GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.206.831 (zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 168882) arrest van 20 maart 2018 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats 1] , appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant] , advocaat: mr. L. Bezoen, tegen 1 [geïntimeerde 1] , 2. [geïntimeerde 2], beiden wonende te [woonplaats 2] , geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden, hierna: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , gezamenlijk [geïntimeerden] advocaat: mr. E.G. Frishman-Jansen. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1. Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 29 augustus 2017 hier over. 1.2. Op 22 november 2017 heeft er ingevolge dat arrest een enkelvoudige comparitie van partijen plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. 1.3. Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 1.4. Bij brief van 8 januari 2018 zijn partijen in de gelegenheid gesteld te verzoeken dat de mondelinge behandeling ten overstaan van een meervoudige kamer zal plaatsvinden. Een verzoek daartoe is niet ontvangen. 2De vaststaande feiten 2.1. Het hof gaat uit van de navolgende feiten: 2.2. [appellant] heeft op 16 april 2014 op het terrein van de vennootschap onder firma [bedrijf ] (hierna: [bedrijf ] ) een BMW cabrio 3-serie met [kenteken] (hierna: de BMW) gekocht. Deze BMW stond op naam van [persoon] (hierna: [persoon] ). [persoon] is de zus van [geïntimeerde 2] en de dochter van [geïntimeerde 1] . De vraagprijs was € 18.900. [geïntimeerden] waren de vennoten van [bedrijf ] . 2.3. De koopprijs is op 16 april 2014 door [appellant] voldaan door inruil van een Hummer en (bij)betaling van € 5.500. Dit bedrag is betaald door overmaking op een bankrekening op naam van [persoon] . [appellant] is vervolgens samen met [persoon 1] naar het postkantoor gegaan om de BMW op zijn naam over te schrijven. 2.4. De BMW is een uit Duitsland geïmporteerde schadeauto. Ten tijde van de verkoop waren (de vennoten van) [bedrijf ] en [persoon] hiermee bekend. 2.5. De BMW is op 17 april 2014 op naam van de echtgenote van [appellant] gezet. Zij heeft op 30 mei 2014 aan [geïntimeerde 2] bericht (via WhatsApp) dat de BMW-dealer haar had verteld dat de BMW schade had gehad en dat zij een en ander met haar echtgenoot [appellant] zou bespreken en hierop zou terugkomen. 2.6. Bij brief van 5 september 2014 is namens [appellant] aan [bedrijf ] bericht dat de BMW een groot aantal mankementen vertoont en dat aan [appellant] nooit is verteld dat het een schadeauto is. Verder vermeldt de brief het volgende: “(…) Ik verzoek u dan ook om de auto terug te nemen en alle mankementen te repareren. Mocht u niet overgaan tot terugneming van auto en reparatie van de mankementen dan zal ik over moeten gaan tot vernietiging van de koopovereenkomst op grond van dwaling (…) dan wel de koopovereenkomst ontbinden op grond van non-conformiteit. (…)” 2.7. De onderneming van [bedrijf ] is met ingang van 29 september 2016 voortgezet door [bedrijf ] B.V. 3De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1. [appellant] stelt hij de BMW van [bedrijf ] heeft gekocht en dat hem daarbij niet is verteld dat het een schadeauto is. In eerste aanleg heeft hij niet alleen [geïntimeerden] maar ook [bedrijf ] gedagvaard en – onder meer – gevorderd de ontbinding van de koopovereenkomst, terugbetaling van de koopprijs van € 18.500 met rente en vergoeding van kosten van onderzoek, keuring en een reparatie van die BMW alsook van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het meest verstrekkende verweer is dat [persoon] , de eigenaresse, de BMW aan [appellant] heeft verkocht en dat sprake was van verkoop in consignatie (in die zin dat de auto door [bedrijf ] namens [persoon] aan [appellant] is verkocht). [bedrijf ] en [geïntimeerden] is opgedragen deze stelling te bewijzen. Hen is tevens opgedragen te bewijzen hun (als subsidiair aan te duiden) stelling dat [appellant] er op is gewezen dat de BMW in het verleden is geïmporteerd als schadevoertuig. [bedrijf ] en [geïntimeerden] hebben vervolgens drie getuigen doen horen: [geïntimeerde 2] zelf, [persoon] en [getuige] (een werknemer van [bedrijf ] ). [appellant] heeft (in contra-enquête) geen getuigen doen horen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bewijs van beide stellingen is geleverd en de vorderingen van [appellant] afgewezen. 3.2. In hoger beroep heeft [appellant] alleen [geïntimeerden] , voormalige vennoten van [bedrijf ] , gedagvaard. Hij heeft de eis gewijzigd (in eerste aanleg zag deze ook op de koop van een andere BMW). [appellant] vordert nu primair een verklaring voor recht dat de gestelde koopovereenkomst van de BMW op grond van dwaling is vernietigd dan wel deze overeenkomst door het te wijzen arrest op die grond te vernietigen. In verband met deze wijziging vordert hij ook dat [geïntimeerden] worden veroordeeld om te bewerkstelligen en er aan mee te werken dat de BMW op hun naam wordt gesteld. De ontbinding van de koopovereenkomst wordt subsidiair gevorderd. Nu het hof de wijziging niet in strijd acht met een goede procesorde, zal recht worden gedaan met inachtneming van de aldus gewijzigde eis. Met wie heeft [appellant] de koopovereenkomst gesloten? 3.3. Aan de vorderingen van [appellant] ligt ten grondslag de stelling dat hij de BMW van [bedrijf ] heeft gekocht. Die stelling wordt betwist door [geïntimeerden] : volgens hen was de BMW eigendom van [persoon] , is deze door [bedrijf ] in consignatie (dat wil zeggen namens [persoon] ) aan [appellant] verkocht, zodat niet zij maar [persoon] als de contractuele wederpartij van [appellant] is te beschouwen, en is dat ook tegen [appellant] gezegd. 3.4. De rechtbank heeft geoordeeld dat [bedrijf ] is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs dat de BMW in consignatie is verkocht en [appellant] hiervan op de hoogte was. Hiertegen richt zich grief I. Indien deze grief, die betrekking heeft op de bewijswaardering door de eerste rechter, slaagt, dient het hof ambtshalve de bewijslastverdeling opnieuw onder ogen te zien. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat op [appellant] de last rust te bewijzen dat hij de koopovereenkomst met [geïntimeerde 1] Auto's heeft gesloten, omdat hij zich op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde koopovereenkomst beroept (art. 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De gestelde overeenkomst is door [geïntimeerden] (gemotiveerd) betwist en staat dus niet vast. [appellant] zal derhalve, overeenkomstig zijn aanbod daartoe, worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij de BMW van [bedrijf ] heeft gekocht. Vernietiging (wegens dwaling) of ontbinding (wegens non-conformiteit) van de koopovereenkomst? 3.5. Slaagt [appellant] niet in dat bewijs, dan stranden zijn vorderingen reeds daarom, en dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd. Als [appellant] in dat bewijs wel slaagt dan komt aan de orde zijn primaire vordering dat de overeenkomst is of moet worden vernietigd wegens dwaling en eventueel, subsidiair de gevorderde ontbinding wegens non-conformiteit. Ter onderbouwing van de primaire vordering stelt [appellant] dat hij niet wist dat de BMW een zogeheten schadeauto was en dat [bedrijf ] haar mededelingsplicht – zij had hem dit moeten vertellen bij het aangaan van de koopovereenkomst – heeft geschonden. [appellant] was ook niet bekend met de matige staat van de auto. Indien [appellant] geweten had dat het een schadeauto betrof had hij de(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.