GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.215.763 (zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Almelo 198901) arrest in kort geding van 19 juni 2018 in de zaak van [appellant 1] overleden, voorheen wonende te [woonplaats 1] , en [appellant 2] , wonende te [woonplaats 1] , appellanten in het principaal hoger beroep, geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagden, advocaat: mr. D.P. Kant, tegen: [geïntimeerde 1] , en [geïntimeerde 2] , beiden wonende te [woonplaats 2] ), geïntimeerden in het principaal hoger beroep, appellanten in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eisers, advocaat: mr. D.S. Teitler. Appellanten (in principaal hoger beroep) worden hierna gezamenlijk [appellanten] . genoemd. B.Th. [appellant 1] wordt [appellant 1] genoemd. Geïntimeerden (in principaal hoger beroep) worden [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd. [appellant 1] is op [datum] overleden. Nu geen van partijen de procedure heeft laten schorsen, wordt zij voortgezet op naam van de overledene (artikel 225 lid 2 Rv). 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 30 maart 2017 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel (locatie Almelo) tussen [geïntimeerden] als eisers en [appellanten] als gedaagden heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 26 april 2017, - de memorie van grieven in het principaal hoger beroep (met producties), - de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep (met producties), - de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, 2.2. Vervolgens heeft [geïntimeerden] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 3De vaststaande feiten 3.1. [appellant 1] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid V.N.I. Enschede B.V. (verder te noemen: VNI) hebben meerdere procedures tegen elkaar gevoerd. In een aantal procedures heeft VNI zich hierbij op het standpunt gesteld dat [appellant 1] als vennoot van [bedrijf] aansprakelijk was voor de huurachterstand die [bedrijf] , als huurder, bij VNI had. 3.2. [geïntimeerde 1] was middellijk (indirect) bestuurder van VNI. [geïntimeerde 2] is de echtgenote van [geïntimeerde 1] . 3.3. Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Overijssel van 30 januari 2004 zijn [appellant 1] en zijn zoon, medevennoot bij [bedrijf] , hoofdelijk veroordeeld tot onder meer betaling aan VNI van een bedrag van € 55.000 ten titel van voorschot op het aan VNI toekomende bedrag aan huurpenningen en tot betaling van de nog openvallende huurtermijnen vanaf 1 januari 2004 tot en met de dag dat de huurovereenkomst tussen VNI en de [bedrijf] rechtsgeldig zou zijn beëindigd. Dit vonnis is bekrachtigd bij arrest in kort geding van het gerechtshof Arnhem van 6 juli 2004. 3.4. Bij vonnis van 13 april 2010 van de rechtbank Overijssel is [appellant 1] veroordeeld om aan VNI te betalen de achterstallige huur vanaf april 2003 tot 16 september 2005, vermeerderd met de wettelijke rente, een bedrag van € 15.000 ter zake van de boete, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. 3.5. Bij arrest van 2 oktober 2012 heeft het gerechtshof Arnhem voornoemd vonnis van 13 april 2010 vernietigd en de vorderingen van VNI op [appellant 1] afgewezen, met veroordeling van VNI in de kosten van de eerste aanleg en de kosten van het principaal beroep. Dit arrest is in kracht van gewijsde gegaan. 3.6. Bij verzoekschrift van 9 februari 2017 heeft [appellanten] . aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag op de onroerende zaak van [geïntimeerden] aan de [adres] (verder te noemen: de woning), met begroting van de vordering op € 318.084. Het gevraagde verlof is op 10 februari 2017 verleend, waarbij de vordering is begroot op € 150.000,-. 3.7. Op 22 februari 2017 heeft [appellanten] . beslag gelegd op de woning. 4De motivering van de beslissing in het principaal hoger beroep 4.1. [appellanten] . heeft op 8 maart 2017 een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen VNI en haar bestuurders, waaronder [geïntimeerde 1] . Voorafgaand daaraan hebben zij, ter veiligstelling van hun gestelde vordering op [geïntimeerde 1] , conservatoir beslag gelegd op de woning van [geïntimeerden] Dit kort geding gaat over de vraag of het door [appellanten] . ten laste van [geïntimeerde 1] gelegde conservatoir beslag op de woning van [geïntimeerden] moet worden opgeheven. De rechtbank Overijssel heeft de daartoe strekkende vordering van [geïntimeerden] toegewezen bij vonnis van 30 maart 2017 (hierna: het vonnis) en [appellanten] . is daartegen opgekomen met vier bezwaren (grieven). 4.2. In een kort geding dient het hof zelfstandig (ambtshalve) te beoordelen of een spoedeisend belang bestaat bij de verlangde voorlopige voorziening, te weten de opheffing van het beslag op de woning van [geïntimeerden] Het hof beantwoordt die vraag bevestigend omdat [geïntimeerden] door het conservatoir beslag niet vrij kan beschikken over de woning. 4.3. De rechter in kort geding (voorzieningenrechter) kan een conservatoir beslag onder meer opheffen als ‘summierlijk’ blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ( [appellanten] . ) ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag (artikel 705 lid 2 Rv). De voorzieningenrechter is op dit punt niet gebonden aan de wettelijke regels omtrent de bewijslastverdeling. De rechter zal steeds hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. De beoordeling van de opheffingsvordering kan niet los geschieden van een afweging van de wederzijdse belangen. Dit houdt in dat ook een inschatting moet worden gemaakt van het risico enerzijds dat de beslaglegger ( [appellanten] . ) geen verhaal heeft indien hij over een deugdelijk vordering blijkt te beschikken en het risico anderzijds dat geen verhaal mogelijk zal zijn voor door een onterecht beslag bij de beslagene ( [geïntimeerden] ) ontstane schade. 4.4. Grief I ziet op een tweetal typefouten in het bestreden vonnis. Met deze grief is rekening gehouden bij de vaststelling van de feiten en deze grief behoeft daarom geen bespreking meer. 4.5. Met de grieven II en III komt [appellanten] . op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [appellanten] . als beslagleggers ingeroepen recht (artikel 705 lid 2 Rv). 4.6. [appellanten] . stelt, zo begrijpt het hof, schade te hebben geleden als gevolg van het door VNI ingediende verzoek tot faillietverklaring van [appellant 1] op basis van een vordering (op [appellant 1] ) waarvan later, bij arrest van 2 oktober 2012, is komen vast te staan dat deze niet bestond. Alle bestuurders van VNI hadden volgens [appellanten] . kunnen bevroeden dat uiteindelijk de uitkomst van die procedure voor [appellant 1] gunstig zou zijn en dat VNI dan schadevergoeding zou moeten betalen aan [appellant 1] . Alle bestuurders wisten voorts dat VNI deze schadevergoeding niet zou kunnen betalen. Door toch het faillissement van [appellant 1] te verzoeken hebben zij onrechtmatig jegens [appellant 1] gehandeld. [geïntimeerde 1] was een van de voortrekkers in dezen. [appellanten] . voert ten tweede aan dat VNI op 13 februari 2004 op grond van het kortgedingvonnis van 30 januari 2004 een executoriaal beslag aan [appellant 1] heeft laten betekenen, dat dit onjuist was omdat dit niet de hoofdzaak betrof en dat daarom door de faillissementsrechter op 22 december 2004 de krediethypotheek (die als steunvordering was opgevoerd) ten onrechte als opeisbaar wordt bestempeld. Deze gedragingen van VNI konden als persoonlijk ernstig verwijtbaar worden beschouwd van de bestuurders van deze vennootschap, zeker ook van [geïntimeerde 1] , die veelal als woordvoerder van VNI optrad. Ten derde stelt [appellanten] . dat in de schuldsaneringsregeling van [appellant 1] de advocaat van VNI een te hoge vordering heeft ingediend, te weten € 252.000 in plaats van € 70.000. Deze gedragingen van de advocaat van VNI dienen VNI te worden toegerekend waarbij de bestuurders van VNI persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, gelet op de aard van de gedraging, als zijnde vallend buiten de normale activiteiten van VNI. [appellanten] . stelt aldus kort samengevat dat VNI onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant 1] (of [appellanten] . ) en dat (ook) [geïntimeerde 1] daarvoor als (indirect) bestuurder aansprakelijk is. 4.7. Het hof stelt het volgende voorop. Als een vennootschap een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, [naam] ). In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie met name Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006,AZ0758 [naam] ) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.