WAHV 200.189.770 8 februari 2018 CJIB 173261633 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 8 maart 2016 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de minister van veiligheid en justitie van 15 april 2014 en de beslissing van de officier van justitie van 24 april 2015 ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Beoordeling Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking van 2 juli 2013 een administratieve sanctie opgelegd. Daartegen heeft de gemachtigde van de betrokkene op 11 augustus 2013 administratief beroep ingesteld. De officier van justitie heeft dat beroep bij beslissing van 13 december 2013 ongegrond verklaard. De gemachtigde heeft bij schrijven van 24 december 2013 beroep ingesteld bij de kantonrechter tegen die beslissing van de officier van justitie. Bij brief van 13 januari 2014 heeft de gemachtigde de officier van justitie verzocht om vernietiging van de beschikking, omdat het ingediende beroepschrift nog niet aan de kantonrechter is doorgezonden. De officier van justitie heeft bij brief van 31 januari 2014 meegedeeld dat hij geen reden ziet om op zijn beslissing op het administratief beroep terug te komen. Op 3 februari 2014 heeft de gemachtigde daartegen bezwaar ingediend. De Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) heeft dat bezwaar bij beslissing van 15 april 2014 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De gemachtigde heeft op 29 april 2014 beroep ingesteld bij de kantonrechter tegen dat besluit en verzocht om een proceskostenveroordeling. Na de zitting van 26 juni 2014 bij de kantonrechter heeft de officier van justitie op 3 november 2014 een verweerschrift ingediend. Bij brief van 6 maart 2015 heeft de gemachtigde hierop gereageerd. Op 24 april 2015 heeft de officier van justitie de beslissing van 15 april 2014 herroepen. De kantonrechter heeft bij de beslissing van 8 maart 2016, waarvan thans beroep, geconcludeerd dat hij bevoegd is om over het beroep te oordelen. Voorts heeft hij overwogen dat, dat doende, noch tegen de reactie van de minister op het verzoek tot heroverweging noch tegen de reactie van de officier van justitie op dat verzoek een rechtsmiddel open stond, zodat de betrokkene terecht kennelijk door hen niet ontvangen werd in zijn bezwaar en het beroep tegen beide beslissingen ongegrond moet worden verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek tot het toekennen van een proceskostenvergoeding afgewezen. De gemachtigde is van mening dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. Hij voert daartoe aan dat beroep bij de kantonrechter is ingesteld en dat hangende dit beroep de beslissing van de minister van 15 april 2014 is herroepen en dat daarom sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, hetgeen een proceskostenvergoeding met zich mee had behoren te brengen. Voorts stelt de gemachtigde dat de kantonrechter ten onrechte de beslissingen van 15 april 2014 en 24 april 2015 in stand heeft gelaten, omdat de herroeping en vervanging van het besluit van 15 april 2014 van de minister door de beslissing van de officier van justitie van 24 april 2015 onbevoegd is geschied. Gelet hierop bestaan er twee beslissingen ten aanzien van hetzelfde bezwaarschrift. Daarnaast is de motivering van de beslissing van de officier van justitie van 24 april 2015, dat tegemoetkoming aan het bezwaar in strijd zou zijn met de wet, onjuist. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat onder beschikking wordt verstaan een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. Onder aanvraag wordt, ingevolge het derde lid van dit artikel, verstaan een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld met een besluit. Artikel 6:12 Awb geeft regels omtrent het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.