GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.181.379 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 382091) arrest van 13 maart 2018 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant] , advocaat: mr. J.W. de Rijk, tegen: de naamloze vennootschap Regiobank N.V., sedert 1 januari 2016 genaamd: de Volksbank N.V., gevestigd te Utrecht, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: Regiobank, advocaat: mr. K. Heemrood-van Dijk. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 januari 2017 hier over. 1.2 Het verdere verloop blijkt uit - een brief van mr. de Rijk van 13 juli 2017 namens [appellant] met als productie een brief van SNS Regio Bank N.V. van 12 november 2008 betreffende restvordering hypothecaire geldlening; - het proces-verbaal van comparitie van partijen van 17 juli 2017 , waarop mr. Heemrood-van Dijk namens Regiobank bij brief van 25 juli 2017 de nuancering heeft aangebracht dat zij heeft verklaard dat in 2001 de normen waaraan werd getoetst niet wettelijk waren vastgelegd en dat de woonlastquota pas in GFH 2011 verplicht werden vastgelegd, tegen welke nuanceringen mr. de Rijk volgens zijn brief van 2 augustus 2017 geen bezwaar had; - een brief namens mr. de Rijk van 15 december 2017 over de vraag of [appellant] in aanmerking komt voor een minnelijke schuldenregeling; - een brief van mr. Heemrood-van Dijk van 18 december 2017 waarin zij verzoekt het wijzen van arrest niet verder uit te stellen. 1.3 [appellant] had reeds de stukken vóór de comparitie aan het hof overgelegd. Na verwijzing naar de rol van 19 december 2017 voor uitlating over royement in verband met schuldsanering dan wel het vragen van arrest heeft het hof tenslotte arrest bepaald. 2De vaststaande feiten 2.1 In 2001 heeft [appellant] , geboren in [geboortedatum] en vanaf 1981 productiemedewerker/ snijder bij dezelfde werkgever, ter oversluiting van de hypothecaire lening op zijn woning aan de [straatnaam] te [woonplaats] (zijn eigendom sedert 28 augustus 1997) bij (CVB Bank N.V. als rechtsvoorganger van) Regiobank een hypothecaire lening aangevraagd door tussenkomst van adviesbureau Deelshurk Assurantiën. Deze adviseerde [appellant] en had met Regiobank een intermediairovereenkomst welke hem toestond om onder meer hypothecaire geldleningen van Regiobank te bemiddelen. 2.2 Ten behoeve van de offerte heeft [appellant] op verzoek van Regiobank een werkgeversverklaring van 6 april 2001 overgelegd (producties 4 bij inleidende dagvaarding en 1 bij conclusie van antwoord) met opgave van zijn volgende bruto inkomensbestanddelen op jaarbasis: inkomen uit arbeidsovereenkomst van ƒ 59.952, vakantiegelduitkering van ƒ 4.796, 13e maanduitkering van ƒ 4.996, gemiddelde winstdeling van plusminus ƒ 3.168 (deze bedroeg in 1999 ƒ 3.504, in 2000 ƒ 3.609 en in 2001 ƒ 3.448) en overwerkvergoeding van plusminus ƒ 4.000, hetgeen tezamen ƒ 76.912 beloopt. Daarnaast heeft [appellant] een taxatierapport van 26 april 2001 overgelegd met een executiewaarde vrij van huur en gebruik van de woning van ƒ 305.000 en na verbouwing van ƒ 325.000 (productie 4 bij conclusie van antwoord). 2.3 Op 23 maart 2001 had Regiobank een offerte uitgebracht (productie 1 bij inleidende dagvaarding) voor een in beginsel aflossingsvrije hypothecaire lening van ƒ 365.000 tegen een vijf jaar vaste rente van 6% per jaar, maar wel af te lossen door middel van de aan haar te verpanden levensverzekering bij Delta Lloyd (met een verzekerd levenkapitaal van ƒ 185.000). [appellant] heeft de offerte aanvaard. 2.4 Destijds golden de branchecode “Gedragscode Hypothecaire Financieringen” (verder: de GHF 2001; productie 5 bij conclusie van antwoord) en de door de overheid toegepaste normen voor de Nationale Hypotheek Garantie (hierna: de NHG - normen; productie 6 bij conclusie van antwoord). Volgens de toegestane financieringslast van de NHG – normen (productie 6 bij conclusie van antwoord) mocht bij een hypotheekrente van 6%: -bij een (bruto) toetsinkomen tussen ƒ 76.000 en ƒ 78.000 maximaal 31,1% van het inkomen aan (hypothecaire) woonlasten worden besteed (woonquote) en -bij een (bruto) toetsinkomen tussen ƒ 72.000 en ƒ 74.000 maximaal 30,8%. 2.5 Op 21 juni 2001 is de hypotheekakte verleden (productie 2 bij inleidende dagvaarding). Met het uitgekeerde geld heeft [appellant] blijkens de notariële afrekening (productie 3 bij inleidende dagvaarding) de aflossing van zijn oude hypotheek van ƒ 246.177,91 en de bijkomende kosten gefinancierd en voorts een krediet bij Otto van ƒ 1.820,88 en een krediet bij Eurofintus van ƒ 79.150 afgelost, waarna hij het hem uitgekeerde restbedrag van ƒ 31.241,23 (€ 14.176,65) heeft gebruikt voor de geplande verbouwing van de badkamer. 2.6 Op 3 november 2003 heeft [appellant] Regiobank bericht niet langer in staat te zijn de maandelijkse verplichtingen (van volgens hem ongeveer ƒ 900 per maand maar volgens Regiobank ongeveer ƒ 1.825 ofwel € 828,15 bruto per maand) na te komen en sedertdien een betalingsachterstand laten ontstaan. Vervolgens heeft hij met Regiobank frequent contact onderhouden over de betalingsachterstanden. Op 13 september 2004 heeft hij Regiobank gemeld dat hij na de hypotheeklening bij Amsterdams Financieel Kredietbureau nog een schuld van ƒ 90.000 was aangegaan voor beleggingen in Afrika, voor welk krediet hij ongeveer € 200 per maand aan rente moest betalen. 2.7 Zoals [appellant] op 21 juni 2006 aan Regiobank te kennen gaf, is hij op 1 september 2006 werkloos geraakt. Vanaf 23 augustus 2007 is hij, zoals toen aan Regiobank gemeld, ziek geworden en erna arbeidsongeschikt (wegens zware psychische problemen) met in 2013 een WIA-uitkering van € 2.191 per maand bruto (productie 5 bij inleidende dagvaarding). 2.8 Over de achterstand hebben partijen meermalen overleg gevoerd. Regiobank heeft toegestaan pogingen te ondernemen de woning onderhands te verkopen. [appellant] heeft de woning vanaf mei 2007 tevergeefs gedurende enkele maanden op de woningmarkt te koop aangeboden. 2.9 Bij brief van 17 juni 2008 heeft Regiobank vanwege de achterstand de hoofdsom van de hypothecaire lening opgeëist en wegens non-betaling de woning op 17 september 2008 bij een betalingsachterstand van € 28.850,36 executoriaal verkocht voor € 143.500 met een restschuld per 22 november 2008 van € 55.301,54 (zie productie 6 bij inleidende dagvaarding en de voor de comparitie in hoger beroep overgelegde eindafrekening van 12 november 2008 betreffende restvordering hypothecaire geldlening), waarna [appellant] de woning per 1 november 2008 heeft ontruimd. Verder heeft Regiobank de aan haar verpande levensverzekering afgekocht en de opbrengst daarvan op de hypothecaire schuld in mindering gebracht. 2.10 Voor de openstaande restschuld heeft Regiobank op 20 mei 2010 ten laste van [appellant] executoriaal derdenbeslag gelegd onder het UWV (productie 8 bij inleidende dagvaarding), hetgeen tot afdrachten heeft geleid van in totaal € 13.450,15 totdat vanaf mei 2014 de uitkering de beslagvrije voet niet langer oversteeg. 2.11 Bij brief van 28 juni 2013 (productie 10 bij inleidende dagvaarding) heeft (de advocaat van) [appellant] Regiobank wegens schending van haar zorgplicht aansprakelijk gesteld voor de restantschuld van € 76.500,98 , welke aansprakelijkheid Regiobank bij antwoordbrief van 19 juli 2013 (productie 11 bij inleidende dagvaarding) van de hand heeft gewezen. [appellant] is op 20 november 2014 tot dagvaarding overgegaan. 3Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 3.1 [appellant] heeft in eerste aanleg, kort samengevat, gevorderd bij vonnis, voor zoveel nodig uitvoer bij voorraad: I voor recht te verklaren dat Regiobank, althans haar rechtsvoorgangster SNS Regiobank N.V., handelend onder de naam SNS Regiobank CVB Bank, toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [appellant] dan wel dat deze jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld; II Regiobank te veroordelen om aan [appellant] een hoofdsom van € 76.500,98 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2013 tot de dag der algehele voldoening; III Regiobank te veroordelen tot restitutie aan [appellant] van alle door haar middels het executoriaal derdenbeslag onder het UWV te Heerlen ten laste van [appellant] geïnde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van inning tot aan de dag der algehele voldoening; IV Regiobank te veroordelen in de kosten van de procedure met nakosten en wettelijke rente. 3.2 Na een conclusie van antwoord en een ingevolge tussenvonnis van 11 februari 2015 gehouden comparitie van partijen heeft de rechtbank in haar eindvonnis van 1 juli 2015 het gevorderde afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen: in rov. 4.3: vaststaat dat de later opgetreden teruggang in [appellant] inkomen (door werkloosheid in 2006 en ziekte in 2007) toentertijd (bij het aangaan van de hypothecaire geldlening in 2001) niet voorzienbaar was, zodat Regiobank geen verwijt treft dat zij [appellant] niet voldoende heeft gewaarschuwd voor een achteruitgang van zijn inkomen; de algemene mogelijkheid dat een geldlener de leningsverplichtingen niet meer zal kunnen nakomen wanneer zijn inkomen in de toekomst daalt, is een algemeen gegeven, waarvoor Regiobank niet behoefde te waarschuwen; [appellant] had zich dat uit eigen beweging dienen te realiseren; in rov. 4.4: de rechtbank sluit aan bij het inkomen dat Regio Bank hanteert, ƒ 76.912 bruto per jaar; vaststaat dat ook de overwerkvergoeding van ƒ 4.000 door [appellant] op bestendige basis werd genoten, omdat het daarbij om een gemiddeld bedrag ging van hetgeen [appellant] in dat jaar en in voorafgaande jaren aan overwerkvergoeding genoot; in rov. 4.5: van onrechtmatig handelen in de precontractuele fase is geen sprake, nog daargelaten dat [appellant] bij de totstandkoming van de hypotheeklening werd bijgestaan en geadviseerd door Deelshurk, hetgeen de inspanningsverplichting van Regio-Bank eerder verlicht dan verzwaart. 4De beoordeling van de grieven en de vordering 4.1 In eerste aanleg ging het over de precontractuele zorgplicht én de executie. In hoger beroep klaagt [appellant] alleen over schending door Regiobank van haar precontractuele zorgplicht. 4.2 Volgens grief I tegen rov. 4.3 had Regiobank expliciet moeten wijzen op het financiële risico verbonden aan zijn verhoudingsgewijs hoge hypothecaire geldlening, namelijk dat hij in geval van werkloosheid dan wel blijvende invaliditeit en de daarmee gepaard gaande inkomensdaling niet meer aan zijn financiële verplichtingen zou kunnen voldoen (artikelen 3 en 5 van de GHF 2001). Volgens grief II tegen rov. 4.4 was de overwerkvergoeding van ƒ 4.000 niet bestendig maar fluctuerend, beliep zij in 2001 wel ƒ 4.000 maar minder in de voorafgaande jaren en mocht de overwerkvergoeding niet worden aangemerkt als regulair arbeidsinkomen. Volgens grief III tegen rov. 4.5 heeft Regiobank door het voorgaande haar zorgplicht geschonden (hetgeen hem volgens zijn verklaring ter comparitie in eerste aanleg pas in 2011 duidelijk werd) en is het niet [appellant] maar Regiobank geweest die bij de totstandkoming van de overeenkomst gebruik heeft gemaakt van Deelshurk Assurantiën als adviseur en tussenpersoon, zodat deze haar hulppersoon was, waartoe [appellant] verwijst naar de missie van Regiobank (productie 1 bij memorie van grieven). 4.3 Regiobank beroept zich daartegenover op verjaring vanaf 3 november 2003, 21 juni 2006 en 23 augustus 2007 en schending van de klachtplicht, namelijk pas bij aansprakelijkstelling op 28 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.