← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2018:4573

WAHV 200.222.080 17 mei 2018 CJIB 1950200387 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2017 betreffende [A] , wonende te [B] , voor wie als gemachtigde optreedt mr. [C] , kantoorhoudende te [D] , tevens beweerdelijk optredende namens [E] v.o.f., gevestigd te [F] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. Het procesverloop De gemachtigde heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Beoordeling De kantonrechter is tot het oordeel gekomen dat de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van een deugdelijke machtiging om daartegen beroep in te stellen. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is daarom ongegrond verklaard. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter heeft miskend dat de officier van justitie het recht om te worden gehoord heeft geschonden. Voorts stelt hij dat [G] en [A] handelsbevoegd waren in de onderhavige zaak en dat er aldus geldige machtigingen in het dossier aanwezig zijn.

  1. Uit de stukken van het dossier blijkt het volgende. Bij inleidende beschikking is een sanctie opgelegd aan [E] v.o.f. als kentekenhouder. Op 13 februari 2016 heeft [A] beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking via het Digitaal Loket. De officier van justitie heeft [A] bij brief van 2 maart 2016 gewezen op het ontbreken van een schriftelijke machtiging, waaruit blijkt dat degene aan wie de sanctie is opgelegd schriftelijk toestemming heeft gegeven voor het aantekenen van beroep tegen de opgelegde sanctie, en de gelegenheid geboden deze machtiging alsnog binnen een termijn van vier weken te verstrekken. Voorts wordt in deze brief aangegeven dat het niet herstellen van dit verzuim kan leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep. Bij brief van 9 maart 2016 heeft [G] [A] voor het instellen en behandelen van het beroep tegen de inleidende beschikking gemachtigd. Het administratief beroep is op 13 april 2016 door de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging.
  2. Om vast te kunnen stellen of [A] gemachtigd is om beroep tegen de inleidende beschikking in te stellen, is van belang dat in artikel 6, eerste lid, van de Wahv is bepaald dat degene tot wie de beschikking is gericht, administratief beroep kan instellen bij de officier van justitie. Op grond van artikel 2:1, eerste lid, van de Awb is de officier van justitie bevoegd van een (pretense) gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt, om vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient bevoegd is namens deze beroep in te stellen.
  3. Het hof volgt niet de stelling van de gemachtigde dat de in het dossier aanwezige machtiging - voor wat betreft de procedure bij de officier van justitie - geldig is. De beschikking is gericht aan [E] v.o.f., omdat deze als kentekenhouder geregistreerd stond ten tijde van de gedraging. Daarom is [E] v.o.f. gerechtigd om beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking en kan alleen [E] v.o.f. een machtiging afgeven om namens hem beroep in te stellen. De in het dossier aanwezige machtiging, waaruit blijkt dat [A] door [G] gemachtigd is om beroep aan te tekenen tegen de opgelegde sanctie, volstaat daartoe niet, nu niet blijkt dat [G] [E] v.o.f. kan vertegenwoordigen.
  4. Gelet hierop heeft de officier van justitie het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De officier van justitie kon er in dit geval, op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder a, van de Awb, van afzien om de gemachtigde te horen, aangezien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is wegens het verzuim betreffende de machtiging. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
  5. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen. Beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.