GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.181.402/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/126525/HA ZA 13-68) arrest van 22 mei 2018 in de zaak van [appellant] wonende te [A] , appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant] , advocaat: mr. G.J. de Bock, kantoorhoudend te Leiden, tegen [geïntimeerde] , wondende te [B] , geïntimeerde, in eerste aanleg eiseres, hierna: [geïntimeerde], advocaat mr. J.J. Veldhuis, kantoorhoudend te Leeuwarden. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1. De inhoud van het tussenarrest van 27 juni 2017 wordt hier overgenomen. 1.2. Ingevolge dit tussenarrest heeft op 1 november 2017 een getuigenverhoor plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. 1.3. [geïntimeerde] heeft een akte (met producties) genomen. Vervolgens hebben partijen ieder een memorie na enquête genomen en zijn de (aanvullende) stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. Het hof heeft arrest bepaald. 2De verdere beoordeling in hoger beroep 2.1. Het hof heeft in voormeld tussenarrest [appellant] toegelaten tot tegenbewijs tegen de voorshands bewezen stelling dat Dexior op 15 september 2008 geen reëel zicht had om voldoende funding te realiseren om aan haar verplichtingen uit de geldlening met [geïntimeerde] te voldoen. 2.2. [appellant] heeft in het kader van het door hem bijgebrachte bewijs, opnieuw, gewezen op de interne taakverdeling binnen Dexior, waarbij zo stelt hij, [C] (die vanaf begin 2008 als fondswerver was verbonden aan Dexior) en Phoenix Capital (die vanaf 1 juli 2008 naast [appellant] functioneerde als medebestuurder van Dexior) in samenwerking met [D] zorgden voor de funding van Dexior en [appellant] verantwoordelijk was voor de interne bedrijfsvoering en het management van de participaties. Het hof heeft in zijn tussenarrest in rov. 5.25 de redenering gevolgd dat iedere bestuurder verantwoordelijkheid draagt voor de algemene gang van zaken van de vennootschap waaronder ook het financiële beleid, zodat [appellant] zich niet op basis van die taakverdeling kan disculperen. De gevolgde redenering ziet op de zogenoemde interne aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de vennootschap (artikel 2:9 BW). In het onderhavige geval is echter sprake van een aansprakelijkstelling op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Uit het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat de bestuurder in die context moet kunnen worden gemaakt, volgt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid, behoudens bij toepassing van art. 2:11 BW (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275), voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (waaronder is begrepen nalaten) aan hem kan worden toegerekend. Daarmee verdraagt zich niet de opvatting dat de collegiale verantwoordelijkheid van bestuurders (zoals bedoeld in art. 2:9 BW) de eis van een persoonlijk ernstig verwijt (ook) in het kader van art. 6:162 BW mede vorm geeft in die zin dat een bestuurder ex artikel 6:162 BW zonder meer kan worden aangesproken voor (ernstig verwijtbaar) handelen of nalaten door een collega-bestuurder ten aanzien van bestuurstaken die bij of krachtens de wet of de statuten aan die bestuurder zijn toebedeeld. Dit laat onverlet dat het houden van onvoldoende toezicht op de uitoefening van een taak door een medebestuurder onder omstandigheden persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder kan meebrengen. Zie HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470. Gelet hierop komt het hof in deze zin terug op zijn bindende eindbeslissing in rov. 5.25 van het tussenarrest. Het hof ziet geen aanleiding om partijen zich daarover eerst te laten uitlaten, nu zij daarbij beiden geen belang hebben. Wat [appellant] betreft is de beslissing om terug te komen op die rechtsoverweging in zijn voordeel. Wat [geïntimeerde] betreft zal hieronder blijken dat ondanks het terugkomen op bedoelde beslissing zij in het gelijk zal worden gesteld. 2.3. [appellant] heeft in het kader van de bewijsopdracht twee getuigen doen horen. De heer [E] (hierna: [E] ), directeur bij Insinger Gilissen Services en de heer [D] (hierna: [D] ), financieel planner. De enquête vond plaats op 1 november 2017. [geïntimeerde] heeft afgezien van contra-enquête. 2.4. [E] heeft voor zover van belang verklaard: "Ik ben halverwege 2008, ik denk ongeveer mei 2008, in contact gekomen met [C] . (…) Omdat Dexior mogelijkerwijs interessant zou kunnen zijn voor de bij ons aangesloten zelfstandig vermogensbeheerders, heeft dit uiteindelijk ertoe geleid dat wij een seminar hebben georganiseerd. (…) Wij leggen het neutraal voor aan onze zelfstandig vermogensbeheerders en er is ook een disclaimer opgenomen in de uitnodiging. De zelfstandig vermogensbeheerders nemen zelfstandig de beleggingsbeslissingen; TGB staat daarbuiten.(…) Op de presentatie waren volgens mij, ik kan het mij niet precies herinneren, zes of zeven partijen aanwezig. (…) Over het algemeen moet een partij eerst ruimte maken om opnieuw te kunnen investeren. Dus met andere woorden: ze moeten een andere belegging afstoten om bijvoorbeeld in Dexior te kunnen beleggen. U vraagt mij hoeveel tijd daarvoor gemiddeld nodig is. Dat kan ik niet aangeven, ik weet dat niet. Een vermogensbeheerder, die bij ons was aangesloten had destijds gemiddeld € 50 miljoen aan assets. (…) Het doel was ons type relaties kennis te laten maken met dit type van beleggingen, in dit geval private equity.(…) Gemiddeld heeft een vermogensbeheerder € 50 miljoen a.u.m. [hof: assets under management]. Het vermogen per klant begint meestal vanaf € 50.000,-, dat is wel de ondergrens. (…)" 2.5. [D] heeft voor zover van belang verklaard. "Ik was van meet af aan een van de aandeelhouders in de Phoenix Group. (…) Ik heb in 2007 binnen het klantenbestand van de Phoenix Group het product uitgezet. Ik ben dus het cliëntenbestand gaan doornemen en ik heb gekeken bij welke cliënt dit product een aanvulling zou zijn. Het is een soort actie geweest. Begin 2008 ben je dan al je cliënten door geweest. In totaal heb ik in het eerste half jaar van 2007 4 miljoen uitgezet. U vraagt mij hoeveel cliënten de Phoenix Group er in 2008 bij benadering bij heeft gekregen. We spreken van 10 à 20% groei, dat betekent ruw geschat plusminus 25 cliënten. Niet al die cliënten beleggen. Er zijn ook cliënten die bijvoorbeeld alleen een consult willen. (…) In 2008 was er niets negatiefs te melden over Dexior, althans niet in het begin. In mei 2008 is Phoenix Capital, een werkmaatschappij van de Phoenix Group, aandeelhouder geworden in Dexior. Wij zouden in 2008 10 miljoen aan funding aandragen. Dat was de target van Phoenix Capital. Daartoe zouden wij vermogensbeheerders gaan benaderen. In totaal was er sprake van vier aandeelhouders op diverse niveaus in de Phoenix vennootschappen. Elk van die partners zou zijn netwerk gaan benaderen. (…) U vraagt mij of er na het toetreden van Phoenix Capital tot Dexior nog meer acties zijn georganiseerd met betrekking tot funding. Nee, geen gerichte acties, wel zijn er lijstjes met vermogensbeheerders opgesteld die we zouden gaan benaderen. (…) De bedoeling was dat ik in 2008 en 2009 al die vermogensbeheerders bij langs zou gaan. U vraagt mij hoe ik op 15 september 2008 aankeek tegen de mogelijkheden met betrekking tot funding. Ik had geen specifieke verwachtingen op die datum. Gesprekken gingen gewoon door met de vermogensbeheerders en ik heb in 2008 nog een toetreding besproken van € 50.000,-, die ik al eerder noemde. Ik had dus de verwachting dat er in 2008 voldoende funding gerealiseerd zou worden om aan de target te voldoen. Die 10 miljoen euro zouden we gemakkelijk kunnen halen was mijn verwachting. Ook na de val van Lehman Brothers. Beleggingen worden verschillend geraakt op micro- en macroniveau. (…)" 2.6. [geïntimeerde] heeft twee schriftelijke getuigenverklaringen in het geding gebracht. Een schriftelijke verklaring van [E] voornoemd en een verklaring van de heer [F] (hierna: [F] ), directeur Institutional Services bij InsingerGilissen Bankiers, beide verklaringen zijn van 27 oktober 2018. De verklaring van [E] komt overeen met zijn nadien mondeling afgelegde getuigenverklaring. 2.7. [F] heeft voor zover van belang verklaard dat hij in zijn functie verantwoordelijk was voor de private banking klanten van TGB en dat hij naar aanleiding van een bespreking op 21 april 2008 met onder meer [C] van Dexior aan [G] , werkzaam bij TGB en contactpersoon van [C] , heeft laten weten dat hij de propositie van Dexior niet interessant vond voor klanten van TGB. 2.8. Het hof overweegt als volgt. Het hof wijst eerst op hetgeen in rov. 5.26. van het tussenarrest is overwogen, te weten dat Dexior alleen al om aan de verplichtingen uit de door [geïntimeerde] op 15 september 2008 verstrekte geldlening te kunnen voldoen, binnen twee maanden na genoemde datum nieuwe beleggers moest aantrekken met een gezamenlijke minimale inleg van ruim € 500.000,-. Ten tweede wijst het hof op het feit dat sprake moest zijn van een reële verwachting (rov. 5.25. tot en met 5.28 van het tussenarrest) dat die funding er zou komen. Uit de verklaring van [F] volgt dat TGB voor haar private klanten geen belangstelling had voor beleggingen in Dexior. Uit die hoek hoefde Dexior dan ook geen belangstelling (en funding) te verwachten. Uit de overige stukken en de verklaring van [E] volgt dat op de op 4 september 2008 gehouden presentatie ongeveer 7 of 8 zelfstandige vermogensbeheerders aanwezig waren geweest, wat op 15 september 2008 nog niet tot enige reactie had geleid (naar TGB noch Dexior) laat staan tot een investeringsbeslissing. Uit de verklaring van [E] blijkt voorts dat de zelfstandige vermogensbeheerders over het algemeen eerst beleggingen moeten afstoten om nieuwe beleggingen te kunnen doen. Het hof ziet niet hoe uit dit traject en in het bijzonder die bijeenkomst bij [appellant] de reële verwachting kan zijn ontstaan dat hier voldoende funding uit zou voortkomen. Met betrekking tot Phoenix Group is het hof van oordeel dat hetgeen door [D] is aangevoerd met betrekking tot zijn verwachtingen op geen enkele wijze wordt gestaafd door de feiten. Integendeel uit het feit dat hij heeft verklaard dat hij in 2007 alle klanten van de Phoenix Groep al langs was geweest om het product Dexior uit te zetten, volgt dat slechts uit (een deel van) de aanwas van het klantenbestand van de Phoenix Group mogelijk nieuwe funding viel te halen, maar in de wetenschap dat de financiële situatie bij Dexior inmiddels zodanig verslechterd was dat Phoenix Capital Dexior mede met door haar verstrekte leningen overeind hield. Daarnaast heeft [D] verklaard dat hij in 2008 en 2009 een aantal vermogensbeheerders zou benaderen. Zoals het hof in het tussenarrest heeft overwogen (rov. 5.26) was van de fundingafspraken met Phoenix Capital, waarvan deel uitmaakte de afspraak € 5.000.000,- aan funding voor 15 september 2008, op die datum nog niets gerealiseerd. Uit de verklaring van [D] kan niet worden gedestilleerd waarom er na die datum wel een reële verwachting was dat het zou lukken, mede gelet op de hiervoor aangehaalde omstandigheden. 2.9. Aldus is met de verklaringen van [E] en [D] , bezien in samenhang met de overige inhoud van het dossier, niet ontzenuwd dat Dexior op 15 september 2008 geen reëel zicht had op het realiseren van voldoende nieuwe funding om aan haar verplichtingen uit de geldlening met [geïntimeerde] te voldoen. Aldus is [appellant] niet geslaagd in het tegenbewijs, tenzij door hem aannemelijk zou zijn gemaakt dat hij persoonlijk hiervan niet op de hoogte is geweest. Dat laatste is evenwel geenszins het geval. [appellant] was ten tijde van het aangaan van de geldlening met [geïntimeerde] een van de twee bestuurders van Dexior. Voordien, tot 1 juli 2008, was hij echter enig bestuurder. Daarmee moet hij als geen ander op de hoogte zijn geweest van het businessmodel van Dexior, de daaruit voortvloeiende financieringsbehoefte, de voor Dexior ongunstige financiële ontwikkelingen, zoals uiteengezet in het tussenarrest - kortweg: fors tegenvallende funding en slecht renderende participaties - en de in mei 2008 afgesloten lening bij NHL ter grootte van 2 miljoen euro die op 15 september 2015 moest worden afgelost. Feitelijk ontkent [appellant] een en ander ook niet, maar betoogt hij dat hij met het aantreden van Phoenix Capital als medebestuurder per 1 juli 2008 niet meer persoonlijk tot taak had de funding te realiseren. Ook al zou dat echter zo zijn, dan laat dit onverlet dat [appellant] als bestuurder de wetenschap had dat aanzienlijke stortingen (funding) op korte termijn broodnodig waren voor Dexior om te kunnen overleven en dat hij wist dat daar op 15 september 2008 geen reëel uitzicht op bestond. Niettemin is hij namens Dexior de geldleenovereenkomst met [geïntimeerde] aangegaan, die terug diende te worden betaald op 15 november 2008. [appellant] wist of had rederlijkwijs moeten weten dat Dexior bij gebrek aan concrete vooruitzichten op funding daartoe niet in staat zou zijn, en, zoals hieronder nader zal worden gemotiveerd, ook geen verhaal zou bieden voor de daaruit voortvloeiende schade. Daarvan valt hem gelet op het voorgaande persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Voor de schade als gevolg van dit aan hem toerekenbare handelen is hij dan ook aansprakelijk. Verhaal 2.10. Het oordeel dat voor [appellant] voorzienbaar was dat Dexior geen verhaal zou bieden voor de schade baseert het hof enerzijds op vorenstaand oordeel omtrent de afwezigheid van enig concreet uitzicht op funding en anderzijds op de volgende omstandigheden, waarmee [appellant] als bestuurder, die naar eigen zeggen verantwoordelijk was voor de interne bedrijfsvoering en het management van de participaties bekend moet zijn geweest ten tijde van het verstrekken van de geldlening. Dexior beschikte niet over liquiditeiten. Het actief van Dexior bestond vrijwel alleen uit haar deelnemingen in het aandelenkapitaal in de verschillende bedrijven (hierna: participaties) en de vorderingen uit de door haar aan de participaties verstrekte geldleningen. Op 15 september 2008 stond bijna 10 miljoen aan geldleningen aan de participaties uit en de uitkoopwaarde van de participaties was op de balans van Dexior opgenomen voor 5 miljoen, waarbij wordt opgemerkt dat de waarde van de participaties goeddeels was gebaseerd op de aan hen verstrekte geldleningen. De enige wijze waarop Dexior verhaal zou kunnen bieden was door het verzilveren van (het aandelenkapitaal
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.