GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer 17/00500 uitspraakdatum: 9 januari 2018 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 april 2017, nummer AWB 16/4946, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag recht van successie opgelegd voor het jaar 2009 voor een belaste verkrijging van € 2.346.737 (hierna: de aanslag). 1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belaste verkrijging van € 2.330.
(1903)geoordeeld: “dat volgens de wet de rechten van den fiscus alleen en uitsluitend bepaald worden naar toestanden, die op het oogenblik van overlijden in werkelijkheid bestaan; .... dat aan deze regeling geen uitvoering gegeven zou kunnen worden indien eene scheiding en deeling invloed kon uitoefenen op den belastingplicht, daar baten kunnen zijn toebedeeld, die tusschen den tijd van overlijden en scheiding in de plaats gekomen zijn van baten der nalatenschap en die dus ten dage van het overlijden daarin niet gevonden werden; ..... dat het toch niet aannemelijk is, dat in eene fiskale wet het aan den wil van deelgerechtigden zoude zijn overgelaten om de belasting al of niet te betalen, wat echter het geval zoude zijn indien men zich daarvan bevrijden kon door aangifte te doen na de scheiding; dat kon deze invloed uitoefenen op den belastingplicht, in de wet bepalingen verwacht zouden worden om bij aangifte vóór de scheiding onbillijkheden ten gevolge harer werking ingetreden, op te heffen, hoedanige bepalingen in de wet niet te vinden zijn;” 4.5 Verder heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 11 juli 1989, nr. 25.735, ECLI:NL:HR:1989:ZC4084, BNB 1989/260, geoordeeld: “4.
- Het Hof heeft geoordeeld dat indien een erflater een boedelverdeling bij testament tot stand brengt met overbedeling van een van de erfgenamen, die daardoor aan zijn mede-erfgenamen dienovereenkomstige bedragen verschuldigd wordt waarover een normale rente is verschuldigd, niet kan worden gezegd dat de overbedeelde erfgenaam van het bedrag dat hij schuldig wordt het vruchtgebruik of een daarmee gelijkgesteld bedrag als bedoeld in art. 18 van de Successiewet 1956 heeft verkregen. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat dit niet anders is indien die rente eerst opeisbaar is tegelijk met de hoofdsom en het een zogenaamde enkelvoudige rente betreft. 4.
- Het tegen die oordelen gerichte middel is gegrond. Dat over de vorderingen wegens overbedeling een normale rente is verschuldigd, neemt niet weg dat in een geval als het onderhavige, waarin de rente eerst opeisbaar wordt bij het overlijden van de overbedeelde erfgenaam, deze erfgenaam het vruchtgebruik als bedoeld in voormeld artikel heeft van het wegens overbedeling verschuldigde bedrag. Hij behoeft immers in feite de rente, die zal gaan behoren tot het passief van zijn nalatenschap, tijdens zijn leven niet te betalen. 4.
- De Inspecteur heeft derhalve terecht het feitelijk genot, dat de overbedeelde erfgename van het door haar wegens overbedeling verschuldigde bedrag heeft, aangemerkt als een vruchtgebruik in de zin van art. 18, lid 1, van de Successiewet
- 4.
- Het middel is derhalve gegrond en de uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Zulks kan echter niet leiden tot bevestiging van de uitspraak van de Inspecteur. Blijkens de vaststellingen van het Hof zijn partijen het weliswaar erover eens dat de nominale waarde van de erfdelen van belanghebbenden dienen te worden gesteld op f 17.152 en dat de daarover verschuldigde rente als een normale rente moet worden beschouwd, doch de klaarblijkelijk ook eenstemmig daaruit door partijen getrokken conclusie, dat de op de voet van art. 21, aanhef en onder II, van de Successiewet 1956 door de Inspecteur berekende waarde van het vruchtgebruik juist is, kan in dit geding niet worden gevolgd omdat die conclusie berust op een rechtens onjuist uitgangspunt. Zoals in de conclusie van de Advocaat-generaal onder 3.4 is uiteengezet, dient immers voor de vaststelling van de waarde van het vruchtgebruik niet te worden uitgegaan van de 'nominale' rente van 8 percent, maar van de hoogte van de rente met inachtneming van het feit dat deze pas opeisbaar is bij het overlijden van de overbedeelde erfgename. Alsdan komt de waarde van het vruchtgebruik, zoals in de conclusie van de Advocaat-generaal berekend, uit op f 4.116 en de waarde van de vorderingen van belanghebbende ten sterfdage op f 13.036.” 4.6 In het arrest van 25 juni 2010, nr. 09/00603, ECLI:NL:HR:2010:BL5593, heeft de Hoge Raad geoordeeld: “3.1.
- Op 10 maart 2004 is B (hierna: erflater) overleden. Bij testament van 11 mei 1983 had erflater beschikt over zijn nalatenschap. Bij een in dat testament opgenomen ouderlijke boedelverdeling had hij onder meer bepaald dat over vorderingen van de kinderen op zijn echtgenote (hierna: de echtgenote) geen rente verschuldigd is. 3.1.
- De evenvermelde beschikking is aan te merken als een uiterste wilsbeschikking in de zin van artikel 1, lid 5, van de Successiewet 1956 (hierna: de SW) die inhoudelijk overeenkomt met het bepaalde in afdeling 1 van titel 3 van Boek 4 van het BW. (…). 3.3.
- Ingevolge artikel 1, lid 2, van de SW wordt - voor zover hier van belang - voor de toepassing van de SW onder verkrijging krachtens erfrecht mede verstaan 'de verkrijging ingevolge een overeenkomst met betrekking tot rentevergoeding als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek'. 3.3.
- Laatstgenoemde wetsbepaling bepaalt onder meer: 'De in lid 3 bedoelde geldsom wordt, tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot en het kind tezamen, anders hebben bepaald, vermeerderd met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes (...)'. 3.3.
- De tekst van artikel 1, lid 2, van de SW verzet zich er niet tegen dat onder 'een overeenkomst met betrekking tot rentevergoeding als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek' mede wordt begrepen een overeenkomst als de onderhavige. Niet valt in te zien waarom de woorden 'rentevergoeding als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek' niet zouden verwijzen naar elke vergoeding van rente - de wettelijke rente, een testamentair bepaalde rente of een overeengekomen rente - over de in lid 3 van dat artikel bedoelde geldsom. 3.3.
- De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1, lid 2, van de SW geeft ook geen aanleiding tot een beperktere uitleg, zoals die waarvan het Hof is uitgegaan. In de passage aangehaald in onderdeel 4.15 van de conclusie van de Advocaat-Generaal - die overeenstemt met de passage uit de notitie over fiscale aspecten van het ab intestaat erfrecht, aangehaald in onderdeel 4.8 van die conclusie - staat integendeel vermeld dat een overeengekomen rentevergoeding die afwijkt van een testamentair bepaalde rente 'in beginsel op dezelfde wijze [wordt] behandeld als een rentevergoeding die nog bij testament is bepaald'. Uit het vervolg van deze passage volgt dat de wetgever alleen een beperking heeft willen aanbrengen ter zake van de termijn waarbinnen, na het overlijden, nog overeenkomsten ter zake van rentevergoeding kunnen worden gesloten waarvan de uitkomst voor de toepassing van de SW met een erfrechtelijke verkrijging wordt gelijkgesteld” Fictief vruchtgebruik? 4.7 Vast staat dat belanghebbende op grond van het testament de nalatenschap heeft verdeeld als ware er een wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 4:13 van het BW. Dientengevolge hebben de zonen een geldvordering op belanghebbende verkregen. 4.8 Naar het oordeel van het Hof is er sprake van een verkrijging krachtens erfrecht. Artikel 1, lid 5, van de SW, bepaalt – globaal gezegd – dat er ook sprake is van een verkrijging krachtens erfrecht indien de geldvordering opkomt bij een testament dat inhoudelijk overeenkomt met een wettelijke verdeling. In het onderhavige geval is, nu in het testament de testamentaire last – van de verdeling als ware er een wettelijke regeling – het uitgangspunt is en alleen binnen twee jaar na het overlijden ongedaan kan worden gemaakt dan wel kan worden laten vervallen, daarvan naar het oordeel van het Hof sprake. Steun daarvoor, ontleent het Hof aan de tekst van dit artikellid en de in 4.2 en 4.3 (eerste alinea) vermelde wetsgeschiedenis, zij het dat laatstvermelde wetsgeschiedenis betrekking heeft op de situatie vanaf 1 januari
- Bovendien wordt met gebeurtenissen na het overlijden geen rekening gehouden, hetgeen in lijn ligt met het in 4.4 vermelde arrest. Het Hof merkt nog op dat het in 4.6 vermelde arrest niet tot een andere conclusie noopt. Het Hof ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 1, lid 5, van de SW, niet van toepassing is omdat hierin alleen geldvorderingen en niet geldschulden worden genoemd. Hoogte fictief vruchtgebruik 4.9 Belanghebbende betoogt dat het fictief vruchtgebruik op € 1.275.410 moet worden vastgesteld, omdat belanghebbende het door [B] verschuldigde recht van successie renteloos heeft voorgeschoten. 4.10 Dit betoog faalt omdat de vordering van belanghebbende op [B] niet krachtens erfrecht is ontstaan, nu zulks niet uit het testament voortvloeit maar door belanghebbende om haar moverende redenen met haar zoon is overeengekomen, zodat deze voor de berekening van de verkrijging van belanghebbende niet kan worden gesaldeerd met de overbedelingsschuld van belanghebbende aan [B] die wel krachtens erfrecht is ontstaan. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van mr. Y. Postema-van der Koogh als griffier. De beslissing is op 9 januari 2018 in het openbaar uitgesproken. De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter, te ondertekenen (Y. Postema-van der Koogh) (B.F.A. van Huijgevoort) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 9 januari 2018 Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij: de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.