← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2018:1278

WAHV 200.191.360 8 februari 2018 CJIB 187407333 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 22 april 2016 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om vergoeding van kosten. Op 6 juni 2016 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Beoordeling

  1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gronden van het beroep, ondanks het feit dat de gemachtigde daartoe door de kantonrechter bij tussenbeslissing van 24 februari 2016 in de gelegenheid was gesteld, te laat en onvolledig zijn aangevuld.
  2. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de gronden niet tijdig zijn aangevuld. De kantonrechter heeft in zijn tussenbeslissing van 24 februari 2016 aangegeven dat de gronden binnen vier weken na heden zouden moeten zijn aangevuld. Deze beslissing is toegezonden op 3 maart
  3. De gronden moesten dus binnen vier weken na 3 maart 2016 binnen zijn. De gronden zijn op 28 maart 2016 bij de rechtbank ingekomen en dus tijdig aangevuld. Daarnaast heeft de kantonrechter in zijn tussenbeslissing reeds beslist dat het beroep ontvankelijk is. Het stond de kantonrechter niet vrij om op die beslissing terug te komen. Aldus heeft de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
  4. Het hof stelt vast dat het beroepschrift bij de kantonrechter d.d. 25 mei 2015 geen gronden van beroep bevat.
  5. Het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter d.d. 24 februari 2016 houdt - voor zover van belang - het volgende in: "Het beroep is ontvankelijk omdat het tijdig is ingesteld en er zekerheid is gesteld voor de betaling van de sanctie. (…) De kantonrechter beslist als volgt: Houdt de behandeling van de zaak aan teneinde betrokkene in de gelegenheid te stellen binnen vier werken na heden de gronden van het beroep aan te vullen."
  6. Uit de tussenbeslissing van de kantonrechter volgt dat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld om binnen een termijn van vier weken - gerekend vanaf de datum van die beslissing - de gronden van het beroep aan te vullen. Gelet daarop eindigde de termijn op 23 maart
  7. De omstandigheid dat het proces-verbaal waarin die tussenbeslissing is opgenomen pas op 3 maart 2016 naar de gemachtigde is toegezonden, maakt dit niet anders. Weliswaar is de gemachtigde daardoor feitelijk een termijn van 19 dagen geboden, maar deze termijn kan naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval niet als onredelijk worden beschouwd. Niet gesteld of gebleken is dat het voor de gemachtigde redelijkerwijs niet mogelijk was om binnen deze termijn gronden tegen de beslissing van de officier van justitie te formuleren.
  8. Bij brief van 28 maart 2016, op diezelfde datum binnengekomen bij de rechtbank, heeft de gemachtigde gronden tegen de beslissing van de officier van justitie aangevoerd. Nu de termijn eindigde op 23 maart 2016 is het hof met de kantonrechter van oordeel dat de gronden niet tijdig zijn aangevuld.
  9. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren. De omstandigheid dat de kantonrechter in zijn tussenbeslissing van 24 februari 2016 heeft overwogen dat het beroep ontvankelijk is omdat het tijdig is ingesteld en er zekerheid is gesteld voor de betaling van de sanctie, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter hiermee slechts tot uitdrukking willen brengen dat aan de genoemde ontvankelijkheidsvereisten is voldaan. Aldus is de kantonrechter in zijn eindbeslissing niet teruggekomen op een in zijn tussenbeslissing gegeven oordeel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen.
  10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen. Beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.