GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.228.075 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 422670) beschikking van 11 december 2018 inzake [verzoekster] , wonende te [plaatsnaam] ,verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. R. van Manen te Woerden, en [verweerder] , wonende te [plaatsnaam] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. L.C. de Jong te Woerden. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 1 december 2016 en 10 juli 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties Aa tot en met Ag, ingekomen op 6 oktober 2017; - het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties A tot en met R, waarbij tevens een wijziging van verzoek; - het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep tevens wijziging petitum met producties Ah en Ai; - een journaalbericht van mr. Van Manen van 19 juli 2018 met producties Aj tot en met Aq; - een journaalbericht van mr. De Jong van 25 juli 2018 met productie S. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 16 augustus 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3De feiten 3.1 Partijen zijn op 8 mei 2002 gehuwd in gemeenschap van goederen. Zij zijn de ouders van [kind 1] ( [geboortedatum] ) en [kind 2] ( [geboortedatum] ). De man heeft op 2 oktober 2014 een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. De vrouw heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken gedaan. 3.2 Bij beschikking van 17 juli 2015 heeft de rechtbank de behandeling van de verzoeken tot echtscheiding en die ten aanzien van de nevenvoorzieningen aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een ouderschapsbemiddelingstraject in te gaan. 3.3 Bij beschikking van 26 september 2016 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de kinderen vastgesteld, bepaald dat de man gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de echtelijke woning met inboedel mag gebruiken en de behandeling van de verzoeken ten aanzien van de verdeling aangehouden. 3.4 De echtscheidingsbeschikking is op 17 januari 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.5 Bij beschikking van 1 december 2016 heeft de rechtbank de wijze van verdeling van een gedeelte van de ontbonden huwelijksgemeenschap gelast, in die zin dat de echtelijke woning bindend dient te worden getaxeerd en deze woning aan de man wordt toegedeeld mits hij de financiering daarvan voor 29 december 2016 heeft geregeld, de saldi van de bankrekeningen per peildatum bij helfte dienen te worden verdeeld en de onderneming van de man aan hem wordt toegedeeld zonder nadere verrekening. De verdere behandeling van de zaak is aangehouden. 3.6 Bij de bestreden beschikking van 10 juli 2017 heeft de rechtbank de wijze van verdeling van het overige deel van de huwelijksgemeenschap gelast, samengevat als volgt: - de woning aan [adres] wordt voor een waarde van € 252.500,- aan de man toegedeeld, onder de voorwaarde dat hij deze voor 14 augustus 2017 overneemt en dat de vrouw wordt ontslagen uit haar (hoofdelijke) aansprakelijkheid jegens de hypotheekhouder, en dat als dit niet lukt de woning dient te worden verkocht aan een derde; - de polis van levensverzekering bij Delta Lloyd wordt per datum overname/verkoop van de woning aangewend voor aflossing van de hypothecaire lening onder verrekening van de door de man vanaf 2 oktober 2014 tot aan die overname/verkoop betaalde premies, waarna de aldus ontstane over-/onderwaarde van de woning wordt gedeeld; - de woning in [land] wordt voor een waarde van € 35.000,- toegedeeld aan de vrouw die daarom € 17.500,- aan de man moet betalen; - de inboedel wordt op basis van een opsomming van goederen per partij tussen partijen verdeeld; - de auto [auto] wordt voor een waarde van € 3.100,- toegedeeld aan de vrouw zodat zij € 1.550,- aan de man moet betalen, de [auto] wordt voor een waarde van € 4.500,- aan de man toegedeeld zodat hij € 2.250,- aan de vrouw moet betalen en de [auto] wordt voor een waarde van € 800,- toegedeeld aan de man zodat hij € 400.- aan de vrouw moet betalen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen. 3.7 Bij vonnis in kort geding van 7 september 2017 is de vrouw - kort gezegd - veroordeeld haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning aan [adres] aan de man en zijn de kosten van die procedure tussen partijen gecompenseerd. 3.8 Bij notariële akte van verdeling, verleden op 8 november 2017, is de woning aan [adres] met bijbehorende garage toegedeeld en geleverd aan de man. De vrouw is blijkens die akte uit haar (hoofdelijke) aansprakelijkheid jegens de hypotheekhouder/geldverstrekker ontslagen. 4De omvang van het geschil 4.1 Tussen partijen is in geschil de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Meer in het bijzonder gaat het geschil over: - de waardering van de woning aan [adres] ; - de waardering van de woning in [land] ; - de verdeling en waardering van de inboedel; - de waardering van een van de auto’s ( [auto] ); - het al dan niet in de verdeling betrekken van een door de vrouw opgevoerde schuld aan ICS Visa Card; een door de man gesteld vergoedingsrecht wegens door hem betaalde hypotheekrente; vergoeding van door de man gestelde geleden schade in verband met de toedeling van de woning te [plaatsnaam] ; een door de man gestelde verrekenvordering ten aanzien van diverse schulden, premie levensverzekering en doorlopend krediet. 4.2 De vrouw is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt – na wijziging van haar verzoek – de bestreden beschikking van 10 juli 2017 gedeeltelijk te vernietigen (ten aanzien van de onderdelen 4.1.1, 4.1.3, 4.2, 4.2.1 en 4.2.2) en opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat: de woning in [land] aan haar wordt toegedeeld tegen een waarde van € 11.136,- zodat zij aan de man € 5.568,- moet vergoeden; [auto] aan de vrouw toe te delen tegen een waarde van € 500,- zodat zij aan de man € 250,- moet vergoeden en de toedeling en waardering van de [auto] en [auto] blijft zoals de rechtbank heeft bepaald; de schuld aan ICS Visa Card van € 9.954,70 in de verdeling te betrekken en deze aan haar toe te delen, zodat de man haar € 4.977,35 moet vergoeden; de woning aan [adres] aan de man toe te delen tegen een waarde van € 263.768,- en dat de waarde van de Delta Lloyd polis per datum overname (8 november 2017) van € 13.828,66 wordt aangewend voor de aflossing van de hypothecaire lening, waarna de resterende overwaarde bij helfte verdeeld moet worden onder verrekening van de vergoeding die zij nog aan de man moet voldoen wegens door hem betaalde premies levensverzekering over de periode 2 oktober 2014 tot aan 8 november 2017, zodat de man aldus per saldo aan de vrouw nog € 4.291,10 dient te voldoen; de man aan haar een bedrag van € 2.762,50 dient te voldoen wegens zijn overbedeling ten aanzien van de inboedelgoederen, een en ander kosten rechtens. 4.3 De man voert verweer en is met vijf grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Hij verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar grieven te verwerpen en uitvoerbaar bij voorraad: de bestreden beschikking van 10 juli 2017 te vernietigen voor zover daarin de vordering inzake de door hem vanaf de peildatum betaalde hypotheekrente is afgewezen en te bepalen dat de vrouw hem ter zake € 14.087,91 dient te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente; de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin de inboedel is verdeeld en te bepalen dat ieder van partijen die inboedelgoederen behoudt die hij of zij thans onder zich heeft, zonder nadere verrekening; te bepalen dat de vrouw hem, wegens haar onrechtmatige weigering medewerking te verlenen aan de overdracht van de echtelijke woning, een schadebedrag van € 3.049,89 dient te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daar zijn regresvordering terzake gemeenschappelijke schulden en verrekeningen is afgewezen en te bepalen dat de vrouw hem ter zake € 6.023,151 dient te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente en te vermeerderen met de door hem betaalde rente en aflossing sedert 1 december 2017 op het doorlopend krediet [rekeningnummer] ; te bepalen dat de vrouw hem wegens door hem betaalde premies van de Delta Lloyd levensverzekering € 181,39 dient te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.4 De vrouw voert verweer op het incidenteel hoger beroep van de man en concludeert om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel hoger beroep, althans dit af te wijzen, kosten rechtens. 4.5 Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. 5De motivering van de beslissing de woning in [land] 5.1 De eerste grief van de vrouw betreft de door de rechtbank aan de woning in [land] toegekende waarde. Zij stelt dat voor de waardering uitgegaan dient te worden van de peildatum 2 oktober 2016, die ligt vóór de verbouwing. Aldus komt de vrouw tot een waarde van € 11.136,- in plaats van de waarde van € 35.000,- die de rechtbank heeft gehanteerd. De man betwist dat 2 oktober 2016 als peildatum heeft te gelden. Hij voert aan dat niet de datum waarop het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank is ingediend als peildatum dient te worden genomen, maar dat de datum van feitelijke verdeling als uitgangspunt voor de waardering geldt en dat dus van een waarde van € 35.000,- moet worden uitgegaan. 5.2 Het hof overweegt als volgt. Ten aanzien van de peildatum voor de omvang van de gemeenschap geldt als uitgangspunt de datum van ontbinding van de gemeenschap. Nu de man op 2 oktober 2014 het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend geldt deze datum als peildatum voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap. Als peildatum voor de waardering geldt als regel de datum van de verdeling. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen, of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard (vgl. HR 22 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7205).Van dit laatste is niet gebleken, zodat voor de waardering dient te worden uitgegaan van de datum van verdeling en daarmee van de actuele waarde. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning in [land] aan de vrouw dient te worden toegedeeld. De man heeft de door hem gestelde waarde onderbouwd met advertenties van volgens hem gelijkwaardige woningen en de vrouw heeft de door haar gestelde waarde onderbouwd met een taxatie per 2 oktober 2014 en een per 11 augustus 2017 van een plaatselijke makelaar. Het hof kan uit de advertenties die de man overlegt niet de actuele waarde van de woning van partijen afleiden. Advertenties zijn naar het oordeel van het hof niet overtuigend voor de waardevaststelling. De door de vrouw overgelegde taxaties behelzen niet de actuele waarde. Bovendien betwisten partijen over een weer de waardering van de ander. Nu de waarde tussen partijen niet vast staat, zal het hof de volgende wijze van verdeling van de woning in [land] gelasten (en in zoverre slaagt dus de grief van de vrouw): De uitvoering van deze verdeling, bestaande in de toedeling van de woning op het adres [adres] te [land] aan de vrouw, dient plaats te vinden ten overstaan van en onder regie van een notaris in Nederland, die zo nodig of desgewenst, bij een ter zake kundige in [land] inlichtingen zal inwinnen om te kunnen beoordelen wat nodig is voor de uitvoering van deze verdeling. De kosten van de tussenkomst van deze notaris en alle andere kosten die samenhangen met deze verdeling komen voor rekening van partijen samen. Indien voor de verdeling van die woning of de uitvoering daarvan mede moet worden voldaan aan in [land] geldende wettelijke vereisten, zoals bijvoorbeeld het verlijden van een akte ten overstaan van een notaris in [land] of verwerking daarvan in de kadastrale registratie, dienen partijen daaraan onverwijld mee te werken en zich te richten naar de aanwijzingen van de notaris in Nederland. Het hof wijst aan als notaris ten overstaan van wie de uitvoering van de verdeling moet plaatsvinden een van de notarissen verbonden aan [notariskantoor X] . Partijen dienen binnen twee maanden na betekening van deze beschikking door de meest gerede partij aan de wederpartij (hierna verder: de betekening) eerst de waarde van de woning in overleg met de notaris te doen bepalen door een of meer deskundigen in [land] door partijen samen of - indien zij daarover niet binnen twee weken na betekening tot overeenstemming geraken - door de notaris aan te wijzen. Partijen dienen deze waardebepaling in overleg met de notaris te doen verrichten op de in [land] voor een dergelijke waardebepaling gebruikelijke wijze. Indien zij daarover niet binnen twee weken na betekening tot overeenstemming komen zal de notaris aan de hand van dit richtsnoer de wijze van waardebepaling vaststellen na daartoe in [land] bij een ter zake kundige inlichtingen te hebben ingewonnen. Binnen drie weken nadat de uitkomst van de taxatie door de notaris aan partijen is bekend gemaakt, dient de vrouw door tussenkomst van de notaris aan de man mee te delen of zij toedeling van de woning tegen de getaxeerde waarde en betaling aan de man van de helft van die waarde wenst. Voor het geval de vrouw deze toedeling wenst, zal het hof bepalen dat partijen vervolgens binnen vier weken nadat de vrouw daarvan mededeling heeft gedaan bij notariële akte dienen over te gaan tot de toedeling van de woning met gelijktijdige betaling door de vrouw aan de man van de helft van de waarde en dat zij verplicht zijn tot het verrichten op aanwijzing van de notaris van al hetgeen verder in [land] nog nodig is voor de uitvoering van de verdeling en de overgang van het toegedeelde aan de vrouw. Indien geen toedeling aan de vrouw plaatsvindt, dienen partijen de woning op de kortst mogelijke termijn te verkopen en de netto opbrengst bij gelijke delen te verdelen door: i. gezamenlijk opdracht te geven aan een door hen of - bij gebreke van overeenstemming door de notaris - te benoemen makelaar om de woning aan een derde te verkopen. ii. opdracht te geven een bodemprijs te hanteren en deze zo nodig te verlagen conform de instructie van de makelaar; iii. al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en eigendomsoverdracht te komen; iv. mee te werken aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en medewerking te verlenen aan de (notariële) eigendomsoverdracht of andere in [land] aan de overdracht van een woning gestelde eisen; v. medewerking te verlenen aan de betaling uit de verkoopopbrengst van de daarop vallende kosten, waaronder de makelaarscourtage; vi. gezamenlijk aan de notaris die belast is met de overdracht van de woning opdracht te geven de netto-verkoopopbrengst bij gelijke delen te verdelen. de [auto] 5.3 De tweede grief van de vrouw ziet op de waardering van de [auto] . Zij stelt dat van een waarde van € 500,- dient te worden uitgegaan in plaats van de € 3.100,- die de man voorstaat en die de rechtbank heeft gehanteerd. Zij stelt verder dat het door de man ingebrachte stuk geen taxatierapport is maar een schaderapport. De man betwist dat en zet zijn vraagtekens bij de door de vrouw overgelegde taxatie. 5.4 Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat van de waarde van deze auto op 2 oktober 2014 dient te worden uitgegaan. Het door de man overgelegde stuk sluit hierop aan, terwijl het door de vrouw overgelegde stuk van 10 december 2016 dateert. Anders dan de vrouw is het hof van oordeel dat het door de man overlegde stuk van de [autobedrijf x] (productie Aj uit de eerste aanleg) een waardebepaling van de auto betreft en geen schaderapport is. Er worden in dat stuk namelijk twee bedragen vermeld: een waarde ‘vandaag € 2.000,-’ en waarde ‘2014 € 3.100,-’. Bovendien is niet in geschil dat de auto bij deze garage in onderhoud was en deze garage de auto kent. Het door de vrouw overgelegde stuk bevat niet de waarde op de peildatum en is bovendien afkomstig van een andere garage dan waar de auto in onderhoud was. De man heeft de door hem gestelde waarde naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en de vrouw heeft deze onvoldoende betwist. De grief faalt derhalve. de schuld aan ICS Visa Card 5.5 De derde grief van de vrouw betreft een schuld aan ICS Visa Card. De vrouw stelt dat deze schuld € 9.954,70 bedraagt en in de verdeling dient te worden betrokken. Ze legt nadere stukken over met een rekeningoverzicht en het verloop ervan. De man betwist het bestaan van deze schuld en zet vraagtekens bij de echtheid van de door de vrouw overlegde stukken en voert aan dat er geen tegenrekening van de creditcard bekend is. 5.6 Het hof overweegt als volgt. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat van ING rekening [rekeningnummer] in 2014 incasso’s hebben plaatsgevonden ten behoeve van Int Card Services (productie Aq bij een journaalbericht van mr. Van Manen van 19 juli 2018). Het ICS klantnummer op die incasso’s stemt overeen met het ICS Klantnummer op de rekeningoverzichten van de creditcard (bijlage Ae bij het beroepschrift). Ter zitting is vastgesteld dat deze ING rekening er al was ten tijde van het huwelijk en de tegenrekening is van de creditcard van de vrouw. De bankrekening is bovendien vermeld op de ‘Vragenlijst effectief verdelen’ die door de vrouw bij de rechtbank is ingediend op 16 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.