Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006510-13 Uitspraak d.d.: 15 maart 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 juli 2013 met parketnummer 07-662289-12 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [1968] , wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 subsidiair, te weten dood door schuld, en 2 is tenlastegelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen is de advocaat-generaal van oordeel dat deze conform de beslissing van de rechtbank kunnen worden teruggegeven. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. G.I. Roos, naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Verdachte is bij vonnis waarvan beroep van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken. Hoger beroep tegen deze vrijspraak staat niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaren. De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof aangegeven dat het onder 2 ten laste gelegde feit niet meer ter discussie staat, nu verdachte dit feit heeft toegegeven. Het hof is van oordeel dat verdachte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep, nu verdachte, gelet op bovenstaande mededeling, geen belang meer heeft bij behandeling van dat feit. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, heeft verdachte vrijgesproken van het hem onder 1 ten laste gelegde levensdelict en hem veroordeeld voor het onder 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie II of categorie III en munitie van de categorie II of III tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van het voorarrest en tot teruggave van het beslag aan respectievelijk de nabestaanden van [slachtoffer] , [getuige 1] en aan verdachte. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt en zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat: 1 primair:hij op of omstreeks 12 mei 2012, in elk geval in of omstreeks de periode van 12 mei 2012 tot en met 14 mei 2012 in de gemeente Lelystad opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen op/in het hoofd van voornoemde [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; 1 subsidiair:hij op of omstreeks 12 mei 2012, in elk geval in of omstreeks de periode van 12 mei 2012 tot en met 14 mei 2012 in de gemeente Lelystad, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig (terwijl hij een (zeer) (grote) hoeveelheid alcoholhoudende drank had genuttigd) - een vuurwapen ter hand heeft genomen en/of - (vervolgens) dat vuurwapen zodanig onvoorzichtig heeft vastgehouden en/of gericht gehouden op het hoofd van de zich in zijn, verdachtes, (dichte) nabijheid bevindende [slachtoffer] waardoor, althans mede waardoor, dat wapen is afgegaan en voornoemde [slachtoffer] getroffen werd door een kogel uit dat wapen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat voornoemde [slachtoffer] zodanig letsel, te weten een schotverwonding in het hoofd (met veel hersenschade), heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden; 2:hij op of omstreeks 12 mei 2012 in de gemeente Lelystad een of meer wapens van categorie II of van categorie III, te weten een vuurwapen, en/of munitie van categorie II en/of categorie III, te weten een of meer patronen, voorhanden heeft gehad. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Het standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie, dat hoger beroep heeft ingesteld, heeft bij appelmemorie en ter zitting in hoger beroep als grief aangevoerd - kort samengevat - dat de rechtbank verdachte ten onrechte heeft vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. De advocaat-generaal gaat bij zijn vordering ter terechtzitting uit van bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde schulddelict, te weten dood door schuld. De advocaat-generaal heeft betoogd dat onvoldoende bewijs voor moord dan wel doodslag aanwezig is nu onvoldoende bekend is welke gedragingen van verdachte ertoe hebben geleid dat het wapen is afgegaan. De advocaat-generaal vindt de uitlatingen van verdachte, kort nadat het feit zich afspeelde, passen bij een door verdachte zelf, zij het per ongeluk, doodschieten van [slachtoffer] . Verdachte zou het wapen hebben meegebracht met alle risico’s van dien. Wie onder invloed van drank en cocaïne een geladen en schietklaar wapen hanteert om te laten zien hoe het wapen werkt of er mee speelt, handelt levensgevaarlijk, zeer onvoorzichtig en heeft dus grove en minstens aanmerkelijke schuld als het wapen niet alleen afgaat, maar ook nog iemand dodelijk raakt. Het voorgaande in aanmerking genomen acht de advocaat-generaal het onder 1 subsidiair ten laste gelegde dood door schuld en het onder 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie II of III en de daarbij horende munitie bewezen. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft voor het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe, blijkens de pleitnota - kort en zakelijk weergegeven - betoogd dat [slachtoffer] om het leven is gekomen doordat zij zichzelf door het hoofd heeft geschoten en verdachte daarin geen strafbaar aandeel heeft gehad. Geheel subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verklaringen van [getuige 2] niet geloofwaardig zijn nu niet meer onderscheiden kan worden wat verdachte haar gezegd zou hebben, wat zij van anderen zou hebben gehoord en wat zij zelf heeft verzonnen. De overwegingen van het hof met betrekking tot het bewijs Op 14 mei 2012 kregen verbalisanten van politie Flevoland de opdracht om te gaan naar de [adres] te Lelystad. Aldaar zou een vrouw verblijven met wie sinds 11 mei 2012 geen contact meer was gekregen. Omstreeks 20.10 uur kwamen verbalisanten bij het bovengenoemde adres aan. Na zich toegang te hebben verschaft tot de woning troffen de verbalisanten een overleden vrouw aan in de woonkamer. De overleden vrouw betrof: [slachtoffer] , geboren op [1971] te [geboorteplaats 2] . De doodsoorzaak Bij de sectie bleek dat er rechts in de behaarde hoofdhuid, 20 centimeter rechts van het midden, een perforatieopening van circa 0,8 cm (diameter) zat. In de linker neusvleugel, op 0,5 centimeter van het midden was een stervormige perforatie van circa 1,0 centimeter (diameter). Deze perforatie had het aspect van een inschotverwonding. Aan het gestrekte lichaam was een schotkanaal te herleiden in relatie met voornoemde schotverwondingen, door het hoofd van linksvoor van de linker neusvleugel naar rechtsachter in de behaarde hoofdhuid. Er was daarbij perforatie van de neus, de aangezichtsschedel, de schedelbasis en de grote en kleine hersenen. De patholoog concludeerde dat het slachtoffer was overleden als gevolg van verlies van hersenfuncties. Afsluiting van de luchtwegen door ingeademd bloed met daardoor optreden van verstikkingsverschijnselen heeft aan het overlijden bijgedragen. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het overlijden is opgetreden ten gevolge van uitwendig inwerkend perforerend geweld op het hoofd. Ten aanzien van het tijdstip van overlijden heeft de patholoog geconcludeerd dat het lichaam postmortale veranderingen vertoonde passend bij een interval van enkele dagen in dit jaargetijde. De schootsafstand Door de afdeling Schotresten van het NFI werd een onderzoek ingesteld ter bepaling van de mogelijke afstand van waar het schot was afgevoerd. De bevindingen in het NFI rapport zijn dat het waarschijnlijker is wanneer de schootsafstand tussen de 10 en 100 centimeter is, dan wanneer de afstand kleiner dan 10 of groter dan 100 centimeter is. De avond van [slachtoffer] voor het bezoek van verdachte De zuster van [slachtoffer] , [zus 1 slachtoffer ] heeft op 14 mei 2012 verklaard dat verdachte, hierna ook genoemd: [verdachte] , de relatie met [slachtoffer] vorige week woensdag had beëindigd. [slachtoffer] had tegen haar verteld dat verdachte de relatie per sms had beëindigd. Op vrijdag 11 mei 2012 had [slachtoffer] aan haar verteld dat verdachte omstreeks 23.00 uur bij haar zou komen om te blijven slapen. De telefoon van [slachtoffer] was op zaterdag 12 mei 2012 om 01.11 uur uitgezet. Uit onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] op vrijdagavond 11 mei 2012 op het verjaardagsfeestje van de getuige [getuige 10] aanwezig was. De getuige heeft verklaard dat zij en de aanwezigen op het feestje van [slachtoffer] hoorden dat zij die avond nog een goed gesprek met [verdachte] wilde hebben om er achter te komen waar zij bij verdachte stond. Verder heeft zij verklaard dat [slachtoffer] shoarma had gehaald voor verdachte, omdat verdachte na een drankje graag iets wilde eten. De getuige heeft voorts verklaard dat [slachtoffer] heeft verteld dat [verdachte] op vrijdag 11 mei 2012 om 23.15 uur naar de woning aan de [adres] te Lelystad zou komen. Omstreeks 23.35 uur kreeg getuige een bericht op Facebook. Uit dit bericht bleek dat verdachte nog niet bij [slachtoffer] was. Later zag de getuige op haar telefoon dat de whatsapp van [slachtoffer] opgehouden was op zaterdag 12 mei 2012 om 01.09 uur.De getuige [getuige 11] heeft verklaard dat zij op de verjaardag van de getuige [getuige 10] van [slachtoffer] heeft gehoord dat zij eerst met haar vriend een fles Bacardi zou drinken en hem dan zou confronteren met de feiten en hem voor de keus zou stellen. [slachtoffer] vertelde dat haar vriend getrouwd was en dat zij elkaar alleen maar in het weekend zagen. [slachtoffer] zei dat zij niet zonder hem kon en niet zonder hem wilde. [slachtoffer] vertelde ook aan de getuige dat de vrouw van haar vriend niet op de hoogte was van de relatie. Zij zou met die vriend gaan borrelen en flink rampetampen en dan hem confronteren. Dat zou [slachtoffer] thuis doen want hij zou blijven slapen.De getuige [getuige 5] heeft verklaard dat zij op zaterdag 12 mei 2012 om 00.50 uur met [slachtoffer] is gaan pingen. [slachtoffer] vertelde haar dat [verdachte] langs zou komen, maar die was zijn afspraak (nog) niet nagekomen. [slachtoffer] bleef [verdachte] maar bellen en sms’en, maar hij drukte haar weg. [slachtoffer] gaf aan dat hij dat expres deed. Zij werd daar heel erg boos om. [slachtoffer] zei dat als hij er niet binnen een half uur zou zijn, zij naar [getuige 5] zou toe komen. Om 01.04 uur pingt [slachtoffer] haar dat verdachte naar haar toekomt. Het laatste bericht dat zij van [slachtoffer] heeft gehad is van 01.10 uur. De relationele situatie van verdachte ten tijde van de delictsperiode Uit de verklaring van [getuige 2] (hierna ook te noemen: [getuige 2] ), stiefmoeder van verdachte, blijkt dat verdachte die avond ruzie heeft gehad met zijn vrouw. De vrouw van verdachte, [vrouw verdachte] , heeft bevestigd dat zij die avond woorden met verdachte heeft gehad over moederdag. Van een buitenechtelijke relatie van haar man is zij nimmer op de hoogte geweest. Voorts blijkt uit de verklaring van [getuige 2] dat [slachtoffer] zou hebben gedreigd de vrouw van verdachte in te lichten over hun relatie. Daarnaast werd verdachte die avond continu lastig gevallen door telefoontjes en sms’jes van [slachtoffer]. De verklaring van verdachte als getuige Op 15 mei 2012 is verdachte als getuige door de politie gehoord. Hij heeft verklaard dat hij in totaal over een periode van 5 maanden wat met [slachtoffer] heeft gehad. De relatie was dan weer aan en dan weer uit. Ongeveer anderhalve week geleden was de relatie met [slachtoffer] beëindigd. Verdachte heeft verklaard dat hij op zaterdag 12 mei 2012 omstreeks 00.30 uur van zijn huis naar [slachtoffer] was gegaan. Zij hadden toen gesproken over de financiën van haar nieuwe huis. [slachtoffer] kon de huur van de eerste maand zelf opbrengen. Om haar zekerheid te bieden heeft hij aangeboden om de eerste drie maanden de huur voor haar te betalen. De huur betrof € 280,- per maand. Verdachte heeft verklaard dat hij een half uur bij [slachtoffer] was geweest maar dat het ook een uur kon zijn. Toen hij wegging, was haar toestand voor zover hij wist normaal en was zij blij dat hij haar ging helpen met de huur. Op het moment dat hij de woning had verlaten, leefde [slachtoffer] nog. Daarna was hij weer met de auto naar huis gegaan en toen lopend naar zijn vader. De camerabeelden In het dossier bevinden zich camerabeelden van de bewakingscamera’s van de [naam supermarkt] supermarkt aan de [adres] die geregistreerd hebben dat verdachte op 12 mei 2012 om 01:11:30 uur in de richting van de toegangsdeur van het gebouw aan de [adres] in Lelystad loopt en een tijdje staat te wachten. Vervolgens is om 01:12:02 uur te zien dat verdachte niet meer voor de toegangsdeur staat. Om 03:36:38 uur registreren de bewakingscamera’s dat verdachte met een blauwe plastic tas en een ander voorwerp in zijn linkerhand in de richting van de parkeerplaats tegenover de [naam supermarkt] supermarkt loopt. Verdachte heeft op 17 mei 2012 verklaard dat hij zichzelf herkent op de camerabeelden. De verklaring van verdachte bij de raadsheer-commissaris Na zijn aanhouding op 16 november 2012 heeft verdachte zich grotendeels op zijn zwijgrecht beroepen, totdat verdachte - hij is inmiddels door de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] en in afwachting van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep - op 2 juni 2015 aangeeft een aanvullende verklaring te willen afleggen en het verzoek doet om te worden gehoord door de raadsheer-commissaris, Bij de raadsheer-commissaris heeft verdachte op 2 september 2015 verklaard - en ter terechtzitting van het hof op 1 maart 2018 heeft hij dit herhaald - dat hij in de nacht van 11 mei op 12 mei 2012 in de woning van het slachtoffer [slachtoffer] is geweest. Hij had met haar afgesproken om naar haar toe te komen. Die avond hadden zij samen wat gedronken en ook cocaïne gebruikt. [slachtoffer] was niet pissig geweest omdat hij te laat kwam. Ze hebben ook geen ruzie gemaakt. Op een gegeven moment pakte [slachtoffer] een vuilniszak. De inhoud van de zak bestond uit de onderdelen van een wapen, verpakt in een handdoek. Het wapen was zwart. De onderdelen ook. Het was een handvuurwapen. Er zaten kogeltjes bij in een houdertje. [slachtoffer] vroeg aan verdachte of hij haar wilde helpen het wapen in elkaar te zetten. Uiteindelijk hebben zij gezamenlijk het wapen in elkaar weten te zetten. Het wapen lag toen het in elkaar gezet was op de handdoek op de salontafel. Nadat verdachte terugkwam van een bezoek aan het toilet en juist op het moment dat verdachte zich in de stoel liet vallen, zei [slachtoffer] tegen hem: “Als jij mij ook laat vallen, net als de rest, dan maak ik er nu een einde aan”. Daarop heeft [slachtoffer] het wapen gepakt, hield dit in haar linkerhand en richtte het op haar hoofd. Verdachte sprong op om het wapen van haar af te pakken, maar juist op dat moment ging het wapen af. Hij was zo verbouwereerd dat hij niet zichzelf was. Hij zag vervolgens het wapen in zijn handen. Hij zegt zelf: “Ik werd toen wakker.” Verdachte zag toen pas wat [slachtoffer] had gedaan. Hij schrok er zo van dat hij in eerste instantie dacht dat hij de politie moest bellen, maar toen dacht hij: “Dan weet mijn vrouw dat ik vreemd ben gegaan en ik sta hier met dat wapen in mijn handen”. Voorts dacht hij: “Mijn vingerafdrukken zitten op het wapen, ik ben de lul”. Hij heeft het wapen en de handdoek toen meegenomen in een plastic zak en is daarmee naar de woning van [getuige 2] en zijn vader gegaan. Hij heeft de huls die uit het wapen was geworpen in het midden van de kamer zien liggen en heeft deze opgeraapt en ook in de plastic zak gedaan. Het scenario van de zelfdoding Verdachte heeft op 2 september 2015 bij de raadsheer-commissaris, hangende het hoger beroep, een verklaring afgelegd over hetgeen er volgens hem in de nacht van 11 of 12 mei 2012 zou zijn voorgevallen. [slachtoffer] zou zichzelf om het leven hebben gebracht met een pistool dat zij zelf had aangeschaft en waarvan de onderdelen door verdachte en [slachtoffer] diezelfde nacht in elkaar zijn gezet. Deze verklaring heeft hij ter terechtzitting van het hof in grote lijnen herhaald. Bij de politie heeft hij eerst als getuige en later als verdachte verklaard dat hij slechts voor korte duur (ongeveer een half uur) in de woning van [slachtoffer] was geweest en dat [slachtoffer] nog leefde toen hij vertrok. Nadien zou hij naar de woning van zijn vader en zijn stiefmoeder [getuige 2] zijn gegaan. Toen hij door de politie werd geconfronteerd met de hiervoor genoemde camerabeelden heeft hij zich vervolgens op zijn zwijgrecht beroepen, welke proceshouding hij ook bij de rechtbank heeft ingenomen. In de verklaring die verdachte bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd heeft hij aangegeven dat hij het wapen, de uitgeworpen huls, de handdoek waar het wapen in zat, een lege drankfles en een door hem voor [slachtoffer] gekocht pakje sigaretten uit de woning heeft meegenomen. De reden waarom hij dit deed was omdat hij vreesde dat zijn vrouw achter zijn relatie met [slachtoffer] zou komen als duidelijk zou worden dat hij in de woning van verdachte was geweest. Er zaten immers allemaal sporen van hem op en dan zou het bekend worden. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte al gedurende langere tijd een relatie met [slachtoffer] had en dat dit ook in de horecagelegenheid waar hij frequent met haar kwam algemeen bekend was. Hij ging ook openlijk met [slachtoffer] op stap en hij had [slachtoffer] zelfs meegenomen naar zijn vader en stiefmoeder waarvan de laatste heeft verklaard dat zij wist van de relatie. Tegen deze achtergrond wekt het door verdachte gegeven motief voor het wegwerken van sporen dan ook enige verbazing. Het sluit ook niet uit dat het verwijderen van sporen is ingegeven om een persoonlijke betrokkenheid van verdachte bij het overlijden van [slachtoffer] te verhullen. Bij de raadsheer-commissaris weet verdachte zich bovendien op cruciale momenten dingen niet precies te herinneren. Met name niet waar hij probeert te beschrijven hoe hij heeft gereageerd richting [slachtoffer] toen zij het wapen op haar hoofd richtte en had aangegeven er een einde aan te willen maken. Ook tijdens de op 11 februari 2016 gehouden reconstructie vallen deze hiaten in de herinnering op. Uit de getuigenverhoren blijkt dat het op een aantal terreinen in het leven van [slachtoffer] niet goed ging. Zo was zij haar woonruimte kwijtgeraakt, was haar moeder ernstig ziek, had zij geen inkomen, was zij bang voor figuren uit de drugswereld en liep het niet goed in de relatie met verdachte. Een relatie die in de ogen van verdachte al beëindigd was, maar waar [slachtoffer] nog haar hoop op had gevestigd. De gemoedstoestand van [slachtoffer] in de periode voor haar dood wijst evenwel niet op enige aanwijzing dat zij suïcidaal zou zijn. Een meerderheid van de vrienden en bekenden van [slachtoffer] heeft verklaard dat zij nooit zelfdoding zou plegen. Zij heeft wel ergere dingen in het leven meegemaakt en stond daarvoor veel te positief en te sterk in het leven. Het hof wijst daartoe naar de verklaringen van onder andere [getuige 3] : “Zij heeft wel vaker voor hetere vuren gestaan”, [getuige 4] : “Ze was naar mijn mening niet suïcidaal, ze kwam op mij niet depressief over de laatste keer dat ik haar zag”, [getuige 5] : “Ze kwam eigenlijk overal wel weer bovenop. Het was een levensgenieter”, [getuige 6] : “Ze was heel sterk, ze liet zich niet zomaar uit het veld slaan. Het was een doorzetter”. En over contact met [slachtoffer] een paar dagen voor het overlijden: “Ze gedroeg zich normaal, zoals altijd vrolijk en spontaan” en [getuige 7] : “iemand heeft mij gevraagd of [slachtoffer] misschien zelfdoding heeft gepleegd. Ik moest daar enorm om lachen. Hoe dieper [slachtoffer] in de put zat, hoe harder ze vocht om daar weer uit te komen”. Ook de moeder van [slachtoffer] , [getuige 8] , heeft verklaard dat [slachtoffer] een levensgenieter was, die weliswaar riskante dingen deed en ook tegen haar moeder open was over het hebben van een weedplantage, haar prostitutiewerk en haar relatie met een getrouwde man, maar niets wijst op een mogelijke zelfdoding. Ook het eerder genoemde pinggesprek met getuige [getuige 5] , waarin [slachtoffer] aangeeft naar [getuige 5] toe te zullen gaan als verdachte niet binnen een halfuur op de gemaakte afspraak zou verschijnen, duiden niet op bij [slachtoffer] bestaande suïcidegedachten.Daarbij komt dat nergens in het dossier ook maar enige objectieve aanwijzing is te vinden dat [slachtoffer] over een vuurwapen beschikte dan wel zou kunnen beschikken. De enige die over het vuurwapenbezit van [slachtoffer] spreekt - maar dan wel pas jaren later in zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris - is verdachte. Ofschoon voor een eventuele bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde de vraag aan wie het vuurwapen toebehoorde niet van belang is, ziet het hof toch aanleiding aandacht te besteden aan deze vraag. Ter zitting van het hof is hier namelijk wel nadrukkelijk aandacht aan besteed. Verdachte ontkent ten stelligste dat het een hem toebehorend wapen betrof. Hij bezweert nimmer over een vuurwapen te hebben beschikt, ook niet over een nepwapen. Wel heeft hij in een ver verleden een alarmpistool gehad waarmee hij tijdens Oud en Nieuw wel eens in de tuin heeft geschoten. Dit wapen is al jaren geleden kapot gegaan en hij heeft deze destijds weggegooid. Verdachte’s verklaring staat op gespannen voet met hetgeen zijn stiefmoeder [getuige 2] hieromtrent bij de politie heeft verklaard: “Ik weet dat [verdachte] een pistool had, dat weet ik die had hij al heel lang. Hij heeft mij dat wel eens verteld. Die vrienden in het [naam cafe] die komen daar goedkoop aan en die kopen dat van elkaar.” Deze verklaring over wapenbezit bij verdachte wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 6] : “Op die vrijdag 4 mei 2012 had ik dus die koffie naar [naam] gebracht. Ik ben toen bij [verdachte] en [slachtoffer] aan de bar beland en zijn wij wat gaan drinken. Wij dronken Apekoppies. (…) Wij praatten over van alles en nog wat. Tijdens het gesprek vertelde [verdachte] mij toen dat meerdere mensen wisten dat hij iets op zak had. Ik vroeg toen wat hij bedoelde. Hij zei toen een pistool. Hij wees naar zijn heup.” Op grond van het vorenstaande stelt het hof vast dat het strafdossier meer aanwijzingen bevat dat verdachte in het bezit is geweest van een vuurwapen dan dat [slachtoffer] zich een dergelijk voorwerp zou hebben aangeschaft. Terugkerend naar het scenario van de zelfdoding blijkt ook uit technisch onderzoek dat zelfdoding niet aannemelijk is. Deze conclusie werd getrokken op basis van het feit dat de patholoog-anatoom van het NFI rapporteerde dat het schotkanaal van linksvoor naar rechtsachter liep, en [slachtoffer] rechtshandig was, dit in combinatie met het feit dat uit het schotresten rapport van het NFI bleek dat de waarschijnlijke schootsafstand tussen de 10 centimeter en een meter is geweest. Op grond van het vorenstaande acht het hof het door verdachte geschetste scenario waarin [slachtoffer] de hand aan zichzelf zou hebben geslagen niet aannemelijk geworden. De verklaringen over de mogelijke strafbare betrokkenheid van verdachte bij de dood van [slachtoffer] Voor het antwoord op de vraag naar deze betrokkenheid van verdachte bij het overlijden van [slachtoffer] acht het hof de navolgende verklaringen van belang. Zij hebben met elkaar gemeen dat ze afkomstig zijn uit de kring van directe familie van verdachte. Allereerst de verklaring van verdachte’s stiefzuster [getuige 1] . Zij verklaart - na daar eerst over te hebben gedraald - over een bezoek dat haar moeder [getuige 2] haar heeft gebracht op zondagochtend 13 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.