GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.219.900 (zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 422527 en 429351) beschikking van 27 februari 2018 inzake [De man] , wonende te [woonplaats] ,verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. A.P. van Stralen te Utrecht, en [De vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. K. van Bijsterveld te Hilversum . 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 april 2017, uitgesproken onder voormelde zaaknummers, verder te noemen: de bestreden beschikking. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 juli 2017; - het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties; - het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep; - een journaalbericht van mr. Van Bijsterveld van 4 januari 2018 met producties; - een journaalbericht van mr. Van Stralen van 10 januari 2018 met producties. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 18 januari 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ook is verschenen mevrouw [Tolk] als tolk in de [XX] taal voor de man. 2.3 Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.” 2.4 Desgevraagd heeft mr. Van Bijsterveld ter mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende heeft kennisgenomen van de bijlagen bij het journaalbericht van mr. Van Stralen van 10 januari 2018, dat zij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemt met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlagen. 3De feiten 3.1 Partijen zijn op [datum] onder het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Zij zijn de ouders van [kind] , verder te noemen: [kind] , geboren op [geboortedatum] te [woonplaats] . De vrouw heeft de rechtbank Midden-Nederland op 1 september 2016 verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en nevenvoorzieningen te treffen. De man heeft eveneens verzocht nevenvoorzieningen te treffen en voor zover nog van belang verzocht de bijdrage van de vrouw in zijn levensonderhoud vast te stellen op € 972,- per maand. 3.2 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en de bijdrage van de vrouw in het levensonderhoud van de man bepaald op € 394,-, met ingang van de dag van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot een duur van twee jaar na die ingangsdatum. Het huwelijk van partijen is op 30 mei 2017 ontbonden door inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand. 4De omvang van het geschil 4.1 De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de limitering van de termijn van de partneralimentatie tot een termijn van twee jaar. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt:) voor zover in hoger beroep in geschil, en te bepalen dat de vrouw aan de man € 394,- per maand dient te voldoen zonder nadere limitering, kosten rechtens. De vrouw voert verweer. 4.2 De vrouw is met drie grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de behoefte van de man en op zijn verdiencapaciteit. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking deels te vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad al dan niet onder verbetering van gronden, te bepalen dat: - ( primair) de man in staat wordt geacht in zijn eigen behoefte van € 983,- per maand te kunnen voorzien en dat de man geen aanvullende behoefte heeft aan partneralimentatie, - ( subsidiair) de vrouw ontbreekt aan draagkracht en de partneralimentatie met ingang van de definitieve echtscheiding op nihil wordt gesteld, - (meer subsidiair) voor zover het hof een bijdrage vast stelt, die partneralimentatie in duur wordt beperkt tot één jaar na de datum van de definitieve echtscheiding, te weten tot uiterlijk 30 mei 2018, - de partneralimentatie die de vrouw aan de man heeft voldaan vanaf de datum van de definitieve echtscheiding tot aan de datum van de te geven beschikking, onverschuldigd is voldaan en de man gehouden is deze bedragen terug te betalen; - de man wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van de vrouw gemaakt, waaronder de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten van de vrouw. De man voert verweer. 5De motivering van de beslissing Ontvankelijkheid van de man in het principaal hoger beroep 5.1 De vrouw stelt dat de man niet-ontvankelijk is in het principaal hoger beroep, omdat hij heeft berust in de bestreden beschikking. De advocaat van de man heeft aan de advocaat van de vrouw op 24 mei 2017 een brief gestuurd en daarbij een akte van berusting (productie 1 van de vrouw in hoger beroep) gevoegd, waarin is vermeld: “Ondergetekende verklaart onder afstand van alle rechtsmiddelen te berusten in deze beschikking”. Nadat de vrouw had voldaan aan haar in de bestreden beschikking vastgestelde verplichtingen, waaronder betaling van bepaalde bedragen aan de man, heeft de man alsnog hoger beroep ingesteld tegen die beschikking. 5.2 De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij heeft berust in de bestreden beschikking voor zover het de daarbij uitgesproken echtscheiding betreft, maar dat hij niet heeft berust in die beschikking betreffende de daarin vastgestelde partneralimentatie. 5.3 Ingevolge het bepaalde in artikel 358 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen eindbeschikkingen in zaken als bedoeld in artikel 261 Rv hoger beroep open, behoudens berusting. Artikel 334 Rv bepaalt dat elke partij die heeft berust in een vonnis, niet meer ontvankelijk kan zijn om daarvan in hoger beroep te komen. Daarbij geldt dat van berusting slechts sprake kan zijn ingeval de in het ongelijk gestelde partij (in dit geval de man) na de uitspraak jegens de wederpartij (in dit geval de vrouw) een houding heeft aangenomen waaruit in het licht van de omstandigheden van het geval ondubbelzinnig blijkt dat hij zich bij de uitspraak neerlegt. De eis van ondubbelzinnigheid brengt mee dat de rechter zich terughoudend moet opstellen bij het aannemen van de berusting in verband met de ingrijpende gevolgen die daaraan verbonden zijn. Er mag geen twijfel bestaan dat de bedoeling heeft bestaan dat berust wordt in de uitspraak. De enkele voldoening aan een uitspraak levert geen berusting op, ook niet als dit vrijwillig, zonder voorbehoud of onverplicht gebeurt (HR 8 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0146, NJ 1992/98). 5.4 Het hof oordeelt dat tegenover de betwisting door de man niet is komen vast te staan dat ondubbelzinnig is gebleken dat de man zich neerlegt bij de uitspraak. In de kop van de akte van berusting, is vermeld: "akte van berusting tevens verzoek tot inschrijving van de echtscheiding". In die akte is uitdrukkelijk vermeld dat de man heeft kennisgenomen van de bestreden beschikking "bij welke beschikking de echtscheiding is uitgesproken". Uit de akte van berusting blijkt dat de man berust in de echtscheiding; daaruit blijkt niet dat de man ondubbelzinnig heeft berust in de in die beschikking genomen beslissingen betreffende de nevenvoorzieningen, waaronder de vaststelling van de partneralimentatie. De man kan worden ontvangen in zijn verzoek in hoger beroep. partneralimentatie; behoefte/ingangsdatum/terugbetaling 5.5 In hoger beroep is niet meer in geschil dat de behoefte van de man € 983,- netto per maand bedraagt. Evenals de rechtbank gaat het hof ervan uit dat de man met zijn onderneming [X] een winst behaalt van € 5.500,- per jaar, en dat dit leidt tot een netto inkomen van € 458,- per maand. Gebleken is dat de man met ingang van 6 december 2017 een arbeidscontract heeft als "bartender-bediening" bij [restaurant] in [plaats] , [plaats] en dat zijn bruto loon € 10,- per uur bedraagt. Desgevraagd heeft de man verklaard dat hij twee dagen per week en 8 uur per dag werkt. Het hof houdt dan ook rekening met inkomsten uit arbeid van € 160,- bruto per week met ingang van 6 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.