GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.201.186 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen: 3691109) arrest van 15 mei 2018 in de zaak van [appellant] , wonende te [plaatsnaam] , appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant] , advocaat: mr. J.B. Maliepaard, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dexia Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde,in eerste aanleg: eiseres, hierna: Dexia, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 26 februari 2016 dat de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 17 mei 2016, - de memorie van grieven, - de memorie van antwoord, met één productie,- een akte uitlating van [appellant] ,- een antwoordakte van Dexia. 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 3De vaststaande feiten 3.1 Tussen Dexia (rechtsopvolgster van (onder meer) Bank Labouchere N.V. en Legio-Lease B.V.) en [appellant] zijn de onderstaande tien effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen. Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst Looptijd Totale leasesom I 50504800 29-05-1995 Legio-Jubileumplan 60 mnd € 6.492,78 II 50507697 17-07-1995 Legio-Jubileumplan 60 mnd € 13.397,50 III 71602346 08-12-1995 WinstVerdubbelaar 60 mnd € 5.108,20 IV 57008711 26-09-1997 Feestplan 120 mnd € 13.647,85 V 90008687 03-12-1997 Beleggen met korting 36 mnd € 7.256,47 VI 74012258 20-02-1998 WinstVerDriedubbelaar 36 mnd € 21.291,74 VII 74106838 18-11-1998 WinstVerDriedubbelaar 36 mnd € 5.121,79 VIII 76004777 16-10-2000 WinstVer10Dubbelaar 120 mnd € 30.341,40 IX 90182177 28-11-2000 Beleggen met Bonus 36 mnd € 7.435,41 X 51882822 21-06-2001 Triple Effect Vooruitbetaling 36 mnd € 28.531,98 3.2 Dexia heeft met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de onderstaande resultaten. Nr. Contractnr. Datum eindafrekening Resultaat I [contractnummer] 24-05-2000 € 11.317,92 II [contractnummer] 14-07-2000 € 21.046,41 III [contractnummer] 07-12-2000 € 15.695,36 IV [contractnummer] Onbekend € 0,00 V [contractnummer] 27-11-2000 € 1.920,48 VI [contractnummer] 19-02-2001 € 5.439,91 VII [contractnummer] Onbekend Onbekend VIII [contractnummer] 25-10-2010 - € 5.645,24 IX [contractnummer] Onbekend € 0,00 X [contractnummer] Onbekend € 203,75 3.3 Bij brief van 5 maart 2006 aan Dexia heeft de echtgenote van [appellant] , [echtgenote] , bericht dat zij de effectenleaseovereenkomsten met contractnummers [contractnummer] , [contractnummer] en [contractnummer] vernietigt op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d en 1:89 BW wegens het ontbreken van haar toestemming. 3.4 Op 25 januari 2007 heeft het Gerechtshof Amsterdam de zogeheten “Duisenberg-regeling” voor aandelenleaseproducten algemeen verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033). [appellant] heeft door middel van een “opt-out” verklaring in de zin van artikel 7:908 lid 2 BW aangegeven niet aan de voornoemde regeling gebonden te willen zijn. 3.5 Bij brief van 25 januari 2012 heeft Leaseproces B.V., als gemachtigde van [appellant] , aan Dexia bericht dat [appellant] zich zijn rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.3.6 De gemachtigde van Dexia heeft [appellant] bij brieven van 14 augustus 2014 en 20 augustus 2014 de mogelijkheid geboden aan te tonen dat hij nog recht zou hebben op schadevergoeding. Indien [appellant] zou menen geen recht meer te hebben op enige schadevergoeding, kon hij de bijgevoegde “waiver” ondertekenen en retourneren. De gemachtigde van [appellant] heeft op de voornoemde brieven gereageerd en heeft zich namens [appellant] op het standpunt gesteld dat Dexia niet aan haar verplichtingen heeft voldaan jegens [appellant] nu sprake zou zijn van een rechtsgeldige vernietiging op grond van artikel 1:88 BW. [appellant] heeft de waiver niet ondertekend en geretourneerd. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 Dexia heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd een verklaring voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [appellant] gesloten overeenkomsten met contractnummers [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] en [contractnummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [appellant] verschuldigd is, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding. 4.2 De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vordering toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. De kantonrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn echtgenote voorafgaand aan de brief van 5 maart 2006 minder dan drie jaar op de hoogte was van het bestaan van de in die brief genoemde drie overeenkomsten en op die grond het beroep op vernietiging van de overeenkomsten gepasseerd. 5De motivering van de beslissing in hoger beroep Inhoud grieven 5.1 [appellant] heeft in zijn memorie van grieven aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat Dexia uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten niets meer aan [appellant] verschuldigd is. Ten aanzien van de overeenkomsten met contractnummers [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] en [contractnummer] heeft [appellant] betoogd dat Dexia geen belang heeft bij haar vordering, omdat die effectenleaseovereenkomsten met een positief resultaat zijn afgewikkeld. Voorts heeft [appellant] aangevoerd dat de bevoegdheid van zijn echtgenote om de overeenkomsten met contractnummers [contractnummer] , [contractnummer] en [contractnummer] te vernietigen op 5 maart 2006 nog niet was verjaard, zodat zij deze overeenkomsten toen rechtsgeldig heeft vernietigd en [appellant] uit dien hoofde een vordering wegens onverschuldigde betaling heeft op Dexia. uitgangspunten 5.2 De onderhavige procedure betreft een zogenoemde waiverprocedure, dat wil zeggen een procedure waarin Dexia in rechte vastgesteld wil zien dat haar wederpartij – eventueel na betaling van een restantbedrag – in rechte niets meer van haar te vorderen heeft uit hoofde van één of meerdere tussen partijen gesloten financiële effectenleaseovereenkomsten. Daarbij staat voorop dat ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast ter zake op Dexia rusten. Op de wederpartij ( [appellant] ) rust vervolgens de verplichting om, wil hij niet dat de vordering bij gebrek aan verweer wordt toegewezen, de stellingen van Dexia gemotiveerd te betwisten, zodanig dat daaruit de onjuistheid van de stellingen van Dexia kan worden afgeleid. De wederpartij kan ermee volstaan, als verweer tegen de gevorderde verklaring voor recht, duidelijk te maken op welk punt zij nog een vordering pretendeert te hebben. Niet kan worden gevergd dat de wederpartij die vordering in reconventie daadwerkelijk instelt, op straffe van ontzegging van de mogelijkheid om op een later moment zelf een procedure aanhangig te maken. Waar enkel stilzitten in het algemeen geen rechtsverwerking meebrengt, zal aan een schuldeiser die draalt met het instellen van zijn vordering, alleen op die grond niet snel zijn vordering kunnen worden ontnomen. Het is immers in beginsel aan de schuldeiser om te bepalen of en wanneer hij zijn vordering in rechte geldend maakt. Thans dient tegen deze achtergrond, op individueel niveau, te worden bezien op welke punten [appellant] meent nog vorderingen op Dexia te hebben. Het hof zal de zaak opnieuw beoordelen en de grieven gezamenlijk behandelen. ontbreken belang overeenkomsten [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] en [contractnummer] 5.3 [appellant] heeft in zijn memorie van grieven aangevoerd dat Dexia geen belang heeft bij haar vordering met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten met contractnummers [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] , [contractnummer] en [contractnummer] , nu deze overeenkomsten geen negatieve gevolgen voor [appellant] hebben gehad en over deze overeenkomsten nooit een geschil tussen partijen heeft bestaan. [appellant] heeft Dexia met betrekking tot deze overeenkomsten ook niet aansprakelijk gesteld. Op dit punt slaagt de grief. [appellant] heeft jegens Dexia geen melding gemaakt van een eventuele vordering uit hoofde van de voornoemde vijf overeenkomsten. Nu met betrekking tot deze overeenkomsten derhalve nooit een geschil tussen partijen heeft bestaan, heeft Dexia bij haar vordering in zoverre geen belang en dient deze te worden afgewezen. onverschuldigde betaling na vernietiging overeenkomst door echtgenoot 5.4 Voorts heeft [appellant] zich in zijn memorie van grieven gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat zijn echtgenote te laat zou zijn geweest met het inroepen van haar bevoegdheid tot vernietiging van de door [appellant] met Dexia gesloten overeenkomsten met contractnummers [contractnummer] , [contractnummer] en [contractnummer] . De echtgenote van [appellant] heeft bij brief van 5 maart 2006 de vernietiging van deze overeenkomsten ingeroepen, omdat zij voor het aangaan van die overeenkomsten geen toestemming had verleend in de zin van artikel 1:88 BW. De kantonrechter achtte het beroep van Dexia op verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging geslaagd. 5.5 Bij de beoordeling van de vraag of het beroep van Dexia op verjaring slaagt of niet, hanteert het hof de volgende maatstaven. Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW geldt dat voor het aangaan van effectenleaseovereenkomsten, nu deze worden aangemerkt als huurkoop, de schriftelijke toestemming van de echtgenoot van de afnemer was vereist. Artikel 1:89 lid 1 BW biedt de niet-handelende echtgenoot de mogelijkheid de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen als geen toestemming voor het sluiten van de effectenleaseovereenkomsten is verleend. Uit artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming vereist was, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd. 5.6 Volgens vaste rechtspraak vangt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging aan op het moment dat de betrokken echtgenoot daadwerkelijk – subjectief – bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de overeenkomst en niet om de vraag op welk moment de echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen (ECLI:NL:HR:2015:1866). Daarnaast geldt dat op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, de stelplicht rust en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot met de overeenkomst kan worden afgeleid. Wanneer de feiten en omstandigheden omtrent die daadwerkelijke, subjectieve, bekendheid zich geheel in de sfeer van de wederpartij, zoals in dit geval [appellant] en diens echtgenote, hebben afgespeeld, brengen de eisen van de goede procesorde mee dat aan de feitelijke onderbouwing van die stellingen van Dexia niet te zware eisen mogen worden gesteld (ECLI:NL:HR:2011: BO6106). Uit de rechtspraak volgt bovendien dat aan het verrichten van betalingen in het kader van een effectenleaseovereenkomst vanaf een en/of rekening een bewijsvermoeden wordt ontleend met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn, in die zin dat wordt vermoed dat de echtgenoot van de wederpartij van Dexia, behoudens tegenbewijs, bekend is geraakt met de overeenkomst op de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop de desbetreffende betalingen staan vermeld. Het is aan de wederpartij van Dexia om dit bewijsvermoeden te ontzenuwen (ECLI:NL:HR:2012:BU6506 en BU6508, alsmede ECLI:NL:HR:2015:1866). 5.7 Het hof neemt voorts in aanmerking dat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft geoordeeld dat als gevolg van de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie door onder meer de Stichting Eegalease de bevoegdheid van de echtgenoten tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is gestuit. Omdat voor de onderhavige rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de bevoegdheid tot vernietiging van de echtgenoten is gestuit voor alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.