GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.149.223/01 en 200.149.274/01 alsmede de zaaknummers 200.149.223/02 en 200.149.274/02 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/115531/ FA RK 10-112) beschikking van de familiekamer van 2 november 2017 in de zaak onder zaaknummer 200.149.223/01 inzake de erven [A] , wonende te [B] (Spanje), verzoekers in hoger beroep, verder te noemen: erven [A] , advocaat: voorheen mr. M. Weissink, kantoorhoudend te Groningen, thans mr. J.W. Elzinga-Snoek, kantoorhoudend te Groningen, tegen [C] , wonende te [D] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: [C] , advocaat voorheen: mr. M.A.I.M. Zandhuis, kantoorhoudend te Amstelveen, daarna mr. P.J. Jans, kantoorhoudende te Groningen, thans mr. M. Helmantel, kantoorhoudende te [H] , en in de zaak onder zaaknummer 200.149.274/01 inzake [C] , wonende te [D] , verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: [C] , advocaat voorheen: mr. M.A.I.M. Zandhuis, kantoorhoudend te Amstelveen, daarna mr. P.J. Jans, kantoorhoudende te Groningen, thans: mr. M. Helmantel, kantoorhoudende te [H] , tegen de erven [A] , wonende te [B] (Spanje), verweerders in hoger beroep, verder te noemen: erven [A] , advocaat: voorheen mr. M. Weissink, kantoorhoudend te Groningen, thans mr. J.W. Elzinga-Snoek, kantoorhoudend te Groningen. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Voor het verloop van het geding tot 21 april 2016 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. 1.2 Het verdere verloop blijkt uit: - een brief van 15 juli 2016 van mr. Zandhuis met bijlagen; - en brief van 15 juli 2016 van mr. Elzinga-Snoek met bijlagen; - een brief van 19 september 2016 van mr. Zandhuis met bijlagen; - een journaalbericht van 20 september 2016 van mr. Elzinga-Snoek met bijlagen; - journaalberichten met betrekking tot de onttrekking van mr. Zandhuis en het stellen door mr. Jans; - een brief van 27 oktober 2016 van mr. Jans met bijlagen; - een brief van 28 oktober 2016 van mr. Elzinga-Snoek met bijlagen; - een brief van 17 februari 2017 van mr. Elzinga-Snoek met bijlagen; - een journaalbericht van 20 februari 2017 van mr. Jans met bijlage; - journaalberichten met betrekking tot de onttrekking van mr. Jans en het stellen door mr. Helmantel. 1.2 Op 20 juli 2016 is een comparitie van partijen gehouden, gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de zaak onder nummer 200.194.274/02 met betrekking tot het verzoek van de erven [A] tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beslissing van kantonrechter betreffende de onderhandse verkoop en levering van de door [C] in beslag genomen aandelen [E] . Bij deze comparatie waren aanwezig [C] , die werd vergezeld door haar partner en namens de erven [A] , [F] (hierna ook [F] ). Partijen werden bijgestaan door hun advocaten die beiden het woord mede hebben gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Van deze mondelinge behandeling is een verkort proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. 1.3 Op 2 maart 2017 heeft een mondelinge behandeling (in beide zaken betreffende de boedelverdeling) plaatsgevonden. Partijen waren aanwezig waarbij [C] werd vergezeld door haar partner en de erven [A] in de persoon van [F] zijn verschenen die vergezeld werd door een familielid en een tolk in de Spaanse taal (mevrouw [G] , wbtv nummer [000] ). Partijen werden bijgestaan door hun respectieve advocaten die beiden het woord mede hebben gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. 1.4 Op 25 september 2017 zijn bij de griffie van het hof een aantal stukken afgegeven door [F] namens de erven [A] , en zijn op 6, 10, 20 en 27 oktober 2017 e‑mailberichten ontvangen van [F] . In de verzochte reactie op deze stukken en e‑mailberichten heeft mr. Elzinga-Snoek bij brief van 31 oktober 2017 laten weten dat de erven [A] genoemde stukken als ingediend wensen te beschouwen, is tevens een bewijsaanbod gedaan en is verzocht om voortzetting van de mondelinge behandeling. [C] heeft zich, in journaalberichten van 25, 30 en 31 oktober 2017 alsmede 1 november 2017 verzet tegen kennisname van de stukken en inwilliging van de verzoeken. Gelet op de eisen van een goede procesorde - in het bijzonder nu de behandeling, na diverse zittingen en uitgebreide stukkenwisseling, is afgerond - heeft het hof geen acht geslagen op de inhoud van de ingediende stukken (waarom het hof niet heeft gevraagd en voor de overlegging waarvan evenmin (anderszins) toestemming is gegeven, die bovendien niet van recente datum zijn en gedeeltelijk zonder deugdelijke vertaling zijn toegezonden). Gezien de eisen van een goede procesorde heeft het hof evenmin acht geslagen op het bewijsaanbod (dat in algemene bewoordingen is gedaan en kennelijk is gericht op de staat van de nalatenschap) terwijl ook het verzoek om een voortgezette behandeling is afgewezen. 2De omvang van het geschil 2.1 Bij beschikking van 18 februari 2014, zoals hersteld bij beschikking van 26 augustus 2014, heeft de rechtbank de tussen [C] en [A] bestaande gemeenschap van goederen verdeeld en beslist als volgt: aan de vrouw wordt toegedeeld: . de echtelijke woning aan [a-straat] 9, [H] € 360.000,- onder de verplichting de hypothecaire geldlening bij ABN-AMRO, nr. [00000] van € 199.134,- voor haar rekening te nemen, met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van voormelde hypothecaire geldlening. . de kapitaalverzekeringen ABN-Amro: nr. [00001] : € 13.473,- nr. [00002] : € 9.094,- nr. [00003] : € 10.172,- . de polis bij [I] , nummer [00004] : € 11.159,17 . de auto, merk Suzuki, type Wagon+ € 500,- . de inboedel woning te [H] . de gezamenlijke bankrekeningen # Rabobank, nr. [00005] : € 8.421,98 # Rabobank, nr. [00006] : € 0,00 # Rabobank, nr. [00007] : € 131.000,- . de bankrekeningen op naam van de vrouw: # ABN-AMRO, nr. [00008] : € 651,67 # ABN-AMRO, nr. [00009] : € 37.505,67 aan de man wordt toegedeeld: . aandelen [E] B.V.: € 1.930.000,- . Gronden [b-straat] te [J] , Letland: € 77.973,- (10%) en € 128.698,- (5%) onder de verplichting de hypothecaire geldlening bij AS DNB Banka, nr. [00010] van € 327.000,- voor zijn rekening te nemen, met - voor zover nodig - ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van voormelde hypothecaire geldlening . rekening-courant schuld [E] B.V.: € 35.000,- bepaalt dat de man ter zake overbedeling een bedrag van € 697.524,41 aan de vrouw dient te betalen; bepaalt dat partijen uiterlijk veertien dagen na deze ieder € 2.017,50dienen te storten op rekeningnummer NL94RABOS0569990610 t.n.v. Rechtbank Noord Nederland (bic code [00011] ), onder vermelding van het zaaknummer C/18/115531 / FA RK 10-112); wijst af het meer of anders verzochte. 2.2 Zowel [C] als [A] is van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Na het overlijden van [A] op 31 augustus 2014 is de procedure in hoger beroep voortgezet door de erven [A] , te weten zijn echtgenote [F] en hun beide minderjarige kinderen. 2.3 [C] heeft in het door haar ingestelde hoger beroep veertien grieven gericht tegen de beschikking van 19 juli 2011 en de (herstelde) beschikking van 18 februari 2014. Haar grieven betreffen - in de kern genomen - de beslissingen van de rechtbank over de verdeling van de aandelen [E] BV en de waarde daarvan (grieven I tot en met IV), de buitenlandse bankrekeningen van [A] (grief VI), de inboedel (grief VII) en de woningen van [A] in het buitenland (grief VIII), de schuld in rekening-courant aan [E] BV (grief XI) en de waarde van de gronden [b-straat] te [J] (grief XIV).Verder heeft [C] bezwaren tegen het niet toekennen van een voorschot op de verdeling in verband met overbedeling van [A] (grief IX), het afwijzen van de wettelijke rente over de overbedelingssom (grief X), het afzien van een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beslissingen (grief XII) en de afwijzing van haar (verreken)vordering op [A] ten bedrage van € 21.801,73 (grief XIII). Tot slot klaagt [C] over de gebrekkige informatieverstrekking door [A] over de samenstelling van de te verdelen gemeenschap en over de waarden van die gemeenschap (grief V). 2.4 [C] heeft in hoger beroep, na wijzigingen van eis, het hof verzocht als volgt: de beschikkingen van de Rechtbank Groningen d.d. 19 juli 2011 en 18 februari 2014 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast te stellen: aan de vrouw worden toegedeeld: * 50% van de aandelen [E] , 50% van de aandeelhouderslening van de man privé aan [E] 50% van het dividend uitbetaald aan de man vlak voor de peildatum ad € 884.927,- (per 31/12/2012 zie productie 6), zijnde € 442.463,50 * echtelijke woning aan [a-straat] 9, [H] : € 360.000,- Onder de verplichting de hypothecaire geldlening bij ABN-AMRO, nr. [00000] van € 199.134,- voor haar rekening te nemen, met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van voormelde hypothecaire geldlening. * kapitaalverzekeringen ABN-AMRO: - nr. [00001] : € 13.473,- - nr. [00002] : € 9.094,- - nr. [00003] : 10.172,- * polis bij [I] , nr. [00004] : € 11.159,17 * auto, merk Suzuki, type Wagon+: € 500,- * inboedel woning te [H] * gezamenlijke bankrekeningen: # Rabobank, nr. [00005] : € 8.421,98 # Rabobank, nr. [00006] : € 0,00 # Rabobank, nr. [00007] : € 131.000,- * bankrekeningen op naam van de vrouw: #ABN-AMRO, nr. [00008] : € 651,47 #ABN-AMRO, nr. [00009] : € 37.505,67; aan de man worden toegedeeld: * 50% van de aandelen [E] , 50% van de aandeelhouderslening van de man privé aan [E] 50% van het dividend uitbetaald aan de man vlak voor de peildatum. * Gronden [b-straat] te [J] , Letland: € PM en € PM onder de verplichting de hypothecaire geldlening bij AS DNB Banka, nr. [00010] van € 327.500,-- voor zijn rekening te nemen, met -voor zover nodig- ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van voormelde hypothecaire geldlening * rekening-courantschuld [E] BV.: € PM * inboedel door de man bewoonde woning(en): € PM * huis Spanje: € PM * huis Letland: € PM En de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een door uw Gerechtshof te bepalen bedrag terzake van overbedeling, waarvan hij per direct een bedrag ad € 500.000,-- als voorschot aan de vrouw dient te voldoen. Primair : De man te veroordelen tot naleving van bovenstaande verdeling en tot levering aan de vrouw van 50% van de aandelen [E] , 50% van de aandeelhouderslening van de man privé aan [E] 50% van het dividend uitbetaald aan de man vlak voor de peildatum ad €884.927,-(per 31/12/2012 zie productie 6), zijnde € 442.463,50. en tot betaling van het bedrag terzake van overbedeling, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de betekening van de dagvaarding met de uitdrukkelijke bepaling dat indien zij (het hof leest: [A] ) haar (het hof leest: zijn) medewerking aan de uitvoering van deze afwikkeling c.q. verrekening weigert, althans geen volledige medewerking verleent aan de uitvoering van hetgeen in het kader van de afwikkeling c.q. verrekening is bepaald, de te wijzen beschikking dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte notariële akte en in de plaats zal treden van de voor uitvoering vereiste medewerking van de man, althans op een wijze de rechtbank (het hof leest: het gerechtshof) in goede justitie vermeent te behoren en; Subsidiair : Te bepalen dat de te wijzen beschikking voor de wilsverklaring van de man in de plaats komt; Meer subsidiair : Te bepalen dat indien de man niet aan de verdeling c.q. levering meewerkt, een door het Gerechtshof aan te wijzen vertegenwoordiger namens de man zal optreden, onder veroordeling van de man in de kosten van de vertegenwoordiger; Te bepalen dat de man voor iedere dag dat hij na betekening het in dezen te wijzen beschikking hier niet aan voldoet, een direct opeisbare en niet voor matiging vatbare dwangsom verbeurt van € 10.000,-- per dag(deel); Althans zodanig te beslissen als uw Gerechtshof in goede justitie juist acht. 2.5 De erven [A] hebben in hoger beroep drie grieven opgeworpen tegen de (herstelde) beschikking van 18 februari 2014. De grieven richten zich tegen de wijze van waardering van de gronden [b-straat] (grief I) en de conserverende aanslag over het jaar 2007 (grief II). De derde grief richt zich tegen de omvang van de overbedelingssom en heeft, als resultante van de grieven I en II, geen afzonderlijke betekenis. 2.6 De erven [A] hebben in hoger beroep het hof verzocht als volgt: de beschikking van de Rechtbank Groningen d.d. 18 februari 2014 te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag terzake overbedeling dient te voldoen een bedrag van € 697.524,41 en opnieuw rechtdoende de overbedeling aan de zijde van de vrouw vast te stellen op € 400.000,- en de vrouw te veroordelen de helft van dit bedrag zijnde € 200.000,- aan de man te voldoen, althans een zodanig ander bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren. 2.7 Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken. 3De motivering van de beslissing De verdeling * peildata 3.1 Het hof stelt bij de beoordeling van de verdeling voorop dat niet in geschil is dat de peildatum voor de samenstelling en de omvang van de tussen [C] en [A] bestaan hebbende gemeenschap dient te worden bepaald op 1 januari 2008. 3.2 Geen van partijen heeft verder een uitdrukkelijke grief gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde peildatum voor de waardering van de boedelbestanddelen, zijnde 31 december 2010. In dat verband kan uit de klachten van [C] over de waardering van de aandelen [E] BV wel worden afgeleid dat zij die waarderingsdatum voor wat betreft die aandelen wel ter discussie heeft gesteld, maar zij heeft ter zitting van 6 april 2016 - uitgaande van haar verzoek om de aandelen toe te delen aan de erven [A] onder verrekening van de helft van de waarde - alsnog ingestemd met een waardering van de aandelen tegen die peildatum. * voormalige echtelijke woning te [H] 3.3 Met betrekking tot de voormalige echtelijke woning in [H] heeft het hof reeds bij (tussen)beschikking van 21 april 2016 - voor zover nodig - de (bij beschikking van 26 augustus 2014 herstelde) beschikking van 18 februari 2014 van de rechtbank bekrachtigd voor zover daarbij aan [C] de echtelijke woning is toegedeeld tegen een waarde van € 360.000,- onder de verplichting de hypothecaire geldlening bij ABN-AMRO van € 199.134,- voor haar rekening te nemen, met ontslag van de erven [A] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van voormelde hypothecaire geldlening. 3.4 In die (tussen)beschikking van 21 april 2016 heeft het hof voorts bepaald dat die betreffende beschikking in de plaats treedt van de medewerking van de erven [A] aan de verdelings- c.q. leveringsakte ten aanzien van voornoemde woning onder de voorwaarde dat [C] er voor zorgdraagt dat de erven [A] worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire verplichtingen. 3.5 Ter zitting van 2 maart 2017 hebben partijen bevestigd dat de woning inmiddels notarieel is toegedeeld (geleverd) aan [C] waarbij, naar het hof aanneemt, de erven [A] zijn ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning verbonden hypothecaire leningen. Ten aanzien van de toedeling van deze woning en de daaraan verbonden geldleningen behoeft het hof dan ook geen nadere beslissing te geven, met dien verstande dat in onderhavige beschikking nog rekening dient te worden gehouden met de overbedeling van [C] op dit punt. * aandelen [E] BV / [E] S.a.r.l. 3.6 Tot de ontbonden gemeenschap van goederen behoren aandelen op naam van [A] in de besloten vennootschap [E] BV, welke vennootschap later een vennootschap naar Luxemburgs recht [E] S.a.r.l. is geworden. Partijen zijn verdeeld over de wijze van verdeling van de aandelen en de waarde daarvan. 3.7 Het hof stelt vast dat [C] in haar beroepschrift de toedeling van de aandelen aan [A] alsmede de waarde en de wijze van waardering van de aandelen heeft bestreden. Zij heeft haar verzoek gewijzigd bij akte van 25 september 2015 waarbij zij, kort gezegd, (mede) heeft verzocht de aandelen volledig toe te delen aan de erven [A] waarbij aan haar en hen de helft van de waarde toekomt. Ten aanzien van de verdeling van de aandelen heeft [C] , na een vooraankondiging in haar persoonlijke brief van 20 februari 2017, ter zitting van 2 maart 2017 haar verzoek in hoger beroep opnieuw aangepast door terug te keren naar haar oorspronkelijke verzoek, te weten primair verdeling van de aandelen tussen haar en de erven [A] bij helfte en subsidiair toedeling van de aandelen aan de erven [A] waarbij aan ieder van hen de helft van de waarde toekomt. De erven [A] hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze wijzigingen, in het bijzonder niet tegen de wijziging van 2 maart 2017 waarbij [C] opnieuw de oorspronkelijk verzochte wijze van verdeling van de aandelen bij helfte heeft verzocht. In de stukken en met name in het debat tussen partijen op de mondelinge behandeling op 2 maart 2017 is de vraag naar de toedeling van de aandelen ook inhoudelijk aan de orde geweest. Deze wijziging is dan ook niet strijdig met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal daarom op het verzoek van [C] van 2 maart 2017 beslissen. 3.8 De rechter die, in een geval waarin de deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW vaststelt, dient daarbij, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. Voorts is de rechter die de verdeling vaststelt bij de vaststelling van de verdeling niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en behoeft hij niet - expliciet - in te gaan op hetgeen partijen hebben aangevoerd. 3.9 Bij de beslissing van de rechtbank om de aandelen toe te delen aan [A] is destijds, kort gezegd, zijn ondernemerschap doorslaggevend geweest en die beslissing heeft op dat moment ook de instemming van [C] gehad. Het hof ziet, anders dan de erven [A] , onvoldoende reden om deze toedeling - thans neerkomende op toedeling aan de erven - in hoger beroep te handhaven. De door de erven in hoger beroep genoemde argumenten om de aandelen aan hen althans aan [A] toe te delen zien alle op de destijds bestaande centrale positie van [A] - als DGA en als ondernemer - bij de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten binnen het concern van (moeder-, dochter- en zuster)vennootschappen in (voornamelijk) Letland. Van een centrale en leidende positie van [A] is door zijn overlijden op 31 augustus 2014 niet langer sprake. Gesteld, noch gebleken is dat een van de genoemde argumenten voor toedeling ook heeft te gelden voor (een van) de erven [A] . Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat na het overlijden van [A] belangrijke (in)directe deelnemingen in de werkmaatschappijen door [E] zijn verkocht en niet duidelijk is geworden of en zo ja, welke ondernemingsactiviteiten binnen [E] en de (eventueel) resterende deelnemingen thans nog worden uitgeoefend en welke werkzaamheden door de erven in dat verband worden verricht. De erven [A] hebben bij monde van [F] bij herhaling te kennen gegeven dat zij niet over de kennis en ervaring beschikken noch de intentie hebben om enige onderneming in Letland te leiden. [F] is verder op enig moment weliswaar benoemd tot bestuurder van [E] maar ook de door haar gegeven toelichting op haar werkzaamheden duidt eerder op een noodzaak om tot afwikkeling van activiteiten en de [E] te komen dan op enig ondernemerschap. Tegen deze achtergrond kwalificeert het hof de positie van de erven [A] en/of [F] ten opzichte van de aandelen van [E] op dit moment niet wezenlijk anders dan de positie van [C] ten opzichte van de aandelen. 3.10 Het hof onderkent dat partijen tot op heden in het kader van schikkingsonderhandelingen de verdeling van de aandelen niet in onderling overleg tot een oplossing hebben kunnen brengen en dat het kennelijk onderling bestaande wantrouwen de communicatie en het overleg (over een minnelijke oplossing) niet ten goede komt. Het hof ziet hierin echter onvoldoende reden om de aandelen toe te delen aan de erven [A] . Zoals hiervoor overwogen is niet aannemelijk dat binnen [E] en de (eventueel) resterende deelnemingen nog ondernemingsactiviteiten (van enige omvang) worden uitgeoefend, zodat een eventueel moeizaam of gebrekkig overleg tussen de aandeelhouders de continuïteit van de onderneming niet in gevaar brengt althans geen negatieve invloed zal hebben op nog bestaande (beperkte) bedrijfsuitoefening. Het hof acht verder bepaald niet uitgesloten dat het gemeenschappelijke belang (als aandeelhouders) dat door de verdeling van de aandelen bij helfte zal ontstaan, juist zal bijdragen aan een verbetering van de communicatie en het overleg. Bovendien zou een toedeling van de aandelen aan de erven [A] betekenen dat de helft van de waarde daarvan aan [C] zou moeten worden betaald. Weliswaar zijn partijen het niet eens over de waarde en de wijze van waardering van de aandelen, doch ook uitgaande van de waardering van de rechtbank gaat het om een aanzienlijk bedrag waarvan [A] in eerste aanleg en ook de erven [A] ten overstaan van het hof bij herhaling hebben verklaard dat dit bedrag door hen niet (ineens) kan worden voldaan. 3.11 Alle belangen afwegende ziet het hof voldoende reden om aan ieder van partijen de helft van de aandelen in [E] BV toe te delen. 3.12 De toedeling van de helft van de aandelen aan [C] en de andere helft aan de erven [A] leidt er toe dat het hof zich, in het kader de thans voorliggende verdeling, niet meer behoeft uit te laten over de waarde van de aandelen per 31 december 2010, zijnde de waarderingspeildatum waarover partijen eerder overeenstemming hadden bereikt, nu ieder de helft van de aandelen en daarmee de helft van de waarde (wat deze ook mag zijn) ontvangt. Een en ander betekent dat het hof de bespreking van de grieven en weren van partijen ten aanzien van het deskundigenrapport van [K] , opgesteld in opdracht van de rechtbank, en de rapporten van [L] , opgesteld in opdracht van [C] , achterwege zal laten. Ook de benoeming van een deskundige door het hof (om de waardering van de aandelen per 31 december 2010 vast te stellen) is niet langer aan de orde. 3.13 Het verzoek van [C] om aan haar te leveren 50% van de door [A] aan [E] verstrekte aandeelhouderslening en 50% van het dividend dat [A] zichzelf heeft toegekend, zal het hof onbesproken laten, omdat deze ten tijde van de peildatum voor de samenstelling van de gemeenschap, 1 januari 2008, niet aanwezig waren. 3.14 Ten aanzien van de aandelen van de vennootschap naar Lets recht [M] (hierna [M] ) een 10% belang - hebben [C] en [A] gedebatteerd over de vraag of deze aandelen zijn verkregen door [A] privé (in welk geval deze afzonderlijk verdeeld moeten worden) of door [E] (in welk geval afzonderlijke verdeling niet aan de orde is doch de aandelen in [M] mede de waarde van de aandelen van [E] bepalen). Voor het hof staat vast dat op 1 januari 2008, de peildatum voor de samenstelling van de gemeenschap, alle aandelen in [M] werden gehouden door de besloten vennootschap [N] BV (deel uitmakende van het concern van vennootschappen waarvoor feitelijk door [A] werkzaamheden werden verricht) en dat [E] voor 10% in de aandelen van die laatste vennootschap participeerde. In 2009 heeft [E] haar aandelen in [N] (10%) overgedragen en daarbij althans daarna is door [E] eerdergenoemd aandelenbelang in [M] (10%) - alsmede de lening aan c.q. vordering op [M] (aandeel 10%) - verkregen. Het hof heeft dit afgeleid uit de ruil/koop/verkoopovereenkomst van 6 juli 2009 tussen onder meer [N] BV als de ene contractspartij en [A] en [E] als andere contractspartij betreffende de aandelen en de vordering en het rapport van de door [C] ingeschakelde deskundige van 13 mei 2014 waaruit blijkt dat in de jaarrekening van [M] over 2010 (met een goedkeurende accountantsverklaring) wordt aangegeven dat [E] een 10% aandeelhouder is terwijl in de jaarrekening van [E] over datzelfde jaar in voetnoten ook melding wordt gemaakt van een belang van 10% in een commerciële onderneming in Letland. Niet relevant is of [A] de aandelen en de bijbehorende vordering al dan niet eerst in privé heeft verkregen en dezen naderhand heeft ingebracht in en heeft overgedragen aan [E] , zoals hij in eerste aanleg heeft betoogd. De (waarde van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.