Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003184-17 Uitspraak d.d.: 26 april 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 12 oktober 2015 met parketnummer 16-137630-15 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978, wonende te [woonplaats] , [adres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T.S.S. Overes, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het vonnis op de voet van artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering is aangetekend en daarom niet de in hoger beroep voorgeschreven vermeldingen bevat. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1:hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 5 mei 2015 in de gemeente Utrecht, (in uitoefening van een beroep of bedrijf) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 210 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2:hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 5 mei 2015 in de gemeente Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [energiemaatschappij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit/goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking; Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat op onrechtmatige wijze in de woning van verdachte is binnengetreden door de verbalisanten. Er heeft zich namelijk geen situatie voorgedaan dat hulp moest worden verleend, die noodzakelijk was in verband met de veiligheid van personen of goederen. De bevoegdheid tot binnentreden is daardoor onrechtmatig aangewend en levert een onherstelbaar vormverzuim op. Verdachte is hierdoor ernstig in zijn belangen geschaad. De raadsvrouw heeft betoogd dat het vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting en verdachte derhalve moet worden vrijgesproken. Uit het dossier kan worden afgeleid dat verbalisanten de opdracht krijgen om naar de [adres] te Utrecht te gaan. Er zou volgens de energiemaatschappij sprake zijn van wateroverlast. Ter plaatse blijkt dat voornoemde woning is gelegen op de tiende etage. Er is onderzoek gedaan waar de wateroverlast vandaan zou komen. Op de negende etage kwam er water vanuit het plafond de woning ingelopen. De wateroverlast moest wel vanuit de bovengelegen woning komen op de tiende etage. Er is getracht contact te maken met de bewoners, maar er werd niet open gedaan. De wateroverlast was behoorlijk en had inmiddels de tweede etage bereikt. De wateroverlast reikte dus over negen etages en was enkel te stoppen door de hoofdkraan in voornoemde woning af te sluiten. Op grond van artikel 3 Politiewet is de voordeur van deze woning geforceerd en wordt binnengetreden. Vervolgens is de in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Het hof overweegt als volgt. Artikel 2 derde lid Algemene wet op het binnentreden luidt als volgt: Een schriftelijke machtiging als bedoeld in het eerste lid is niet vereist, indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden. Op grond van de vermelde feiten en omstandigheden in onderling verband en in samenhang bezien hebben de verbalisanten redelijkerwijs tot de bevinding kunnen komen dat zich een situatie voorgedaan zoals bedoeld in artikel 2 derde lid Algemene wet op het binnentreden. De politie heeft de woning terstond moeten betreden om de ernstige wateroverlast – en daarmee ernstig en onmiddellijk gevaar voor in ieder geval goederen - te doen stoppen. Daarmee heeft de politie ook hulp verleend aan hen die dit behoefden, namelijk de bewoners van de daaronder gelegen appartementen bij wie sprake was van wateroverlast. Van enig vormverzuim is geen sprake. Het verweer van de raadsvrouw wordt reeds om deze reden verworpen. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1:hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 5 mei 2015 in de gemeente Utrecht, (in uitoefening van een beroep of bedrijf) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 210 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II., dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2:hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 5 mei 2015 in de gemeente Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [energiemaatschappij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit/goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder feit 1 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Het onder feit 2 bewezenverklaarde levert op: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak of verbreking. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Redelijke termijn De advocaat-generaal heeft gevorderd om bij de strafmaat rekening te houden met een overschrijding van redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof is van oordeel dat de redelijke termijn in de deze in eerste instantie bij verstek berechte zaak niet is overschreden en overweegt daartoe het volgende. Het vonnis in de strafzaak is gewezen op 12 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.