← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2018:5572

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003106-16 Uitspraak d.d.: 6 juni 2018 TEGENSPRAAK ONTNEMINGSZAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 20 mei 2016 met parketnummer 16-994049-14 in de strafzaak tegen [veroordeelde] , gevestigd te [vestigingsplaats] . Het hoger beroep De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 22 november 2017, 4 april 2018, 18 april 2018 en 23 mei 2018, 23 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. De vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van veroordeelde en haar raadslieden, mr. M.G. Pekkeriet en mr. A.C. Huisman, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd. Het hof doet daarom opnieuw recht. Overweging hof Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten. [betrokkene 1] , bestuurder van veroordeelde, heeft met [betrokkene 2] de afspraak gemaakt dat hij van zijn werkzaamheden bij SNS Property Finance BV (hierna SNSPF) een aanbreng-/bemiddelingsfee van € 75,- per door [betrokkene 1] gewerkt uur bij SNSPF aan [betrokkene 2] zou betalen. Op verzoek van [betrokkene 2] is de betaling van de fee door een aan [betrokkene 3] gelieerde vennootschap gefactureerd en is aan die vennootschap ook betaald. [betrokkene 1] heeft verklaard dat via hem [betrokkene 4] en [betrokkene 5] zijn komen werken bij SNSPF. In een gesprek met [betrokkene 2] bij aanwezig was, heeft [betrokkene 1] aangegeven dat hij het wel redelijk zou vinden dat hij voor het aanbrengen van deze medewerkers een correctie op zijn te betalen fee zouden ontvangen. [betrokkene 2] stelde voor dat hij € 7,50 per medewerker zou krijgen. [betrokkene 1] heeft hiervoor correctiefacturen gestuurd door veroordeelde aan [betrokkene 3] met daarop dezelfde omschrijving als de facturen die hij van [betrokkene 3] ontving: adviesdiensten. Veroordeelde heeft op deze wijze € 45.900 ontvangen. Het openbaar ministerie heeft deze wijze van handelen ten laste gelegd als onder meer oplichting dan wel verduistering en niet ambtelijke omkoping. Het hof heeft [betrokkene 1] van déze verdenkingen vrijgesproken. Het openbaar ministerie heeft deze wijze van handelen ook ten laste gelegd als valsheid in geschrift, witwassen en deelnemen aan een criminele organisatie. Het hof heeft veroordeelde bij arrest van 6 juni 2018 (parketnummer 21-003105-16), terzake het witwassen ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof heeft het plegen van valsheid in geschrift en deelnemen aan een criminele organisatie bewezen verklaard en veroordeelde een geldboete opgelegd. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of veroordeelde enkel door de valsheid in geschrift de geldbedragen wederrechtelijk heeft verkregen. Het hof beantwoord deze vraag ontkennend. [betrokkene 1] heeft van een aantal personen van elk van de door hen bij SNSPF gewerkt uur een kickback betaling ontvangen. Voor het ontvangen van deze kickback betalingen maakte [betrokkene 1] facturen op op naam van [veroordeelde] BV. Als omschrijving op deze facturen heeft [veroordeelde] BV in strijd met de waarheid vermeld 'adviesdiensten". Dit maakt echter naar het oordeel van het hof nog niet dat daardoor het door veroordeelde ontvangen geldbedrag wederrechtelijk is verkregen. Immers indien op de factuur de juiste omschrijving als aanbreng-/bemiddelingsfee of commissie was vermeld, had veroordeelde de geldbedragen ook ontvangen. Gelet hierop zal de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden afgewezen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag. Aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. R. de Groot en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren, in tegenwoordigheid van B.J. Berendsen en mr. G.W. Jansink, griffiers, en op 6 juni 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.