips om mijn polsen deed.” Ik zei tegen de man: “Wat ga je doen?” Ik hoorde dat hij zei: “Niks, als je niks zegt, gebeurt er niks.” Ik voelde dat de man op mijn rechterwang tape deed. Ik voelde dat de man de tape om mijn mond en hoofd draaide. Ik voelde dat de tape ook over mijn haar werd gedaan. Volgens mij werd de tape tot tweemaal toe om mijn hoofd gedraaid. Ik kon nog ademhalen door mijn neus. Ik hoorde en merkte dat hij achter mij ging staan. Ik hoorde dat hij zei: “Blijf staan” of zoiets. Ik merkte dat hij mijn rok omhoog deed. Ik voelde dat hij mijn panty naar beneden deed. Ik voelde dat hij de panty zo hard naar beneden trok dat mijn panty en mijn rechterschoen uitgingen. Ik voelde dat hij achter mij stond en met meerdere vingers in mijn vagina ging. Ik voelde dat hij met zijn vingers in mijn vagina heen en weer ging. Ik voelde dat hij hierna met één of twee vingers in mijn anus ging en de vingers heen en weer bewoog. Dat wisselde hij zo’n vijf keer af. Terwijl de man met zijn vingers in mijn anus en vagina ging, stond ik nog steeds met mijn handen vastgebonden aan de boom. Ik vermoed dat de man zich vervolgens ging aftrekken. Ik hoorde hem snel ademhalen, hijgen. Hierna voelde ik iets tegen de achterkant van mijn rechterbeen. Ik vermoed dat dit spetters sperma waren. Hierna hoorde ik dat hij zei: “Ga op de grond liggen”, of zoiets. Ik hoorde dat de man zei: “Ik ga je neuken”. Ik voelde dat hij mij naar beneden probeerde te trekken. Ik hoorde dat hij zei: Op je buik”. Ik zei: “Dat kan ik niet”. Ik hoorde dat hij zei: “Nou, dan leer je dat maar”. Zo goed en zo kwaad als dat ging ben ik op de grond gaan liggen op mijn buik. Ik voelde dat hij wederom met zijn vingers in mijn vagina en anus ging. Ik voelde dat hij met ongeveer vier vingers in mijn vagina ging. In mijn anus vermoed ik twee. Ik voelde dat hij met zijn penis in mijn anus ging en dat hij stootbewegingen maakte. Ik kan mij niet herinneren of de man zijn penis ook in mijn vagina heeft gestopt. Ik heb vocht gevoeld in mijn schaamstreek. Ik denk dat dit zijn sperma was. Ik voelde dat hij mijn benen vastpakte bij mijn enkels en mijn benen bij elkaar deed. Ik voelde dat hij om mijn twee grote tenen vermoedelijk tie-rips deed. Ik voelde dat de man nogmaals een vinger in mijn vagina deed. Ik zag dat de man wegliep. Ook herinner ik mij dat de man aan mijn linkerborst heeft gezeten. Ik voelde dat hij zijn hand over mijn borst deed en daarin kneep. Ik zag dat de man er als volgt uit zag: dik, fors postuur, ongeveer net zo groot als ik of iets langer dus ongeveer 1.75 tot 1.80 meter, 30 tot 35 jaar. Forensisch onderzoek Verbalisant [verbalisant 10] heeft -zakelijk weergegeven- het volgende gerelateerd. In het Universitair Medisch Centrum (hierna: UMC) te Utrecht werd het slachtoffer van feit 4 onderzocht. De kleding van het slachtoffer werd hierbij veilig gesteld en in beslag genomen. Aan de jurk van het slachtoffer werd identiteitszegel ACD549 gekoppeld. Voor onderzoek werd onder meer het volgende stuk van overtuiging aangeboden aan het NFI om te onderzoeken op sperma en voor het bepalen van een DNA-profiel: de jurk van het slachtoffer (ACD549). Deskundige Kockx van het NFI vermeldt in het rapport d.d. 19 december 2001 -zakelijk weergegeven- het volgende: Op de jurk (ACD549) is een aanwijzing verkregen op de aanwezigheid van sperma. De aanwezigheid van sperma kon microscopisch echter niet worden bevestigd. Het materiaal op de jurk is onderworpen aan een DNA-onderzoek. De conclusie luidt dat het onderzochte celmateriaal vanaf de jurk bestaat uit een mengsel van celmateriaal dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer van feit 4 en celmateriaal van een onbekend persoon. Deskundige De Blaeij vermeldt in het rapport d.d. 19 december 2014 -zakelijk weergegeven- het volgende: Op de jurk ACD549 zijn diverse vlekken waargenomen. Materiaal in deze vlekken is met behulp van een indicatieve test (zure fosfatasetest) onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van sperma(vloeistof). De testuitslag was positief, dus is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van spermavloeistof. In de bijbehorende microscooppreparaten zijn geen spermacellen waargenomen. Derhalve is de aanwezigheid van sperma microscopisch niet bevestigd, maar deze bevindingen passen bij de aanwezigheid van een geringe hoeveelheid sperma in deze bemonstering. Deskundige Kloosterman heeft in het rapport van het NFI d.d. 9 december 2015 -zakelijk weergegeven- het volgende vermeld: Op de jurk (ACD549) zijn vlekken aangetroffen die een positieve zure fosfatase reactie vertoonden. Omdat in de microscooppreparaten van deze vlekken geen spermacellen zijn aangetroffen, is met behulp van de immunologische PSA test nader onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van spermavloeistof in de bemonstering van de jurk. Hierbij is een positieve reactie voor de aanwezigheid van spermavloeistof verkregen. Hoewel de aanwezigheid van sperma op de jurk niet met 100% zekerheid is aangetoond zijn de gecombineerde onderzoeksresultaten (indicatieve test en PSA test) waarschijnlijker als de bemonsteringen ACD549#1 en #2 van de jurk sperma(vloeistof) bevatten, dan wanneer deze bemonsteringen geen sperma(vloeistof) bevatten. In het NFI rapport d.d. 15 juli 2014, opgemaakt door deskundige Kokshoorn, staat een databank match beschreven tussen het referentiemons