WAHV 200.176.998 23 mei 2018 CJIB 178802356 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 11 juni 2015 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 51,50. Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Beoordeling 1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan € 70,-. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt na matiging door de kantonrechter € 51,50. Op grond hiervan dient het hoger beroep van de betrokkene in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard. 2. De betrokkene voert aan dat hij geen oproep voor de zitting van de kantonrechter heeft ontvangen. Nadat de betrokkene geld had ontvangen van het CJIB heeft de betrokkene contact opgenomen met de rechtbank en bleek er al uitspraak te zijn gedaan in de zaken waarin hij beroep had ingesteld. 3. Artikel 12, eerste lid, van de Wahv luidt, voor zover hier van belang, als volgt: "De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om (...) op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen." 4. Bij de stukken van het geding bevindt zich een op 16 april 2015 gedateerde, aan de betrokkene gerichte oproeping op het adres "Prins Willem-Alexanderweg 153, 2595 BT te 's-Gravenhage" voor de zitting van 28 mei 2015. In het beroepschrift van 15 april 2014 heeft de betrokkene echter aangegeven per 6 juni 2014 een nieuw adres te hebben, namelijk " [a-straat 1] , [A] ". Nu de betrokkene zijn nieuwe adres tijdig heeft doorgegeven en niet blijkt dat hij op dit adres is opgeroepen voor de zitting, kan niet worden vastgesteld dat de betrokkene behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Aldus is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, Wahv. 5. Gelet op het voorgaande is er sprake van schending van het beginsel van hoor- en wederhoor. Dit is reden voor doorbreking van het appelverbod. Het hof acht het hoger beroep van de betrokkene derhalve ontvankelijk en zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen. 6. De betrokkene heeft in zijn hoger beroepschrift aangegeven dat hij zijn beroep, voor zover dit nuttig wordt geacht, op een zitting nader wil toelichten. Hierop heeft het hof de betrokkene bij brief van 26 januari 2016 medegedeeld dat dit verzoek niet als een verzoek om behandeling ter zitting kan worden beschouwd en dat de betrokkene daar onvoorwaardelijk om dient te verzoeken. Hierop is van de betrokkene geen reactie ontvangen. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om de betrokkene alsnog op te roepen voor een zitting. Derhalve zal het hof doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Nu de beslissing van de kantonrechter reeds op voornoemde grond wordt vernietigd hoeven de overige bezwaren tegen die beslissing geen bespreking meer. 7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 103,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 14 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 18 januari 2014 om 14.20 uur op de A2 links (de handhavingsborden stonden bij hmp 38.6 links) te Abcoude met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] . 8. De betrokkene ontkent niet de gedraging te hebben verricht maar is het niet eens met de oplegging van de sanctie. De betrokkene heeft twee beschikkingen gekregen voor snelheidsovertredingen die op 18 januari 2014 vlak na elkaar zijn begaan op de A2. De ene overtreding is geconstateerd door middel van een trajectcontrole, de andere overtreding door middel van mobiele apparatuur. Dat is volgens de betrokkene niet toegestaan omdat er in zijn situatie sprake is van één feit, namelijk het overschrijden van de maximumsnelheid. Dit feit mag niet worden opgeknipt in aparte overtredingen. Volgens de betrokkene had de tweede controle enkel tot doel diegenen te sanctioneren die bij de eerste controle de dans waren ontsprongen. Nu de betrokkene bij de eerste controle al een sanctie opgelegd had gekregen, is het opleggen van de tweede sanctie in strijd met het doel van de controle en is er misbruik gemaakt van bevoegdheid. Verder stelt de betrokkene dat de snelheidsbeperking onvoldoende deugdelijk stond aangegeven. Hij voelt zich in zijn stelling gesteund door berichten in de media waaruit onder meer blijkt dat de trajectcontrole tussen Utrecht en Amsterdam verantwoordelijk is voor 31 procent van alle snelheidsboetes op Nederlandse autosnelwegen. De betrokkene vindt dat het Openbaar Ministerie wettig en overtuigend moet bewijzen dat er deugdelijke bebording aanwezig was. 9. In Wahv-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. 10. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in: “ De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel. gemeten (afgelezen) snelheid: 118 km per uur. werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 114 km per uur.toegestane snelheid: 100 km per uur. overschrijding met: 14 km per uur. (…) overtreden artikel: 62 jo. bord A1 RVV 1990.” 11. Gelet op de stukken in het dossier, waaronder de foto's van de gedraging, en in aanmerking genomen dat de betrokkene niet ontkent met de in de beschikking vermelde snelheid te hebben gereden, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof vervolgens te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. 12. De gemachtigde doet een beroep op artikel 56, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Daarin is bepaald dat indien meerdere feiten, die elk op zichzelf een misdrijf of overtreding opleveren, in zodanig verband staan dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling, slechts één strafbepaling wordt toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Deze bepaling is in de Wahv niet van (overeenkomstige) toepassing verklaard. Dit neemt niet weg dat indien zich een situatie voordoet die als voortgezette handeling in de zin van bedoeld artikellid kan worden aangemerkt, daarin - op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, Wahv - grond kan worden gevonden voor het oordeel dat een of meer gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.