GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.222.811/01 en 200.222.822/01 (zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/18/165091 FA RK 16/469 en C/18/170517 FA RK 16/2745) beschikking van 6 februari 2018 inzake [verzoeker] , wonende te [A] ,verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. F. Gosselaar te Winschoten, en [verzoekster] , wonende te [A] , verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: voorheen mr. F. Gosselaar te Winschoten, thans mr. E. Henkelman te Groningen, en de raad voor de kinderbescherming, gevestigd te Groningen, verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de raad. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: 1de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland, gevestigd te Arnhem, verder te noemen: de GI, 2. [de pleegouders] , wonende te [B] , verder te noemen: de pleegouders. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 12 juli 2016 en 6 juni 2017 (zaaknummer C/18/165091 FA RK 16/469) en 6 juni 2017 (zaaknummer C/18/170517 FA RK 16/2745). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift van de vader en de moeder, met productie(s), ingekomen op 11 augustus 2017; - het verweerschrift van de raad met productie(s); - een brief van mr. Gosselaar van 19 september 2017 met productie(s); - een journaalbericht namens mr. Gosselaar van 24 oktober 2017 met productie(s); - een brief van de GI van 30 oktober 2017; - een brief van mr. Henkelman van 6 november 2017; - een brief van mr. Henkelman van 22 december 2017; - een brief van mr. Gosselaar, gedateerd 24 oktober 2017, ingekomen op 5 januari 2018, met productie(s). 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 8 januari 2018 plaatsgevonden. De vader is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Verder is mr. Henkelman namens de moeder verschenen. Namens de raad is [C] verschenen. Namens de GI is [D] verschenen. 3De feiten 3.1 De vader en de moeder (hierna: de ouders) zijn de ouders van: - [de minderjarige1] , geboren [in] 2009 (verder te noemen: [de minderjarige1] ); - [de minderjarige2] , geboren [in] 2012 (verder te noemen: [de minderjarige2] ). De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige2] en waren tot de bestreden beschikking gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige1] . 3.2 [de minderjarige1] is verslaafd geboren en had ontwenningsverschijnselen. Op 2 december 2009 is zij voorlopig en op 24 december 2009 definitief onder toezicht gesteld van de toenmalige Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland (hierna: SBJG). [de minderjarige1] heeft tot begin januari 2010 op medische indicatie in het ziekenhuis gelegen. Na ontslag uit het ziekenhuis is zij op 8 januari 2010 middels een spoedmachtiging in een crisispleeggezin geplaatst op een geheim adres. Sinds mei 2010 verblijft [de minderjarige1] bij de pleegouders (een perspectiefbiedend pleeggezin). 3.3 [de minderjarige2] verblijft sinds haar geboorte bij de ouders. 3.4 In 2013 heeft op verzoek van de SBJG een civielrechtelijk onderzoek plaatsgevonden, uitgevoerd door drs. [E] . In het onderzoeksrapport van 21 juli 2013 wordt onder meer geconcludeerd dat terugplaatsing van [de minderjarige1] bij de ouders in het belang van [de minderjarige1] en haar ontwikkeling niet wenselijk is. 3.5 De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] zijn telkens verlengd, laatstelijk tot 1 december 2015. Eind 2015 achtte de raad verlenging van de maatregelen niet meer opportuun omdat de ouders ermee hadden ingestemd dat [de minderjarige1] bij de pleegouders zou opgroeien. 3.6 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 11 februari 2016, hebben de ouders verzocht te bepalen dat [de minderjarige1] bij hen teruggeplaatst dient te worden en dat haar gewone verblijfplaats in hun gezin zal zijn, met ingang van een datum die de rechtbank juist acht. 3.7 Bij brief van 21 maart 2016 hebben de pleegouders zich beroepen op hun blokkaderecht. 3.8 Bij beschikking van 20 mei 2016 heeft de rechtbank op verzoek van de raad (naar aanleiding van voornoemd verzoek van de ouders tot terugplaatsing van [de minderjarige1] ) [de minderjarige1] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. 3.9 Bij beschikking van 12 juli 2016 heeft de rechtbank de raad verzocht te onderzoeken welke maatregel in de gegeven situatie het meest in het belang van [de minderjarige1] is. 3.10 Bij beschikking van 2 augustus 2016 heeft de rechtbank - omdat het raadsonderzoek nog niet was afgerond - [de minderjarige1] onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Noord tot 2 mei 2017 en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling. 3.11 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 30 september 2016, heeft de raad naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek de rechtbank verzocht het gezag van de ouders over [de minderjarige1] te beëindigen en de GI tot voogd over [de minderjarige1] te benoemen. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking van 6 juni 2017 (zaaknummer C/18/170517 FA RK 16/2745) heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de ouders over [de minderjarige1] beëindigd, de GI tot voogd benoemd over [de minderjarige1] en het meer of anders verzochte afgewezen. 4.2 Bij de afzonderlijke, eveneens bestreden, beschikking van 6 juni 2017 (zaaknummer C/18/165091 FA RK 16/469) heeft de rechtbank de verzoeken van de ouders om te bepalen dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige1] weer bij de ouders zal zijn dan wel om een deskundigenonderzoek te gelasten, afgewezen onder verwijzing naar de in 4.1 vermelde beschikking van 6 juni 2017. 4.3 De ouders zijn met drie grieven in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikkingen van 6 juni 2017. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De ouders verzoeken het hof beide beschikkingen te vernietigen en opnieuw rechtdoende de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] te verlengen in afwachting van de uitkomst van een door het hof te gelasten diagnostisch onderzoek naar het toekomstig ontwikkelingsperspectief van [de minderjarige1] , met benoeming van deskundigen die dit onderzoek zullen uitvoeren, waarbij de ouders hun voorkeur uitspreken om onder meer tot deskundige te benoemen professor dr. [F] , die dan eventueel nog andere deskundigen hierbij zal kunnen inschakelen. 4.4 De raad voert verweer en verzoekt het hof de verzoeken van de ouders in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen. 5De motivering van de beslissing Gewijzigde omstandigheden na indiening beroepschrift 5.1 Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat na het door mr. Gosselaar namens zowel de vader als de moeder ingestelde hoger beroep de omstandigheden zijn gewijzigd in die zin dat de ouders inmiddels feitelijk uit elkaar zijn, dat zij zullen gaan scheiden en dat mr. Henkelman zich gesteld heeft voor de moeder. Zowel mr. Henkelman als mr. Gosselaar heeft ter zitting verklaard dat zij gelet op de gewijzigde omstandigheden zich refereren aan het oordeel van het hof in de onderhavige procedure. Beëindiging gezag ouders 5.2 Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt. 5.3 Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief. 5.4 Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.