GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.231.991 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 427418) arrest van 18 december 2018 in het incident de zaak van 1 [appellant sub 1] , wonende te [woonplaats] , hierna: [appellant sub 1] , 2. [appellant sub 2], wonende te [woonplaats] , hierna: [appellant sub 2] , 3. [appellant sub 3], wonende te [woonplaats] , hierna: [appellant sub 3] , appellanten in het principaal hoger beroep, geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagden in conventie, eisers in het incident, advocaat: mr. A.M. Schotte, tegen: 1 [geïntimeerde sub 1] , wonende te [woonplaats] , hierna: [geïntimeerde sub 1] , 2. [geïntimeerde sub 2], wonende te [woonplaats] , hierna: [geïntimeerde sub 2] , 3. [geïntimeerde sub 3], wonende te [woonplaats] , hierna: [geïntimeerde sub 3] , geïntimeerden in het principaal hoger beroep, appellanten in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eisers in conventie, verweerders in reconventie, verweerders in het incident, advocaat: mr. T.A.D. Luijten en 4 [geïntimeerde sub 4] , wonende te [woonplaats] , hierna: [geïntimeerde sub 4] , 5. [geïntimeerde sub 5] wonende te [woonplaats] , hierna: [geïntimeerde sub 5] , geïntimeerden in het principaal hoger beroep, appellanten in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie, verweerders in het incident,advocaat: mr. M.E.A.T. Oude Luttikhuis. Appellanten zullen hierna gezamenlijk [appellanten] worden genoemd. Geïntimeerden zullen hierna gezamenlijk als [geïntimeerden] worden aangeduid. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 6 maart 2018 hier over. De bij dat arrest gelaste comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 5 april 2018. 1.2 Het verdere verloop blijkt uit: - de memorie van grieven; - de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van geïntimeerden sub 1, 2 en 3; - de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van geïntimeerden sub 4 en 5; - de memorie van antwoord in incidenteel appel; - de incidentele vordering ex artikel 351 Rv van [appellanten] ; - de memorie van antwoord in het incident van geïntimeerden sub 1, 2 en 3; - de memorie van antwoord in het incident van geïntimeerden sub 4 en 5. 1.3 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest in het incident bepaald. 2De motivering van de beslissing 2.1 [naam erflater] is op [datum overlijden] overleden (hierna: de erflater). De erflater heeft als zijn enige erfgenamen achtergelaten zijn kinderen [naam zoon erflater] , [appellant sub 1] , [appellant sub 3] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] en zijn kleinkinderen [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 5] (die de plaats van hun aan de erflater vooroverleden vader vervullen). [naam zoon erflater] is op [datum overlijden] tijdens de procedure in eerste aanleg overleden. [geïntimeerde sub 1] , de echtgenote van [naam zoon erflater] , is enig erfgenaam van [naam zoon erflater] en is in die hoedanigheid deelgenoot in de nalatenschap van de erflater. Zij heeft in de procedure de plaats van haar echtgenoot overgenomen. [appellant sub 2] is de echtgenoot van [appellant sub 1] en geen erfgenaam van de erflater. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschap. 2.2 Een eerdere procedure tussen partijen (waartoe destijds nog [naam zoon erflater] behoorde) heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank Utrecht van 25 april 2012 en het arrest van dit hof van 9 december 2014. In deze uitspraken is onder meer voor recht verklaard dat tot de nalatenschap van de erflater vorderingen op [appellant sub 1] en [appellant sub 2] behoren van € 32.957,42 en € 171.862,47, te vermeerderen met wettelijke rente. Verder is in de uitspraken voor recht verklaard dat tot de nalatenschap behoren een vordering op [appellant sub 1] van € 108.907,26, vorderingen op [appellant sub 3] van € 67.705,66 en € 12.252,- en een vordering op [naam zoon erflater] van € 40.840,22, welke vorderingen alle dienen te worden vermeerderd met (wettelijke) rente. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdeling van de nalatenschap vastgesteld, met inachtneming van voornoemde uitspraken van de rechtbank en het hof. Het resultaat van de verdeling is dat [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 5] ieder afzonderlijk vorderingen hebben op [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] . De rechtbank heeft vervolgens: [appellant sub 1] veroordeeld aan [geïntimeerde sub 1] € 18.489,89 en aan [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] ieder € 87.388,25 te betalen: [appellant sub 2] veroordeeld aan [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 5] ieder € 35.212,20 te betalen: [appellant sub 3] veroordeeld aan [geïntimeerde sub 1] € 1.979,29 en aan [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] ieder € 9.354,66 te betalen; telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 september 2017 tot aan de dag van algehele voldoening. Het gehele vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In hoger beroep hebben [appellanten] een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. 2.3 Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en Hoge Raad 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012, met daarin maatstaven voor de beoordeling van de incidenten van de artikelen 234, 235 en 351 Rv. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.