GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.217.135 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 5409405) arrest van 5 juni 2018 in de zaak van [appellant] , wonende te [plaatsnaam] , appellant, in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie, hierna: [appellant] , advocaat: mr. J.B. Maliepaard, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dexia Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, hierna: Dexia, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 8 maart 2017, dat de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 22 mei 2017, - de memorie van grieven, - de memorie van antwoord, met producties, - een akte uitlating van [appellant] , met producties,- een antwoordakte van Dexia. 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 3De vaststaande feiten 3.1 Tussen Dexia (rechtsopvolgster van (onder meer) Legio-Lease B.V. en Bank Labouchere N.V.) en [appellant] zijn de onderstaande vijf effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen. Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst Looptijd Totale leasesom I [contractnummer 1] 20-12-1996 WinstVerdubbelaar 60 mnd € 5.079,86 II [contractnummer 2] 18-07-1997 Click-Leasen 84 mnd € 7.966,85 III [contractnummer 3] 12-09-1997 Feestplan 120 mnd € 4.718,50 IV [contractnummer 4] 08-05-1998 Feestplan II 120 mnd € 14.080,33 V [contractnummer 5] 07-07-2000 WinstVerDriedubbelaar 36 mnd € 14.278,56 3.2 Dexia heeft met betrekking tot deze effectenleaseovereenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de onderstaande resultaten. Nr. Contractnr. Datum eindafrekening Resultaat I [contractnummer 1] 19-12-2001 € 4.054,98 II [contractnummer 2] 19-07-2004 € 2.781,52 III [contractnummer 3] 11-09-2007 - € 431,02 IV [contractnummer 4] 02-11-2004 - € 2.503,12 V [contractnummer 5] 07-07-2003 - € 6.629,76 3.3 Tussen partijen zijn de overeenkomsten II, III en IV met contractnummers [contractnummer 2] , [contractnummer 3] en [contractnummer 4] in geschil (hierna gezamenlijk: de overeenkomsten). 3.4 Bij brief van 15 februari 2003 heeft de echtgenote van [appellant] , [echtgenote] , aan Dexia bericht dat zij de door haar echtgenoot gesloten effectenleaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer 5] vernietigt op grond van artikel 1:88 BW wegens het ontbreken van haar toestemming. De brief begint met de volgende passage. “In de afgelopen jaren is tussen mijn echtgenoot en uw bank(c.q. uw rechtsvoorgangers) een effectenleasecontract tot stand gekomen. Het gaat daarbij-voorzover ik kan nagaan-om het volgende contract:Winstverdriedubbelaar nr [contractnummer 5] , bedrag € 2268,90, eenmalig betaald en lopend van 06-07-2000 tot 06-07-2003.”3.5 Bij brief van 29 oktober 2004 heeft de echtgenote van [appellant] aan Dexia bericht dat zij de effectenleaseovereenkomsten met contractnummers [contractnummer 3] , [contractnummer 4] en [contractnummer 5] vernietigt overeenkomstig artikel 1:88 e.v. BW. 3.6 Bij brief van 6 april 2006 heeft Leaseproces B.V. (hierna: Leaseproces) aan [appellant] een offerte verstrekt ter zake van het verlenen van rechtsbijstand. Tussen [appellant] en Leaseproces is vervolgens een overeenkomst tot stand gekomen. 3.7 De laatste vernietigingsverklaring van de echtgenote van [appellant] dateert van 11 april 2006, waarin zij de vernietiging inroept van de effectenleaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer 2] . 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 [appellant] heeft in eerste aanleg in conventie – samengevat – gevorderd voor recht te verklaren dat de overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 2] , [contractnummer 4] en [contractnummer 3] rechtsgeldig zijn vernietigd en Dexia te veroordelen om al hetgeen door [appellant] krachtens die overeenkomsten aan Dexia heeft betaald aan hem terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. 4.2 Dexia heeft in conventie geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] . In reconventie heeft Dexia – samengevat – gevorderd voor recht te verklaren dat de overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 2] , [contractnummer 4] en [contractnummer 3] rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet bloot staan aan de vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [appellant] een beroep kan worden gedaan, alsmede met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in conventie en reconventie. [appellant] heeft de vordering in reconventie gemotiveerd betwist. 4.3 De kantonrechter heeft bij vonnis van 8 maart 2017 in conventie de vordering afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. In reconventie heeft de kantonrechter de vordering toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. 5De beoordeling van de grieven en de vordering Inhoud grieven 5.1 [appellant] voert in zijn memorie van grieven aan dat de bevoegdheid van zijn echtgenote om de overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 2] , [contractnummer 3] en [contractnummer 4] te vernietigen op het moment van de vernietiging nog niet was verjaard, zodat zij deze overeenkomsten toen rechtsgeldig heeft vernietigd en [appellant] uit dien hoofde een vordering wegens onverschuldigde betaling heeft op Dexia en haar vordering moet worden toegewezen. Dexia heeft dit bestreden. 5.2 Voorafgaand aan het bespreken van de grieven merkt het hof op dat Dexia bij antwoordakte heeft gesteld dat de door [appellant] genomen akte na memorie van antwoord in strijd is met de twee-conclusieregel. Het hof vat de inhoud van de akte van [appellant] niet op als een nieuwe grief, een nieuwe grondslag van de eis of een nieuw verweer, die in de zin van de in artikel 347 lid 1 Rv besloten liggende twee-conclusieleer tardief zou zijn. Het hof is dan ook niet van oordeel dat de inhoud van de genomen akte in strijd is met de twee-conclusieregel. onverschuldigde betaling na vernietiging van de overeenkomst door de echtgenoot 5.3 Aan de orde is de vraag of het beroep van Dexia op verjaring slaagt of niet. Het hof hanteert bij de beoordeling van die vraag de volgende maatstaven. Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW geldt dat voor het aangaan van effectenleaseovereenkomsten, nu deze worden aangemerkt als huurkoop, de schriftelijke toestemming van de echtgenoot van de afnemer was vereist. Artikel 1:89 lid 1 BW biedt de niet-handelende echtgenoot de mogelijkheid de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen als geen toestemming voor het sluiten van de effectenleaseovereenkomsten is verleend. Uit artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming vereist was, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd. 5.4 Volgens vaste rechtspraak vangt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging aan op het moment dat de betrokken echtgenoot daadwerkelijk – subjectief – bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de overeenkomst en niet om de vraag op welk moment de echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen (ECLI:NL:HR:2015:1866). Daarnaast geldt dat op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, de stelplicht rust en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot met de overeenkomst kan worden afgeleid. Wanneer de feiten en omstandigheden omtrent die daadwerkelijke, subjectieve, bekendheid zich geheel in de sfeer van de wederpartij, zoals in dit geval [appellant] en zijn echtgenote, hebben afgespeeld, brengen de eisen van de goede procesorde mee dat aan de feitelijke onderbouwing van die stellingen van Dexia niet te zware eisen mogen worden gesteld (ECLI:NL:HR:2011:BO6106). Uit de rechtspraak volgt bovendien dat aan het verrichten van betalingen in het kader van de effectenleaseovereenkomst vanaf een en/of rekening een bewijsvermoeden wordt ontleend met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn, in die zin dat wordt vermoed dat de echtgenote van de wederpartij van Dexia, behoudens tegenbewijs, bekend is geraakt met de overeenkomst op de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop de desbetreffende betalingen staan vermeld. Het is aan de wederpartij van Dexia om dit bewijsvermoeden te ontzenuwen (ECLI:NL:HR:2012:BU6506 en BU6508, alsmede ECLI:NL:HR:2015:1866). 5.5 Het hof neemt voorts in aanmerking dat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft geoordeeld dat als gevolg van de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie door onder meer de Stichting Eegalease de bevoegdheid van de echtgenoten tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is gestuit. Omdat voor de onderhavige rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de bevoegdheid tot vernietiging van de echtgenoten is gestuit voor alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.