WAHV 200.189.403 29 maart 2018 CJIB 181252868 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 23 maart 2016 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt [B] , [C] B.V., kantoorhoudende te [D] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter de officier van justitie veroordeeld in de kosten als bedoeld in artikel 13a van de Wet administratief-rechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), ten behoeve van de betrokkene, tot een bedrag van € 243,50. Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Beoordeling 1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 140,- opgelegd ter zake van “voetganger (voornemens) op voetgangersoversteekplaats (over te steken) niet voor laten gaan”, welke gedraging zou zijn verricht op 1 mei 2014 om 17.45 uur op de Oosterstraat te Groningen. 2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter ten onrechte de inleidende beschikking in stand heeft gelaten, omdat de betrokkene de gedraging niet heeft verricht. Toen de betrokkene naar de voetgangersoversteekplaats fietste liepen er weliswaar voetgangers op de voetgangersoversteekplaats, maar die waren al bijna overgestoken toen de betrokkene bij de voetgangersoversteekplaats was. De betrokkene heeft hen niet gehinderd bij het oversteken. De gemachtigde verwijst naar de eerder in het geding gebrachte getuigenverklaring en wijst erop dat de nadere verklaring van de verbalisant niets toevoegt aan diens initiële verklaring. 3. De door de gemachtigde bedoelde getuigenverklaring van [E] , houdt in - zakelijk weergegeven - dat hij achter de betrokkene fietste toen die de voetgangersoversteekplaats passeerde en dat er niemand aanstalten maakte om de voetgangersoversteekplaats op te lopen toen de betrokkene en de getuige de voetgangersoversteekplaats naderden en passeerden. 4. Deze gedraging betreft een overtreding van het bepaalde in artikel 49, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), dat inhoudt: "Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan". 5. De term "voor laten gaan" houdt in dat voetgangers ongehinderd hun weg kunnen vervolgen of beginnen. Voor de vaststelling dat de gedraging is verricht is derhalve van belang dat komt vast te staan dat een voetganger die een voetgangersoversteekplaats oversteekt, dan wel voornemens is deze over te steken, niet ongehinderd zijn weg heeft kunnen vervolgen of beginnen. 6. In het dossier bevindt zich een afschrift van het brondocument, waarin als verklaring van de verbalisant is opgenomen: "De voetganger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.