Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005481-16 Uitspraak d.d.: 23 november 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 13 oktober 2016 met parketnummer 05-720217-16 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 05-152530-14, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1992] , wonende te [adres 1] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 15 december 2017 en 9 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts vordert de advocaat-generaal toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging van een hechtenis voor de duur van één week. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. C. Lammers, naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft - kort samengevat - bepleit dat gedurende het opsporingsonderzoek sprake is geweest van meerdere onherstelbare vormverzuimen. Allereerst is onduidelijk op basis van welke bevoegdheid verdachte is onderworpen aan een identiteitsfouillering terwijl die fouillering bovendien in strijd met het daartoe geldende voorschrift is verricht in het openbaar. Daarmee is de privacy van verdachte zonder noodzaak geschonden. Verder is ten onrechte willens en wetens een controlebevoegdheid in de zin van artikel 5.19, eerste lid van de Algemene Wet Bestuursrecht aangewend om het voertuig van verdachte te doorzoeken (welke controlebevoegdheid bovendien geen grondslag biedt voor een doorzoeking van de auto). Het na de aangifte verder nog verrichte opsporingsonderzoek is enkel en alleen gericht geweest op de betrokkenheid van verdachte. Als gevolg van genoemde verzuimen is een ernstige inbreuk gemaakt op de verdedigingsrechten van verdachte, welke verzuimen niet alleen afzonderlijk maar ook in onderling(e) verband en samenhang bezien zo ernstig zijn dat geen sprake meer is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM. De raadsvrouw heeft bepleit dat deze vormverzuimen in onderhavige zaak dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting. Oordeel van het hof Identiteitsfouillering Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben in het door hen opgestelde proces-verbaal van bevindingen van 31 mei 2016 aangegeven dat zij op 31 mei 2016 rond 3:54 uur een man met een Noord-Afrikaans uiterlijk, met kort zwart haar en zwarte bovenkleding, zagen rijden in een groene Volkswagen Golf. Vanwege het tijdstip en de snelheid waarmee het voertuig zijn weg vervolgde, volgden de verbalisanten de auto. Zij zagen de auto de [straat] in rijden. Vervolgens verloren verbalisanten de auto korte tijd uit het zicht. Toen zij aan het einde van de [straat] linksaf sloegen, zagen ze de groene Volkswagen Golf staan, met de verlichting van de auto nog aan en het raam aan de bijrijderszijde voor de helft open. In de buurt van een steegje ter hoogte van de [adres 2] troffen de verbalisanten kort hierna verdachte aan. Verbalisant [verbalisant 2] zag bij verdachte een schrikreactie toen hij verbalisant [verbalisant 1] zag. Vervolgens sprak verbalisant [verbalisant 2] verdachte aan en zag toen dat zijn gezicht bezweet was en dat hij stond te trillen. Toen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] verdachte vervolgens naar zijn identiteitskaart vroegen, zei verdachte dat hij die niet bij zich had. Daarop vorderde [verbalisant 1] verdachte om een identiteitskaart te tonen. Verdachte was wettelijk verplicht een dergelijk bewijs ter inzage aan te bieden. De politie kon die inzage ook vorderen, omdat dit - gezien bovenstaande situatie - redelijkerwijs noodzakelijk was voor de uitvoering van de politietaak. Vervolgens heeft verbalisant [verbalisant 1] een identiteitsfouillering uitgevoerd bij verdachte. Het hof overweegt dat de fouillering in het onderhavige geval noodzakelijk was gelet op de omstandigheid dat verbalisant [verbalisant 1] de juistheid van de door verdachte gegeven verklaring - inhoudende dat hij zijn identiteitsbewijs niet bij zich had – moest kunnen verifiëren. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de fouillering rechtmatig heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van het standpunt van de raadsvrouw dat de fouillering ten onrechte in het openbaar en dus in strijd met de privacy heeft plaatsgevonden, overweegt het hof dat het gezien het nachtelijke tijdstip donker was buiten, en dat verbalisant [verbalisant 2] in het hierboven bedoelde proces-verbaal van bevindingen bovendien relateert dat behalve verdachte op dat moment geen andere personen in de nabijheid (op straat) aanwezig waren. Voor zover de fouillering onder deze omstandigheden al als in het openbaar gedaan kan worden beschouwd, leidt deze in elk geval niet tot de conclusie dat verdachte daardoor in enig rechtens te respecteren belang is geschaad. Bevoegdheid onderzoeken voertuig verdachte De handelingen van verbalisant [verbalisant 1] ten aanzien van het door verdachte bestuurde voertuig zijn onmiskenbaar aan te merken als een doorzoeking. Artikel 5.19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht biedt hiertoe in deze situatie geen bevoegdheid. Het onderzoek in een voertuig dat op basis van deze bepaling wordt verricht, dient zich te beperken tot een summiere controle -het zoekend rondkijken- van het voertuig. Het hof constateert dat hier sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Echter, aangezien verbalisant [verbalisant 1] -alle tot dan toe gebleken feiten en omstandigheden in aanmerking genomen- op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering wel degelijk de bevoegdheid had om het voertuig te doorzoeken, verbindt het hof geen gevolg aan deze constatering. Voor bewijsuitsluiting ten aanzien van de in het voertuig aangetroffen goederen is dan ook geen plaats. Proces-verbaal van bevindingen [getuige] Het hof constateert dat het proces-verbaal van 31 mei 2016 met betrekking tot het horen van [getuige] , de toenmalige vriendin van verdachte, ten onrechte niet van begin af aan aan het dossier is toegevoegd, terwijl dit wel aanwezig was. Die constatering rechtvaardigt echter nog niet de conclusie dat de behandeling van deze strafzaak als gevolg van dit verzuim niet meer voldoet aan de beginselen van een behoorlijke procesorde. Van het door en namens het openbaar ministerie doelbewust en met veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort doen aan zijn recht op een eerlijke behandeling is niet gebleken. Het proces-verbaal van verhoor is bovendien voorafgaande aan de laatste –inhoudelijke- terechtzitting alsnog aan het dossier toegevoegd en daarmee is het aanvankelijke vormverzuim hersteld. Ook dit verweer kan derhalve niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Onderzoek gericht op verdachte Op de door verbalisanten in de buurt van verdachte aangetroffen zaklamp is DNA aangetroffen van een persoon genaamd [naam] . Nadat hij is gehoord als verdachte heeft het openbaar ministerie besloten geen verder onderzoek naar hem als verdachte te doen. De raadsvrouw heeft op geen enkele wijze geconcretiseerd op wie of wat het opsporingsonderzoek zich verder nog had moeten richten. Voorts sluit de mogelijkheid van eventuele betrokkenheid van een andere (mede-)verdachte de betrokkenheid van verdachte nog niet uit. Gezien bovenstaande verwerpt het hof het verweer van de raadsvrouw waarbij zij concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting. Het hof acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging. Het vonnis waarvan beroep De politierechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van een hechtenis voor de duur van één week. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 30 mei 2016 tot en met 31 mei 2016 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres 3] heeft weggenomen: - ( een grote hoeveelheid) (te weten 5) (zilveren) armbanden en/of - ( een grote hoeveelheid) (te weten 13) horloges en/of - ( andere) sieraden en/of - een kussensloop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (en/of hun zoon), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overwegingen met betrekking tot het bewijs Standpunt raadsvrouw De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om aan te nemen dat verdachte degene is geweest die in de woning van aangever [slachtoffer 1] is geweest. Evenmin kan worden bewezen dat hij degene is geweest die de sieraden heeft weggenomen. Oordeel van het hof Het hof gaat op grond van het dossier en het onderzoek ter zitting uit van de volgende feitelijke gang van zaken. Aantreffen verdachte en goederen Zoals hierboven al is overwogen, hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in het door hen opgestelde proces-verbaal van bevindingen van 31 mei 2016 aangegeven dat zij op 31 mei 2016 rond 3:54 uur een man met een Noord-Afrikaans uiterlijk, met kort zwart haar en zwarte bovenkleding, zagen rijden in een groene Volkswagen Golf. Vanwege het tijdstip en de snelheid waarmee het voertuig zijn weg vervolgde, volgden de verbalisanten de auto. Zij zagen de auto de [straat] in rijden. Vervolgens verloren verbalisanten de auto uit het zicht. Toen zij aan het einde van de [straat] linksaf sloegen, zagen ze de groene Volkswagen Golf staan, met de verlichting van de auto nog aan en het raam aan de bijrijderszijde voor de helft open. In de buurt van een steegje ter hoogte van de [adres 2] troffen de verbalisanten verdachte aan. Verbalisant [verbalisant 2] zag bij verdachte een schrikreactie toen hij verbalisant [verbalisant 1] zag. Vervolgens sprak verbalisant [verbalisant 2] verdachte aan en zag toen dat zijn gezicht bezweet was en dat hij stond te trillen. Toen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] verdachte vervolgens naar zijn identiteitskaart vroegen, zei verdachte dat hij die niet bij zich had. Daarop vorderde [verbalisant 1] verdachte om een identiteitskaart te tonen. Vervolgens heeft verbalisant [verbalisant 1] een identiteitsfouillering uitgevoerd bij verdachte. Verdachte heeft daarop zijn persoonsgegevens aan verbalisant [verbalisant 1] bekendgemaakt. Na controle in het BVI-IB systeem van de politie bleken die gegevens te kloppen. Toen verbalisant [verbalisant 1] terugliep naar het voertuig van verdachte, zag hij op ongeveer tien meter van het voertuig een zwarte handschoen op de stoep liggen. De handschoen was droog, terwijl de stoep nat was. Verbalisant [verbalisant 1] kreeg hierdoor de indruk dat de handschoen mogelijk door verdachte was weggegooid. Na doorzoeking van het voertuig trof verbalisant [verbalisant 1] een blauwkleurige schroevendraaier aan. Later trof verbalisant [verbalisant 3] bij een nader tactisch onderzoek aan de auto nog een schroevendraaier aan. Eén van de schroevendraaiers bleek qua maat overeen te komen met braaksporen die bij de woning aan de [adres 3] te [plaats] waren gevonden. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] troffen ongeveer vijfentwintig meter (hemelsbreed) van de plek waar zij verdachte eerder aantroffen, een kussensloop aan met daarin een zaklamp en diverse sieraden, afkomstig uit de woning van aangever. Deze spullen lagen achter een pallet op de grond. De verbalisanten zagen dat het terrein nat en modderig was door de daarvoor gevallen regen. De grond onder de kussensloop en eromheen was ook vochtig. De kussensloop en zaklamp waren echter geheel droog. Nadat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verdachte hadden aangehouden ter zake van diefstal c.q. heling van de aangetroffen sieraden, vonden zij onder een zilverkleurige brievenbus, vlakbij de plaats waar zij verdachte hadden aangetroffen, een bos sleutels. De autosleutel die aan deze bos zat, paste op het voertuig van verdachte. Aangifte woninginbraak Op woensdag 1 juni 2016 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van diefstal uit haar woning aan de [adres 3] te [plaats] . Na forensisch onderzoek bij deze woning, verricht door verbalisant [verbalisant 4] , werd onder andere een schoenspoor veiliggesteld, aangetroffen in het kantoortje op het bureau onder het inklimraam. Schoenspooronderzoek Het aangetroffen schoenspoor is onderzocht door R.J. Buunen, sporencoördinator en deskundige schoen- en bandsporen van de Forensische Opsporing bij de politie. E. Veldwijk, eveneens deskundige schoen- en bandsporen van de Forensische Opsporing bij de politie, heeft de conclusies van Buunen in het kader van een 'second opinion' getoetst en goed bevonden. De conclusies van Buunen luiden als volgt: - het schoenspoor
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.