GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.196.552/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/147632 / HA ZA 14-105) arrest van 10 april 2018 in de zaak van 1 [appellante1] , wonende te [A] , hierna: [appellante1], 2. [appellant2] , wonende te [B] , hierna: [appellant2], 3. [appellante3] , wonende te [A] , hierna: [appellante3], appellanten in het principaal hoger beroep, geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: de erven, advocaat: mr. J. Doornbos, kantoorhoudend te Groningen, tegen Gerard Rol q.q., wonende te Groningen, geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiser, hierna: Rol q.q., advocaat: mr. A. van der Wielen, kantoorhoudend te Groningen. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 11 oktober 2016 hier over. 1.2 In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast. Deze comparitie is gehouden op 11 oktober 2016; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken. 1.3 Het verdere verloop blijkt uit: - de memorie van grieven, - de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep, tevens houdende akte van wijziging eis, - de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. 1.4 Vervolgens hebben parttijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2De vaststaande feiten 2.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals die zijn beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.9 van het bestreden vonnis van 17 februari 2016, met dien verstande dat grief I in het principaal appel leidt tot de toevoeging dat de erven procederen in de hoedanigheid van erfgenamen van wijlen [C] (hierna [C] ), nadat zij de erfenis beneficiair hebben aanvaard. Voor zover in hoger beroep van belang, staat daarmee het volgende vast. 2.1.1 [D] ( [D] ) exploiteerde vanaf 1 september 2001 tot 11 juni 2012 onder de naam Van den Brink Bowling en Partycentrum een onderneming in Assen. Dat bowling- en partycentrum was gevestigd in een bedrijfspand dat [D] huurde van [C] . In de daartoe gesloten huurovereenkomst van 3 september 2001 is opgenomen, voor zover hier van belang: Duur, verlenging en opzegging 3.1 Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 10 jaar, ingaande op 1 september 2001 en lopende tot en met 31 augustus 2011. (...) 3.5. Tussentijdse beëindiging van deze overeenkomst is mogelijk in een omstandigheid als genoemd in de algemene bepalingen en met inachtneming van de daarvoor geldende dwingende-rechtelijk vereisten. 9. Bijzondere bepalingen • Huurder huurt het gehuurde compleet en gaat door middel van ondertekening van deze huurovereenkomst akkoord met de inventarislijst welke in bijzijn van hem opgesteld en gemaakt is. (Zie bijlage A) Huurder kan na afloop van de eerste huurperiode zoals gesteld in 3.1 van de huurovereenkomst, de inventaris kopen voor een symbolisch bedrag ad f 100,00. (...) 2.1.2 Op grond van artikel 7 van de toepasselijke algemene bepalingen is tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst onder meer mogelijk wanneer de huurder de verschuldigde huur niet op de overeengekomen tijdstippen voldoet. 2.1.3 [D] had per 1 mei 2012 een een huurschuld van € 46.960,65 opgebouwd, die [C] aanleiding heeft gegeven om beslag te leggen op de in het door hem aan [D] verhuurde bedrijfspand aanwezige inventaris. In het daartoe strekkende verzoekschrift heeft [C] gesteld, voor zover hier van belang; [C] vreest dat [D] , bij eventuele verkoop van zijn onderneming, de opbrengst niet zal aanwenden om zijn huurschuld te betalen. Bovendien zou [D] reeds thans roerende (inventaris)zaken te gelde maken, zodat er naar [C] meent, sprake is van gegronde vrees voor verduistering: er is sprake van financiële problemen en verweerders onttrekken vermogensbestanddelen aan het verhaal van schuldeisers. 2.1.4 Op 23 mei 2012 is verlof verleend om beslag te leggen op "alle aan verweerder toebehorende roerende zaken - inventaris die zich bevinden op het perceel (...)". Het beslag is op 25 mei 2012 gelegd. Op 11 juni 2012 bedroeg de huurschuld van [D] € 55.768,81,-. 2.1.5 [C] heeft [D] gedagvaard om te komen tot ontbinding van de huurovereenkomst en incasso van de onbetaald gelaten huurtermijnen. Voor de eerst dienende dag, op (zo blijkt uit de stukken) 15 juni 2012, is tussen [C] en [D] een minnelijke regeling tot stand gekomen. Die regeling houdt onder meer in dat de huurovereenkomst op 11 juni 2012 met wederzijds goedvinden is ontbonden en dat [D] afstand doet van alle zich in het gehuurde bevindende roerende zaken die zijn eigendom waren. Voorts is overeengekomen dat hetgeen aan huurschuld resteerde (€ 55.768,81) na verrekening van een door [D] betaalde borg (€ 27.101,25) wordt kwijtgescholden (€ 28.667,56). [C] en [D] hebben elkaar over en weer algehele en finale kwijting verleend. Het hof zal deze overeenkomst hierna kortweg 'de overeenkomst' noemen. 2.1.6 Bij vonnis van de toenmalige rechtbank Assen van 24 juli 2012 is [D] op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. Rol tot curator. 2.1.7 [In] 2015 is [C] overleden. Na schorsing en hervatting van het geding op de voet van art. 225 Rv, is deze procedure (in die hoedanigheid) voortgezet tegen zijn erfgenamen, die de nalatenschap van [C] beneficiair hebben aanvaard. 3Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 3.1 De curator heeft in eerste aanleg kort gezegd gevorderd voor recht te verklaren dat [C] onrechtmatig jegens de gezamenlijke schuldeisers van [D] heeft gehandeld door de overeenkomst met hem aan te gaan. [C] is gehouden de schade die daaruit voortvloeit aan de boedel te vergoeden, aldus de curator. Hij vorderde veroordeling van (inmiddels de erven) [C] tot betaling van € 18.445,-- als voorschot op de nader bij schadestaat vast te stellen schade. Na wijziging van eis heeft de curator bovendien, subsidiair, gevorderd dat de rechtbank de minnelijke regeling vernietigt op grond van de faillissementspauliana (artikel 42 Fw) en in dat geval voor recht verklaart dat [C] gehouden is het aan de boedel toegebrachte nadeel te vergoeden en/of ongedaan te maken, met veroordeling van [C] tot betaling van € 18.445,-- als voorschot op de nader bij schadestaat vast te stellen schade. 3.2 De rechtbank heeft die vordering in zoverre toegewezen, dat zij voor recht heeft verklaard dat [C] onrechtmatig tegenover de gezamenlijke schuldeisers heeft gehandeld door op 15 juni 2012 een minnelijke regeling met [D] te treffen, en dat hij aansprakelijk is voor de schade die door de curator is geleden en eventueel nog zal worden geleden als gevolg van de totstandkoming van die minnelijke regeling. De erven zijn veroordeeld tot vergoeding aan de curator van die schade, op te maken bij staat. Het gevorderde voorschot is afgewezen. 4De omvang van het geschil in hoger beroep 4.1 De erven vorderen in het principaal hoger beroep kort gezegd vernietiging van het vonnis van 17 februari 2016, onder afwijzing van de vorderingen van de curator. 4.2 De curator vordert in het incidenteel hoger beroep kort gezegd vernietiging van het genoemde vonnis voor wat betreft de afwijzing van het gevorderde voorschot, en een aan de erven gericht gebod om bescheiden in de procedure te brengen dan wel de erven te veroordelen om een afschrift van die bescheiden aan de curator te verstrekken, onder verbeurte van dwangsommen. Ook wordt veroordeling tot betaling gevorderd van een schadevergoeding van € 81.569,-, te vermeerderen met gederfde winst en wettelijke rente, althans verwijzing naar de schadestaatprocedure. 4.3 De erven hebben geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis, terwijl ook niet is gebleken dat deze vermeerdering in strijd is met de regels van een goede procesorde. Daarom zal in hoger beroep worden uitgegaan van de gewijzigde eis. 5De beoordeling van de grieven in het principaal en het incidenteel appel Uitleg van de vordering 5.1 De curator beroept zich op het arrest Peeters/Gatzen (HR14 januari 1983, NJ 1983/ 597, LJN AG4521), waarin is bepaald dat een curator bevoegd is om in het geval van benadeling van de gezamenlijke schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden, op grond van artikel 6:162 BW een vordering in te stellen tegen een derde die bij deze benadeling is betrokken. De onrechtmatigheid volgt volgens de curator daaruit, dat het handelen van [C] in strijd komt met het bepaalde in artikel 42 Fw (faillissementspauliana), dan wel dat dit handelen strijdig is met de op hem rustende zorgvuldigheidsnorm tegenover de gezamenlijke schuldeisers. 5.2 Omdat niet is onderbouwd dat enige zorgvuldigheidsnorm is geschonden die niet al in artikel 42 Fw besloten ligt, moet de vordering naar het oordeel van het hof kennelijk in essentie als een beroep op faillissementspauliana worden opgevat. Het hof zal daar bij de verdere beoordeling vanuit gaan. Algemene overwegingen over pauliana in geval van faillissement 5.3 Op grond van artikel 42 lid 1 Fw kan de curator ten behoeve van de boedel elke rechtshandeling die de schuldenaar vóór de faillietverklaring onverplicht heeft verricht en waarvan deze bij dit verrichten wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn, door een buitengerechtelijke verklaring vernietigen. Daarbij geldt op grond van 42 lid 2 Fw de beperking dat een rechtshandeling anders dan om niet, die hetzij meerzijdig is, hetzij eenzijdig en tot één of meer bepaalde personen gericht, wegens benadeling slechts kan worden vernietigd indien ook degenen met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn. Van wetenschap van benadeling in de zin van art. 42 Fw is sprake indien ten tijde van de handeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien voor zowel de schuldenaar als degene met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte (HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8493, NJ 2010/273, ABN AMRO/Van Dooren q.q. III, rov. 3.7-3.10 en HR 7 april 2017 ECLI:NL:HR:2017:635). De curator heeft de stelplicht en bewijslast ten aanzien van alle elementen van de faillissementspauliana. 5.4 Volgens vaste rechtspraak moet worden vooropgesteld dat een rechtshandeling onverplicht is in de zin van artikel 42 Fw indien deze wordt verricht zonder dat daartoe een op de wet of overeenkomst berustende rechtsplicht bestaat. Onverplichte rechtshandeling van [D] ? 5.5 Met grief II in het principaal appel wordt onder meer bestreden dat de overeenkomst een onverplichte verrichte rechtshandeling betreft, anders dan om niet, die door [D] voorafgaand aan het faillissement van [D] is verricht. [C] had immers de contractuele bevoegdheid de huurovereenkomst te ontbinden, zoals hij in kort geding ook had gevorderd. 5.6 Deze grief kan op dit onderdeel niet slagen. Het gaat er immers met name om dat sprake is van een wederkerige overeenkomst, waarin [D] ten gunste van [C] afstand heeft gedaan van zijn eigendomsrecht op inventaris en voorraad. Voor [D] bestond daartoe geen verplichting; de bevoegdheid van [C] de huurovereenkomst te kunnen ontbinden deed die verplichting niet ontstaan. 5.7 Nu is vastgesteld dat sprake is van een (meerzijdige) onverplichte rechtshandeling anders dan om niet, moet ook de vraag worden beantwoord (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.