GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.222.520/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/199161 / FA RK 17-565) beschikking van 27 maart 2018 inzake [verzoekster] , wonende te [A] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. drs. M. Erkens te Den Haag, en de raad voor de kinderbescherming, regio Overijssel, locatie Zwolle, verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de raad, en de gecertificeerde instellingWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering gevestigd te Amsterdam, verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: [de pleegouders] , wonende op een geheim adres, verder te noemen: de pleegouders. 1 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 6 juni 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 23 augustus 2017; - het verweerschrift van de raad met productie(s); - een op 17 oktober 2017 ingekomen schriftelijke reactie van de GI met productie(s); - een journaalbericht van mr. drs. Erkens van 3 februari 2018 met productie(s). 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 5 februari 2018 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat die pleitaantekeningen heeft overgelegd. Namens de raad is mevrouw [B] verschenen. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [C] , jeugdbeschermer, en mevrouw [D] , gebiedsmanager. 3De feiten 3.1 Uit de relatie van de moeder en de heer [E] (hierna: de vader) - die van medio 2013 tot begin 2015 hebben samengewoond - is geboren [in] 2014 te [F] [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ). Tot de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking waarvan beroep was de moeder alleen belast met het gezag over [de minderjarige] . 3.2 Bij beschikking van 22 oktober 2015 heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, [de minderjarige] op verzoek van de raad, met ingang van 22 oktober 2015 tot 22 oktober 2016 onder toezicht gesteld van de GI, welke termijn laatstelijk is verlengd bij beschikking van 10 oktober 2016, in hoger beroep bekrachtigd op 21 maart 2017, tot 22 oktober 2017. 3.3 Bij beschikking van 29 oktober 2015 heeft de kinderrechter de GI gemachtigd [de minderjarige] (met spoed) uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 29 oktober 2015 tot 12 november 2015, welke duur laatstelijk is verlengd bij beschikking van 10 oktober 2016, in hoger beroep bekrachtigd op 21 maart 2017, tot 22 oktober 2017. 3.4 [de minderjarige] verblijft sinds 29 oktober 2015 bij de pleegouders. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd. 4.2 De moeder is met negen grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 6 juni 2017. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt om de beschikking van 6 juni 2017 te vernietigen en het verzoek van de raad af te wijzen, dan wel aan te houden en een onderzoek ex artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te bevelen. 4.3 De raad voert verweer en verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. 4.4 De GI voert verweer en onderschrijft het verzoek van de raad. 4.5 Het hof zal de grieven gezamenlijk beoordelen. 5De motivering van de beslissing 5.1 Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt. 5.2 Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief. 5.3. Het hof leest in de grieven van de moeder en de daarop door en namens haar gegeven toelichting geen andere relevante stellingen dan zij in eerste aanleg heeft aangevoerd en die de rechtbank gemotiveerd en op goede gronden heeft verworpen. Het hof neemt die motivering - na eigen onderzoek - over en maakt die tot de zijne. Het hof verwijst voorts naar de rechtsoverwegingen 5.4 tot en met 5.9 van zijn tussen de moeder en de GI op 21 maart 2017 gewezen beschikking inzake de uithuisplaatsing (zaaknummer 200.207.165). Het daarin overwogene, in het bijzonder over de voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn als bedoeld in artikel 1:266 onder a BW, is in deze zaak onverminderd relevant. In aanvulling daarop overweegt het hof nog als volgt. 5.4 Anders dan de moeder onder grief 1 aanvoert liggen aan de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] die op 29 oktober 2015 een (spoed)uithuisplaatsing noodzakelijk maakte wel degelijk persoonlijke problemen van de moeder en zorgen over de opvoedingssituatie bij haar thuis ten grondslag. De raad had weliswaar kort daarvoor in zijn rapport van 16 oktober 2015 nog geconcludeerd dat uithuisplaatsing van [de minderjarige] op dat moment niet aan de orde was, maar daar was wel de voorwaarde aan verbonden dat de moeder en [de minderjarige] samen naar een moeder en kind-voorziening zouden gaan waarbij er 24 uur per dag toezicht zou zijn. Daarbij maakte de raad zich op voorhand al zorgen over het resultaat van dat traject, omdat de bereidheid van de moeder om daaraan mee te werken niet groot was. Na het vertrek van de moeder met [de minderjarige] uit het [G] op 26 oktober 2015 was het zicht op [de minderjarige] echter al komen te ontbreken alvorens überhaupt aan de noodzakelijk geachte plaatsing in een moeder en kind-voorziening kon worden toegekomen. Weliswaar was de onttrekking aan het toezicht van de GI op dat moment de directe aanleiding voor de spoeduithuisplaatsing van [de minderjarige] , maar een en ander kan niet los worden gezien van de reeds bestaande zorgen over de opvoedingssituatie bij de moeder. Zo was één van de zorgpunten dat de moeder gedurende het eerste levensjaar van [de minderjarige] geen stabiele woonplek had en ook onduidelijkheid bestond over haar woonperspectief. Voorts blijkt uit een door de moeder ingebrachte beslissing van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd (hierna: het College) van 1 juni 2017 op haar klacht tegen de (voormalig) jeugdbeschermer van de GI, anders dan zij betoogt, niet dat de uithuisplaatsing onrechtmatig tot stand is gekomen. Het College, zo valt in die beslissing te lezen, acht de beslissing tot spoeduithuisplaatsing van [de minderjarige] een te respecteren beslissing en staat ook achter die beslissing. De beslissing van het College doet dan ook geen enkele afbreuk aan de beschikkingen van de kinderrechter van 9 november 2015 en van het hof van 28 juni 2016 waarbij de (verlenging van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.