Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001030-16 Uitspraak d.d.: 23 april 2018 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 11 februari 2016 met parketnummer 16-659757-15 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1994] , wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 april 2018 en – zoals de wet dat voorschrijft in artikel 422 van het Wetboek van strafvordering – het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van dat wat namens verdachte door zijn raadsman, mr. Y. Bouchikhi, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Verdachte is bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Utrecht, veroordeeld voor de deelname aan een samenscholing. Hij heeft hiervoor een taakstraf voor de duur van 40 uren opgelegd gekregen. De vordering van de benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit arrest gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1 primair: op 9 oktober 2015 in Woerden openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen en/of personen; Feit 1 subsidiair: op 9 oktober 2015 artikel 2.1. van de APV van de gemeente Woerden – inhoudende het verbod op deelname aan een samenscholing op een openbare plaats – heeft overtreden; Feit 2: op 9 oktober 2015, al dan niet samen met anderen, in Woerden beveiligers en/of vluchtelingen heeft bedreigd met openlijke geweldpleging. De standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden veroordeeld voor zowel de openlijke geweldpleging (feit 1 primair) als de bedreiging hiermee (feit 2). Zij heeft hiertoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte doelbewust bij de voorste aanvalsgroep hoorde. Hij heeft een significante bijdrage geleverd aan het openlijk geweld. Medeverdachte [medeverdachte] zegt dat verdachte een hek omgegooid heeft. Daarnaast is verdachte vooraf in café [naam café] in Montfoort geweest en was hij lid van de WhatsAppgroep. De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle feiten die hem verweten worden. Hij heeft hiertoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte geen belangrijke rol in het geheel heeft gehad en ook geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Verdachte wist op voorhand niet dat er geweld zou worden gebruikt en heeft hier zelf ook niet aan deelgenomen. Hij is in het café aanwezig geweest, maar hij verkeerde onder invloed en heeft bij de gokkast gezeten. Van een bespreking in het café heeft hij niets meegekregen. De berichten die in de WhatsAppgroep gestuurd werden heeft hij niet gelezen. Verdachte heeft op geen enkele wijze geprobeerd om zijn herkenning te bemoeilijken en droeg geen zwarte kleding. Vrijspraak feit 2 Het hof is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de bedreiging met openlijk geweld in vereniging (feit 2). Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte dit feit heeft begaan. Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder als volgt. Verdachte wordt verweten dat hij zich – samen met anderen – schuldig heeft gemaakt aan het bedreigen van personen en/of goederen met openlijke geweldpleging. De dreigende gedragingen die onder feit 2 ten laste zijn gelegd, zijn dezelfde gedragingen als die welke verdachte verweten worden onder feit 1 primair (de openlijke geweldpleging). Ondanks het feit dat verdachte wel veroordeeld wordt voor de openlijke geweldpleging (zie het kopje: Overweging met betrekking tot het bewijs) is het hof van oordeel dat het procesdossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te kunnen vaststellen dat verdachte zelf de onder feit 2 vermelde feitelijke gedragingen heeft verricht, dan wel 'nauw en bewust’ met anderen heeft samengewerkt om personen en/of goederen aldus te bedreigen. Overweging met betrekking tot het bewijs Verdachte wordt door het hof veroordeeld voor openlijke geweldpleging (feit 1 primair). De door het hof gebruikte bewijsmiddelen weerspreken de door de verdediging aangevoerde gronden voor vrijspraak. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof is tot dit oordeel gekomen aan de hand van de volgende feiten en omstandigheden, waarbij het hof eerst zal ingaan op de redenen om aan te nemen dat er sprake is geweest van ‘openlijke geweldpleging’. Vervolgens zal het hof het aandeel van verdachte bespreken, op basis waarvan vastgesteld zal worden dat hij hiermee een ‘wezenlijke bijdrage’ aan de openlijke geweldpleging heeft geleverd. Het hof merkt op dat het enkele aanwezig zijn in een groep die gewelddadig handelt niet voldoende is om strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld te worden. Van belang is dat iemand een ‘wezenlijke bijdrage’ levert aan het geweld. Deze bijdrage hoeft op zichzelf niet gewelddadig te zijn. Openlijke geweldpleging [slachtoffer 1] was op 9 oktober 2015 omstreeks 22.30 uur werkzaam als beveiliger bij de sporthal [naam sporthal] , gelegen aan de [adres] te Woerden. In deze sporthal verbleven tijdelijk vluchtelingen. Hij zat samen met zijn collega [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ) in zijn voertuig. Hij zag dat een groep mensen de parkeerplaats op kwam lopen. Het waren ongeveer 20 tot 25 personen. Deze personen waren in het donker gekleed en hadden hun gezicht beschermd met hoodies. Hij kon van niemand het gezicht zien. De voorste persoon moedigde de groep aan. Vervolgens gooiden een aantal personen uit deze groep eieren in de richting van zijn voertuig. Hij zag dat uit de groep met vuurwerk werd gegooid. Hij hoorde een knal op het dak van zijn voertuig. Hij zag dat de groep langs de sporthal in de richting van de sporthal liep. Hij zag dat het hek dat daar stond ter afscherming opzij werd gegooid. [slachtoffer 1] stapte uit en kreeg vervolgens vuurwerk naar zich toegegooid. Zijn auto is door het gooien van vuurwerk beschadigd, het spatbord is kapot en er zitten diepe putten in het dak. Zijn broek had brandgaatjes. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij op 9 oktober 2015 omstreeks 22.30 uur als beveiliger werkzaam was bij sporthal [naam sporthal] , gelegen aan de [adres] te Woerden. Ze was hier werkzaam voor de beveiliging van de daar opgevangen vluchtelingen. Zij was samen met collega [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ). Zij hoorden dat er dranghekken omgegooid werden. Vervolgens zagen zij dat er een groep van ongeveer 20 personen aan kwam lopen. Zij gooiden de dranghekken om die je als eerste aan de linkerkant tegenkomt na het passeren van het bruggetje over de sloot vanaf de [adres] . Ze zag dat de personen donkere kleding droegen. Ze zag ook dat ze capuchons en sjaaltjes voor hun mond droegen. Ze zag dat de groep hen benaderde vanaf de passagierskant. Ze zag en hoorde dat zij eieren en vuurwerk naar hen toegooiden. Ze hoorde ongeveer drie à vier hele harde knallen. Ze zag dat de eieren tegen de voorruit kwamen. Zij zag dat de groep eieren en vuurwerk bleef gooien op de auto waarin zij zaten. Ze waren luidruchtig. Ze zag dat er 3 mannen vooruit liepen in de richting van de ingang van de sporthal. Ze zag dat er ongeveer 15 mensen, vluchtelingen en vrijwilligers, buiten stonden. Zij zag dat de afstand tussen de vluchtelingen en de groep aanvaller ongeveer tien à vijftien meter was. Ze hoorde sirenes van de politie en zag dat de groep aanvallers verdwenen waren. Zij zag dat er grote stukken vuurwerk op de grond lagen naast de sporthal. Op de parkeerplaats zag zij nog een stuk vuurwerk op de grond liggen met daarop de tekst “Cobra 6”. De heer [aangever] heeft namens de gemeente Woerden aangifte gedaan. Op 9 oktober hebben personen vuurwerk en eieren naar sporthal [naam sporthal] gegooid terwijl er 148 vluchtelingen en vrijwilligers in de sporthal aanwezig waren. Op 10 oktober 2015 omstreeks 00.25 uur is forensisch onderzoek verricht naar sporen op de openbare weg aan de [adres] te Woerden. Aan de voorzijde van het perceel, nabij de parkeerplaats, werd een vlinderbom (type Cobra 6) aangetroffen. Een tweede vlinderbom, type Cobra 6, werd aangetroffen ter hoogte van de ingang in het vaste hekwerk rondom het plein aan de voorzijde. Op het pad rechts naast de sporthal werd een deel van een rookkaars van het merk Jorge, type Smoke Fountain White, aangetroffen. Langs een groenstrook, rechts van de inrit, lag een doos eieren. Dit betrof een voordeelpak van 20 eieren. Er ontbraken drie eieren uit dit pak. Het vuurwerk dat afkomstig is uit het onderzoek in de gemeente Woerden naar aanleiding van onregelmatigheden bij het gebouw waarin tijdelijk vluchtelingen waren ondergebracht, is bij Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk niet aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Het onderzochte vuurwerk voldeed aan de omschrijving van professioneel vuurwerk. Het onderzochte vuurwerk betreft bangers (knalvuurwerk, bijvoorbeeld vlinders). Op de verpakking staat Cobra 6. Op grond van de besproken feiten en omstandigheden staat voor het hof vast dat er in de avond van 9 oktober 2015 te Woerden sprake is geweest van openlijke geweldpleging gericht tegen personen en goederen. Het aandeel van verdachte Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij op 9 oktober 2015 bij de vluchtelingenopvang aan de [adres] te Woerden is geweest. Hij maakte deel uit van de WhatsAppgroep ‘ [naam WhatsAppgroep] ’(het hof begrijpt: de app-groep voorheen genaamd ‘ [naam WhatsAppgroep] ’, p. 1117 pv). Hij heeft wel eens een WhatsApp bericht in die groep verstuurd. Verdachte is vooraf naar café [naam café] geweest en dacht toen al na vijf of tien minuten dat het mis zou gaan. Verdachte stond in de WhatAppgroep ‘ [naam WhatsAppgroep] ’ bekend onder de naam “ [naam] ”. Op 7 oktober 2015 werd in deze groep geopperd om op 9 oktober 2015 af te spreken in café [naam café] om vervolgens vanuit daar naar Woerden te gaan. Op 9 oktober 2015 om 19.21 uur schreef verdachte in de WhatsAppgroep dat hij geappt zou worden door een zekere [betrokkene 1] als zou blijken dat ze te weinig auto’s hadden. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij door [betrokkene 1] gebeld werd of hij naar Montfoort kon komen omdat ze auto’s tekort kwamen. Verdachte heeft hen vervolgens opgepikt bij café [naam café] en is daar ook zelf binnen geweest. Eenmaal bij het AZC aangekomen is verdachte tot over het bruggetje geweest. Hij wist vanaf het begin dat er doosjes eieren meegingen en dat hiermee gegooid zou worden. Ook heeft hij de eieren vastgehad. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte hoorde bij de groep aanstichters. Hij zag dat deze groep de hekken omgooiden. Op basis van deze feiten en omstandigheden staat voor het hof vast dat verdachte de groep niet alleen getalsmatig heeft versterkt, maar dat hij met zijn handelwijze opzet heeft gehad op de geweldshandelingen zoals deze zijn omschreven in de tenlastelegging onder feit 1 primair. Verdachte heeft een ‘voldoende wezenlijke bijdrage’ geleverd aan het ‘openlijke geweld’ dat gericht was tegen de noodopvang, de beveiligers en hun auto. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Feit 1 primair: hij op of omstreeks 9 oktober 2015 te Woerden, althans in het arrondissement Midden-Nederland met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten op of aan de [adres] , in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen ((een) aldaar geplaatst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.