GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.217.072/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/152384/ KG ZA 16-338) arrest in kort geding van 17 april 2018 in de zaak van [appellante] , wonende te [A] , appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel, in eerste aanleg gedaagde, hierna: [appellante], advocaat: mr. H.C. Post, kantoorhoudend te Assen, tegen: 1 [geïntimeerde1] , 2. [geïntimeerde2] , 3. [geïntimeerde3] , wonende te [A] , geïntimeerden in het principaal appel, appellanten in het incidenteel appel, in eerste aanleg: eisers, hierna: [geïntimeerden] c.s., advocaat: mr. M.J. Buitenhuis te Drachten, 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland (locatie Leeuwarden, hierna: de voorzieningenrechter) van 26 april 2017. 2Het verloop van de procedure in hoger beroep Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: - de appeldagvaarding van 23 mei 2017; - de memorie van grieven (met producties); - de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel (met producties); - de memorie van antwoord in het incidenteel appel; - akte aan de zijde van [appellante] (met producties); - akte aan de zijde van [geïntimeerden] c.s.; - antwoordakte aan de zijde van [appellante] ; - antwoordakte aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. (met productie). Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd op de door hen overgelegde procesdossiers. 3De vaststaande feiten 3.1 In rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.3) van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter een aantal feiten weergegeven waarvan in dit kort geding kan worden uitgegaan. Hieromtrent bestaat ook in hoger beroep geen geschil. Deze feiten komen op het volgende neer. 3.2 [geïntimeerden] c.s. wonen aan de [a-straat] 19 te [A] . 3.3 Het perceel van [geïntimeerden] c.s. grenst aan de zuidzijde aan het perceel van [B] en [appellante] , die wonen aan de [a-straat] 21 te [A] . De ouders van [B] en [appellante] , [C] en [D] , wonen naast hun kinderen op het adres [a-straat] 23 te [A] . Tezamen worden de hiervoor genoemde leden van de familie [appellante] hierna aangeduid als [appellante] c.s. 3.4 De verstandhouding tussen [geïntimeerden] c.s. en [appellante] c.s. is ernstig verstoord en tussen hen hebben zich in het verleden meerdere incidenten voorgedaan. Diverse instanties hebben tevergeefs getracht in de geschillen tussen [geïntimeerden] c.s. en [appellante] c.s. te bemiddelen. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 [geïntimeerden] c.s. hebben [appellante] c.s. gedagvaard en gevorderd hen te verbieden [geïntimeerden] c.s. te filmen en/of te fotograferen en/of pogingen daartoe te ondernemen, een en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen. Ter comparitie in eerste aanleg is door [geïntimeerden] c.s. verklaard dat die vordering niet ziet op de door [appellante] c.s. in gebruik genomen beveiligingsapparatuur, maar alleen op het filmen met een smartphone en een dashcam van [geïntimeerden] c.s. als zij op hun eigen terrein en in hun eigen huis zijn. 4.2 De voorzieningenrechter heeft het spoedeisend belang bij deze vordering aanwezig geacht. Voorts heeft hij voldoende aannemelijk geoordeeld dat [appellante] , zonder rechtvaardigingsgrond, inbreuk maakt op de privacy van [geïntimeerden] c.s. door hen te fotograferen/filmen met haar smartphone en heeft hij haar verboden dit te doen "wanneer [geïntimeerden] c.s. zich in en om huis bevinden, dus op hun eigen grond c.q. erf". Deze veroordeling is versterkt met dwangsommen en uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Voor het overige is de vordering afgewezen. 5De motivering van de beslissing 5.1 Het principaal hoger beroep strekt tot vernietiging van het vonnis van 26 april 2017 voor zover de vordering tegen [appellante] is toegewezen en tot alsnog afwijzen van de vordering (ook in zoverre). Anders dan [geïntimeerden] c.s. stellen, doet het feit dat geen afzonderlijke grief is gericht tegen het dictum van genoemd vonnis van 26 april 2017 niet af aan de overduidelijke strekking van het principaal appel. Het incidenteel appel is gericht tegen de beslissing tot compensatie van de proceskosten en strekt ertoe [appellante] alsnog in de kosten van de eerste aanleg (naast die van het hoger beroep) te veroordelen. Het hof zal het principaal en incidenteel appel gezamenlijk bespreken. 5.2 Alvorens de grieven te bespreken, zal het hof stilstaan bij de procedurele gang van zaken in hoger beroep. [geïntimeerden] c.s. hebben bezwaar gemaakt tegen de inhoud van de akte van [appellante] van 28 november 2017 voor zover die akte meer inhoudt dan het geven van (een ontkennend) antwoord op de door het hof opgeworpen vraag of een enkelvoudige comparitie kan worden gehouden. Het hof honoreert dat bezwaar slechts in zoverre de akte ook meer bevat dan een reactie op de door [geïntimeerden] c.s. in het principaal appel overgelegde producties, nu zonder die reactie de inhoud van die, voor de beslissing ten dele relevante, producties niet in de beoordeling zou kunnen worden betrokken en aldus een tussenarrest wordt voorkomen. Dat laatste dient het belang van beide partijen. Voor zover de akte meer inhoudt gaat het hof daaraan voorbij, nu de akte (zeker in kort geding) in zoverre in strijd komt met de beginselen van een goede procesorde. Overigens acht het hof de zaak voldoende duidelijk en heeft het geen behoefte aan nadere inlichtingen, terwijl het bereiken van een schikking (gelet op de vergeefse pogingen tot op heden) niet waarschijnlijk wordt geacht. Van een comparitie wordt daarom afgezien. 5.3 Met haar grief 1 bestrijdt [appellante] tevergeefs het spoedeisend belang bij de vordering, nu dat met de aard van de vordering is gegeven. 5.4 In de (toelichtingen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.